Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2025:26597

Op 28 October 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL23.7373, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2025:26597. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL23.7373
Datum uitspraak:
28 October 2025
Datum publicatie:
16 January 2026

Indicatie

Geloofwaardigheid. Nigeria, vrouwenbesnijdenis, mensenhandel, iMMO-rapportage, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.7373

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2025 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres

mede namens haar minderjarige kind:

[naam kind] , v-nummer: [nummer 2]

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. Eiseres is het niet eens met de ongegrondverklaring van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiseres niet geloofwaardig is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 30 maart 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 februari 2023 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan

hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek daarna bij beslissing van 2 december 2024 geschorst omdat op dat moment ten behoeve van eiseres een onderzoek liep bij het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) en de rapportage van dat onderzoek nog niet gereed was.

2.2.

Eiseres heeft op 28 maart 2025 het iMMO-rapport overgelegd. De minister heeft hierop op 9 april 2025 gereageerd en in zijn reactie aandacht besteed aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 april 2025. (Voetnoot 1)

2.3.

Na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld te zijn heeft de gemachtigde van eiseres op 27 mei 2025 een reactie namens iMMO aan de rechtbank toegezonden. De minister heeft daarop bij brief van 6 juni 2025 gereageerd.

2.4.

Bij brief van 1 juli 2025 heeft de rechtbank aan partijen verzocht om te laten weten of zij op een nadere zitting wensten te worden gehoord. Eiseres heeft niet gereageerd. De minister heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het afdoen van de zaak zonder zitting. De rechtbank heeft het onderzoek daarom gesloten en doet uitspraak zonder nadere zitting. (Voetnoot 2)

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het asielrelaas

4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is geboren in Nigeria op [geboortedatum] 1994. Zij stelt dat zij op haar elfde is verkracht door haar vader en daardoor zwanger is geworden. Door deze omstandigheid werd het voor haar moeilijk om nog met een man te kunnen trouwen en is zij tegen haar wil getrouwd met een oudere man genaamd [persoon A]. [persoon A] wilde eiseres besnijden. Eiseres wilde dit niet omdat haar oudere zus aan een besnijdenis is overleden. Eiseres heeft gedurende 10 jaar kunnen voorkomen te worden besneden door geregeld naar haar moeder te vluchten, maar zij voelde zich gedwongen om toch telkens terug te keren naar [persoon A]. Eiseres is met hulp van een vrouw genaamd [persoon B] uit Nigeria gevlucht. Omdat zij daardoor een schuld bij [persoon B] had, heeft ze in Italië gedwongen in de prostitutie gewerkt voor een vrouw genaamd [persoon C] om deze schuld te kunnen aflossen. Eiseres is met behulp van een vriendin uit Italië vertrokken en is via Duitsland in Nederland gekomen. Eiseres vreest bij terugkeer naar Nigeria dat zij en haar dochter alsnog zullen worden besneden. Eiseres is ook bang voor [persoon B] en haar familie omdat zij de bij haar openstaande schuld nog niet heeft afgelost.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Eiseres en dochter [naam kind] zijn niet besneden;

Mensenhandel.

De minister gelooft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres en dat zij en haar dochter niet zijn besneden. De minister vindt het relaas van eiseres over mensenhandel ongeloofwaardig. Met betrekking tot het risico op vrouwenbesnijdenis (FGM) na terugkeer naar Nigeria vindt de minister dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij of haar dochter op grond daarvan een vluchteling zijn in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat zij een reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met eiseres haar vermogen om te verklaren?

6. Eiseres betoogt dat de minister bij de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met haar beperkte vermogen om te verklaren. Daartoe voert zij aan dat zowel bij het nader gehoor als het aanmeldgehoor ten onrechte geen vrouwelijke tolk Pidgin-Engels is betrokken, en dat de gehoren om die reden niet zorgvuldig zijn geweest. Eiseres heeft door de aanwezigheid van een mannelijke tolk te veel schaamte ervaren om open te kunnen verklaren over de verkrachting en haar prostitutie-werk en heeft niet alles kunnen verklaren. Ook blijkt uit het bestreden besluit volgens eiseres onvoldoende dat het culturele en persoonlijke referentiekader van eiseres is meegewogen. Eiseres wijst erop dat zij een nauwelijks opgeleide, analfabete vrouw is en dat zij moeite had de vragen tijdens de gehoren goed te begrijpen. De minister had haar daarom niet mogen tegenwerpen dat zij op onderdelen van het relaas weinig, tegenstrijdig of onvoldoende specifiek heeft verklaard. Eiseres wijst op het advies van Medifirst van 20 oktober 2021. Eiseres wijst daarnaast op het door haar laten opstellen iMMO-rapport van 25 maart 2025. Daaruit volgt volgens haar dat zij door haar psychische toestand en trauma’s niet voldoende in staat is geweest om compleet, coherent en consistent te verklaren. Uit het iMMO-rapport volgt verder dat bij eiseres sprake is van 14 aan haar asielrelaas te relateren letsels op grond waarvan volgens eiseres sprake is van medisch steunbewijs van haar relaas.

7. De rechtbank zal eerst beoordelen of de minister aan het door eiseres overgelegde iMMO-rapport had mogen voorbijgaan zonder een medisch deskundige te horen. Daarna zal de rechtbank een oordeel geven over het standpunt van de minister over het vermogen van eiseres om te verklaren.

Moet de minister het iMMO-rapport betrekken bij zijn beoordeling?

8. De minister heeft bij brief van 9 april 2025 op het overgelegde iMMO-rapport gereageerd en stelt zich op het standpunt dat de conclusie van het door eiseres overgelegde iMMO-rapport niet inzichtelijk is, en dat het rapport om die reden niet valt aan te merken als een op zorgvuldige wijze tot stand gekomenen naar inhoud inzichtelijk en concludent deskundigenrapport. De minister wijst ter onderbouwing van dat standpunt op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 (Voetnoot 3) waarin over een ander iMMO-rapport is overwogen dat de in dit rapport gedane vaststellingen, gevolgde redeneringen en getrokken conclusies niet steeds in overeenstemming zijn met de actuele wetenschappelijke inzichten en de eisen die aan een deskundigenrapport moeten worden gesteld. Daarnaast overweegt de Afdeling dat onvoldoende inzichtelijk is dat de in dat rapport opgenomen conclusie dat de geconstateerde psychische/lichamelijke problematiek van de vreemdeling beperkingen gaf die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, is gebaseerd op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Volgens de minister kleven aan het iMMO-rapport dat in deze zaak voorligt dezelfde gebreken en kan het rapport de daarin getrokken conclusie niet dragen. De minister concludeert dat het iMMO-rapport van 25 maart 2025 geen aanleiding geeft om te concluderen dat eiseres in de met haar afgenomen asielgehoren ten gevolge van psychische klachten niet in staat was om volledig, coherent en consistent te verklaren. Dat betekent volgens de minister dat hij aan het rapport voorbij heeft mogen gaan en zich heeft mogen baseren op wat eiseres heeft verklaard tijdens de asielgehoren, nu daarin rekening is gehouden met de beperkingen zoals die voorkomen uit het Medifirst-onderzoek.

Het juridisch kader

9. Een iMMO-rapport is een deskundigenrapport. Wanneer een vreemdeling in de bestuurlijke fase, dan wel binnen de grenzen van de goede procesorde in de beroepsfase, een iMMO-rapport heeft ingebracht dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat naar inhoud inzichtelijk en concludent is, moet de minister de conclusie uit dit rapport betrekken bij zijn beoordeling. Als in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van de vreemdeling ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren, kan de minister hieraan niet voorbijgaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen. (Voetnoot 4)

9.1.

Het iMMO stelt zijn rapporten op aan de hand van een vaste vraagstelling, onderverdeeld in een A1-, een A2- en een B-vraag. De A1- en de A2-vraag gaan over medisch steunbewijs. Daarbij komt aan de orde in welke mate de lichamelijke dan wel de psychische problematiek van de betrokken vreemdeling kan zijn voortgekomen uit het gestelde asielrelaas. De A1- en de A2-vraag zijn gebaseerd op het Istanbul Protocol en de daarin in paragraaf 187 opgenomen gradaties, die variëren van ‘niet consistent’ tot ‘kenmerkend’. Vraag B van een iMMO-rapport gaat over het vermogen van de betrokken vreemdeling om te verklaren. Daarin beantwoordt het iMMO de vraag of de lichamelijke en/of psychische klachten van die vreemdeling op het moment van de asielgehoren zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, hebben beïnvloed. De mate waarin de psychische klachten kunnen interfereren bevindt zich tussen ‘niet’, ‘er zijn geen psychische problemen of de psychische problemen interfereren niet’ en ‘zeker, de psychische problemen zijn van dien aard en ernst dat ze zeker zullen interfereren’.

9.1.1.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 volgt – kort gezegd – dat als het iMMO bij de B-vraag tot de conclusie komt dat een psychische stoornis zeker interfereert met de mogelijkheid van en vreemdeling om volledig, coherent en consistent te verklaren, het iMMO dit oordeel op inzichtelijke wijze zal moeten baseren op een specifiek op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van het vermogen om te verklaren. Als dat het geval is, dan zal het iMMO inzichtelijk moeten maken waarom en in hoeverre de bij de vreemdeling geconstateerde klachten hebben geleid tot een geheugenstoornis en waarom deze in zijn geval zouden hebben geleid tot een interferentie met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren over het asielrelaas. Diagnostisering met PTSS volstaat daarvoor niet, aangezien de invloed van PTSS op het geheugen per persoon verschilt. De betreffende iMMO-rapportage zal nader inzicht moeten verschaffen op basis van welke bevindingen het iMMO tot zijn conclusie is gekomen en hoe en in welke mate de psychische problematiek concreet de werking van het geheugen van de vreemdeling, dan wel delen daarvan, heeft beïnvloed. (Voetnoot 5)

Wat is het oordeel van de rechtbank?

10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de conclusie uit het door eiseres overgelegde iMMO-rapport onvoldoende inzichtelijk is. In het rapport is geconcludeerd dat de vastgestelde medische problematiek ‘zeker’ heeft geleid tot een interferentie met het vermogen van de vreemdeling om compleet, coherent en consistent te verklaren over haar asielrelaas. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de door het iMMO geconstateerde letsels en de daarmee volgens het iMMO samenhangende de diagnose PTSS en de verklaringen van eiseres daarover ten overstaan van het iMMO niet te relateren zijn aan het door eiseres ten overstaan van de IND afgelegde asielrelaas en dat uit het iMMO-rapport om die reden niet blijkt van medisch steunbewijs ten gunste van haar asielrelaas. De rechtbank licht dit oordeel hieronder toe.

10.1.

De conclusie van het door eiseres overgelegde iMMO rapport is dat 14 van de 25 geconstateerde littekens worden toegeschreven aan het asielrelaas en dat van deze veertien littekens er één kan worden gekenmerkt als typerend (een poging tot gedwongen besnijdenis door haar ex-echtgenoot), vier als zeer consistent en negen als consistent. Verder volgt uit het iMMO-rapport dat eiseres kan worden gediagnosticeerd met psychische klachten in de vorm van PTSS en depressieve- en angstklachten gecombineerd met verhoogde prikkelbaarheid en cognitieve problemen en dat zij schuld- en schaamtegevoelens ervaart. Bij beantwoording van de B-vraag wordt beschreven welke informatie naar voren is gekomen uit de MediFirst-adviezen van 18 augustus 2021 en 18 oktober 2021. Ook wordt vermeld dat in het dossier van de huisarts geen informatie over de periode van de gehoren staat. Daarnaast wordt beschreven hoe de verschillende gehoren van eiseres tijdens de asielprocedure zijn verlopen. Onder het kopje ‘Andere factoren die van invloed zijn geweest” staat dat eiseres bij het iMMO heeft aangegeven zich te schamen en dat het praten over het gestelde meegemaakte geweld, met name het gestelde meegemaakte seksuele geweld, pijn en schaamte oproept en dat dit ervoor zorgt dat zij hierover moeilijk kan praten en dit zoveel mogelijk uit de weg gaat. Het iMMO concludeert dat vanuit de beschikbare informatie naar voren komt dat tijdens de gehoren sprake was van duidelijke cognitieve problemen bij eiseres leidend tot verwarring, onduidelijkheid en het niet begrijpen van vragen bij de gehoren. Het iMMO benoemt ook dat het krijgen van een mannelijke tolk, terwijl er om een vrouwelijke is gevraagd, invloed heeft gehad op het verklaren van eiseres. De geconstateerde medische problematiek en gevoelens van schaamte hebben dan ook beperkingen gegeven die ten tijde van de gehoren ‘zeker’ hebben geïnterfereerd met het vermogen van betrokken om compleet, coherent en consistent te verklaren, aldus het iMMO-rapport.

10.2.

De rechtbank zal eerst de gevolgen van de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 bespreken voor het in deze zaak overgelegde iMMO-rapport. Daarna zal de rechtbank het standpunt van de minister bespreken over het uit dat rapport naar voren komende medisch steunbewijs.

10.3.

Net als in de zaak die ten grondslag lag aan de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 is de rechtbank van oordeel dat uit het door eiseres overgelegde iMMO-rapport weliswaar volgt dat (voor zover relevant) sprake is van PTSS en een aantal andere psychische klachten, maar dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in onderhavige rapportage eveneens onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie is gebaseerd op een op eiseres als individu toegespitste beoordeling van haar vermogen om te verklaren.

10.3.1.

Hoewel het iMMO in zijn rapport (Voetnoot 6) beschrijft welke medische (waaronder psychische) klachten eiseres had tijdens de asielgehoren en deze klachten op punten verschillen van die van de vreemdeling wiens zaak bij de Afdeling voorlag, maakt het iMMO ook in dit rapport niet inzichtelijk waarom en in hoeverre deze klachten juist bij eiseres zouden hebben geleid tot een geheugenstoornis en evenmin waarom deze in het bijzonder in haar geval zouden hebben geleid tot een interferentie met haar vermogen om over haar asielrelaas te verklaren. Zoals voortvloeit uit de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 en het daarin weergegeven advies van de door de Afdeling geraadpleegde deskundige is een diagnostisering van PTSS daarvoor op zichzelf niet voldoende, aangezien de invloed van PTSS (of een soortgelijke aan trauma gerelateerde stoornis) op het geheugen per persoon verschilt. Gelet hierop had het iMMO-rapport nader inzicht moeten verschaffen op basis van welke bevindingen het iMMO tot zijn conclusie is gekomen en hoe en in welke mate de medische problematiek van eiseres in concreto de werking van haar geheugen, dan wel delen daarvan, heeft beïnvloed. Dit blijkt niet uit het door eiseres overgelegde iMMO-rapport. De constatering dat tijdens de gehoren sprake was van duidelijke cognitieve problemen die tezamen met gevoelens van schaamte en de aanwezigheid van een mannelijke tolk invloed hebben gehad op het vermogen om te verklaren is daarvoor onvoldoende specifiek.

10.3.2.

De minister wijst er in dit kader bovendien terecht op dat uit het onderhavige iMMO-rapport volgt dat het afnemen van de zogenoemde Bourdon-Wiersma-test (ter vaststelling van eventuele geheugenproblemen) achterwege is gebleven in verband met tijdgebrek en dat deze test in het rapport dat ten grondslag lag aan de uitspraak van de Afdeling wel was uitgevoerd.

11. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2025 en vragen van de rechtbank heeft eiseres het iMMO gevraagd om een reactie. Het iMMO heeft gereageerd bij bericht van 2 april 2025. De reactie van iMMO behelst – kort gezegd – een algemene reactie op de uitspraak van de Afdeling en de daaruit door het iMMO getrokken conclusies en voorgenomen aanpassingen, maar ziet niet op de inhoud van het in deze zaak overgelegde iMMO-rapport. Deze reactie van het iMMO kan daarom aan het oordeel van de rechtbank over de B-vraag niet afdoen.

12. Met betrekking tot de A1 en A2-vragen stelt de minister zich verder terecht op het standpunt dat de door eiseres gestelde toedracht van zowel het fysieke letsel als het door het iMMO als typerend voor die gestelde toedracht gekenmerkte psychisch letsel (PTSS) is gebaseerd op verklaringen ten overstaan van het iMMO die fundamenteel afwijken van de verklaringen die eisers tijdens de gehoren ten aanzien van de IND heeft afgelegd en dat daarom geen sprake kan zijn van medisch steunbewijs voor het door eiseres ten overstaan van de IND afgelegde asielrelaas. Zo stelt eiseres dat het letsel is voortgekomen uit een (mislukte) gedwongen besnijdenis door haar ex-echtgenoot [persoon A] en uit geweld dan wel vluchtpogingen voor deze ex-echtgenoot. Hoewel eiseres tegenover de minister heeft verklaard over haar gedwongen huwelijk en de omstandigheid dat zij verschillende malen bij familie en vooral bij haar moeder heeft moeten verblijven, heeft zij nooit verklaard over het ten overstaan van het iMMO naar voren gekomen (zeer ernstige) fysieke geweld, dan wel over een daadwerkelijke poging tot gedwongen besnijdenis. Omdat de verklaringen van eiseres ten overstaan van het iMMO in het geheel niet te relateren zijn aan de verklaringen van eiseres ten overstaan van de minister, kunnen de conclusies van het iMMO over de A1-vraag om die reden dan ook niet dienen als medisch steunbewijs voor het door eiseres ten overstaan van de minister afgelegde asielrelaas. Dit geldt, nog los van hetgeen hiervoor is overwogen, ook voor de diagnose PTSS. Daartoe is redengevend dat het iMMO het gestelde ernstige fysieke geweld door de ex-echtgenoot van eiseres heeft gekenmerkt als een typerende oorzaak voor deze PTSS en dat, zoals uit voorgaande blijkt, eiseres over dit (ernstige) geweld in het geheel niet heeft verklaard tegenover de minister, zonder dat zij hiervoor een verklaring heeft gegeven.

13. Voorgaande betekent dat de minister aan het antwoord op de B-vraag in het iMMO-rapport voorbij mocht gaan en zich in zijn besluitvorming terecht heeft gebaseerd op de asielgehoren en de beperkingen die voortvloeien uit het Medifirst-onderzoek.

14. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich ten aanzien van het referentiekader van eiseres terecht op het standpunt dat bij het nader gehoor en het aanvullend gehoor voldoende rekening is gehouden met de over eiseres bekende medische problemen en haar door Medifirst vastgestelde beperkingen. De minister wijst er terecht op dat tijdens de gehoren extra pauzes zijn ingelast en dat vragen zijn herhaald als bleek dat eiseres ze niet begreep. Ook heeft de minister in overeenstemming met het advies van Medifirst niet naar exacte data gevraagd, maar slechts naar indicaties. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres daarentegen niet concreet heeft gemaakt op welke punten zij naar eigen zeggen niet goed kon verklaren of welke onderwerpen onbesproken zijn gelaten omdat bij zowel het nader als het aanvullend gehoor een mannelijke tolk Pidgin-Engels aanwezig was.

15. De rechtbank bespreekt hierna de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres.

Heeft de minister het relaas van eiseres terecht ongeloofwaardig bevonden?

16. Eiseres betoogt dat de minister haar asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Zij voert daartoe aan dat de omstandigheid dat eiseres het vermoeden uitspreekt dat [persoon B] haar iets wil aandoen niet maakt dat haar relaas alleen om die reden door de minister als ongeloofwaardig mag worden afgedaan. De minister moet wel motiveren waarom hij vindt dat de vermoedens van eiseres ongeloofwaardig zijn en dat heeft zij volgens eiseres niet gedaan. Ook betoogt eiseres dat wanneer zij verklaart ‘alles’ te hebben willen doen om aan haar gedwongen huwelijk te ontsnappen, zij vanzelfsprekend niet ook prostitutiewerkzaamheden bedoelde. Daarbij was volgens eiseres wel sprake van dwang; eiseres moest [persoon B] immers € 30.000 terugbetalen. De overlijdensakte en de verklaring van eiseres maken volgens eiseres voorts voldoende aannemelijk dat de oom van eiseres bij een gevecht is overleden. Daarbij was de overeenkomst die de familie van eiseres heeft gesloten met de familie van [persoon B] juist een voorwaarde voor succesvolle onderduiking. Verder heeft eiseres aangegeven dat zij de mobiel van haar partner gebruikt om de foto’s op Facebook te plaatsen.

16.1.

Ook voert eiseres aan dat zij wel degelijk foto’s van [persoon B] heeft overgelegd, maar dat de minister deze berichten ten onrechte niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Daarbij wijst eiseres erop dat zij wel degelijk correcties en aanvullingen op het aanvullend gehoor heeft ingediend, die de minister kennelijk niet bij de beoordeling heeft betrokken. Ook heeft de minister volgens eiseres aan hem toegezonden Whatsapp-berichten ten onrechte niet bij de besluitvorming betrokken. Eiseres betoogt voorts dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom het relevante element ‘mensenhandel’ in het voornemen van 2 september 2021 nog wel geloofwaardig was, maar in het nieuwe voornemen van 15 december 2022 niet geloofwaardig is bevonden.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

17. Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres vage en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het relevante element mensenhandel. De minister mag zijn standpunt baseren op de omstandigheid dat eiseres te weinig heeft verklaard over [persoon B] en [persoon C]. Zo weet eiseres niet wat hun volledige namen zijn en weet eiseres niet of zij behoren tot een bepaald netwerk of cult. Ook kan eiseres niets vertellen over de woning van [persoon C] terwijl zij daar naar eigen zeggen een jaar heeft verbleven. Zij kan niet benoemen wat het adres is van deze woning of in welke wijk deze woning is gelegen. Verder geeft eiseres aan naar Europa te zijn gereisd zonder eerst meer te weten te komen over [persoon C] en [persoon B]. De minister had van eiseres mogen verwachten dat zij hierover preciezer wist te verklaren.

17.1.

De minister mag eiseres verder tegenwerpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over haar eerste ontmoeting met [persoon B]. In het nader gehoor heeft eiseres verklaard dat zij [persoon B] in 2005 heeft ontmoet, terwijl zij in het aanvullend gehoor heeft verklaard dat zij [persoon B] één maand en drie weken na haar bevalling heeft ontmoet. Tussen deze data zit een verschil van acht jaar. Ook mocht de minister aan eiseres tegenwerpen dat zij tegenstrijdig verklaart over wanneer zij [persoon B] echte naam leerde kennen. In het nader gehoor verklaart eiseres daarover dat zij haar als [persoon D] kende en dat ze later hoorde dat zo ook [persoon B] werd genoemd, terwijl zij in het aanvullend gehoor heeft verklaard dat ze zich meteen voorstelde als [persoon B]. Verder heeft eiseres in het nader gehoor verklaard dat [persoon C] de tante is van [persoon B] terwijl zij in het aanvullend gehoor heeft verklaard dat [persoon C] en [persoon B] zussen zijn.

17.2.

De minister stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat niet geloofwaardig is dat de oom van eiseres is omgekomen bij een conflict tussen [persoon B], haar familie en de familie van eiseres. De minister wijst er in dit kader op dat uit de overlijdensakte van de oom van eiseres geen doodsoorzaak volgt. Het bijgevoegde proces-verbaal is alleen een blanco A4’tje met daarop de verklaring van eiseres. De minister mag zich daarover op het standpunt stellen dat daaruit niet blijkt niet dat de politie daadwerkelijk is betrokken bij het door eiseres gestelde gevecht en dat niet aannemelijk is dat het proces-verbaal daadwerkelijk is ondertekend door een politieambtenaar. Verder mag de minister aan eiseres tegenwerpen dat haar verklaringen van het incident, zoals die staan opgenomen in het proces-verbaal, slechts van horen zeggen zijn. De minister heeft verder van eiseres mogen verwachten dat zij dat eiseres de aangifte haar neef had moeten overleggen, omdat hij volgens eiseres naar aanleiding van het gevecht aangifte heeft gedaan bij de politie. Dit heeft eiseres niet gedaan en van een poging om die aangifte of een onderzoeksrapport te verkrijgen is ook niet gebleken. De minister wijst niet ten onrechte op het algemeen ambtsbericht Nigeria van maart 2021 waaruit volgt dat het naar aanleiding van een incident mogelijk is een rapportage op te vragen bij de politie. (Voetnoot 7) Daarbij mag de minister belang hechten aan de omstandigheid dat eiseres heeft verklaard dat zij weet dat de politie in dit geval onderzoek heeft gedaan zodat zo’n rapportage er zou moeten zijn. Ook mag de minister eiseres tegenwerpen dat zij inconsistent heeft verklaard over wanneer het gestelde gevecht heeft plaatsgevonden. Eiseres verklaart dat het gevecht heeft plaatsgevonden ongeveer nadat zij in Nederland was aangekomen, terwijl uit de overlijdensverklaring en het proces-verbaal volgt dat haar oom is gestorven op 3 maart 2020. Eiseres is in augustus 2019 in Nederland aangekomen. De minister vindt deze verklaringen niet ten onrechte inconsistent. Daarbij heeft de minister voldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat eiseres in zijn algemeenheid moeite heeft met specifieke data. De minister verwacht van eiseres niet dat zij specifieke data geeft, maar mag wel verwachten dat eiseres het aangeeft als ze een datum niet meer weet. Ook mag de minister eiseres tegenwerpen dat zij heeft verklaard dat de familie van [persoon B] begin 2020 nogmaals de familie van eiseres heeft bezocht, maar dat er toen niet is gevochten. Deze verklaring is inconsistent met de verklaring in het proces verbaal dat de hele familie zou zijn ondergedoken en dat er niemand meer in het familiehuis zou zijn naar aanleiding van de vechtpartij.

17.3.

De minister mag eiseres verder tegenwerpen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij is bedreigd. Zij heeft aangegeven sinds 2020 geen bedreigingen meer te ontvangen omdat zij haar telefoon met daarop haar Whatsapp-gesprekken zou zijn kwijtgeraakt. De AVIM heeft in 2021 van eiseres echter de link naar een Facebookaccount gekregen waarop eiseres met haar kind herkenbaar in beeld waren. Ook heeft de minister een Instagramaccount gevonden waarop eiseres herkenbaar was. De minister wijst er niet ten onrechte op dat de verklaring van eiseres dat zij sinds 2020 geen bedreigingen meer ontvangt gezien deze omstandigheid ook niet in overeenstemming lijkt met haar verklaring dat haar foto naar veel mensen is verspreid en dat ze haar overal kunnen vinden. De minister werpt eisers daarom niet ten onrechte tegen dat eiseres haar stelling dat [persoon B] eiseres iets zal aandoen daarom niet meer blijft dan een niet nader onderbouwd vermoeden. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij met de mobiel van haar partner op Facebook zat en dat de foto’s die zin ontdekt niet door haarzelf zijn geplaatst.

17.4.

De rechtbank volgt niet de tegenwerpingen van de minister dat zij inconsistent heeft verklaard over of zij volgens [persoon C] in een bar of restaurant zou moeten gaan werken. De rechtbank vindt niet aannemelijk dat eiseres hiermee verschillende horecagelegenheden bedoelt. Ook volgt de rechtbank de minister niet in zijn tegenwerping dat eiseres met haar verklaring dat zij tegen [persoon B] zou hebben gezegd haar met alles te willen helpen om maar uit haar gedwongen huwelijk te ontsnappen, impliciet heeft toegestemd met prostitutie in Europa. De minister heeft deze algemene uitlating van eiseres niet zo kunnen interpreteren dat daarmee letterlijk ‘alles’ zou willen doen waaronder werken in de prostitutie, nu niet aannemelijk is geworden dat eiseres ten tijde van deze uitlatingen (mede) het oog had op prostitutiewerk. Gelet op de hierboven genoemde terechte tegenwerpingen van de minister, leidt dit echter niet tot een geslaagd beroep van eiseres.

17.5.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom het eerste voornemen van 2 september 2021 is ingetrokken. Dit voornemen werd namelijk uitgebracht voorafgaand aan het aanvullend gehoor waarin het onderwerp mensenhandel nader is besproken met eiseres. Naar aanleiding van dit aanvullend gehoor is de minister van standpunt veranderd en heeft daarom een nieuw voornemen uitgebracht.

17.6.

De minister heeft verder aangegeven in het bestreden besluit per abuis de correcties en aanvullingen op het aanvullende gehoor en de daarbij overgelegde screenshots van Whatsapp-gesprekken over het hoofd te hebben gezien. De minister heeft zich in de beroepsfase, gezien voorgaande, echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze correcties en aanvullingen de kern van eiseres haar asielrelaas en de tijdlijn van de gebeurtenissen niet wezenlijk anders maken. De minister stelt zich daarom ook niet ten onrechte op het standpunt dat de daarbij overgelegde screenshots niet tot een ander besluit kunnen leiden nu niet duidelijk is wie de bedreigende berichten aan eiseres heeft gestuurd omdat geen naam bij de whatsappberichten staat. Hoewel sprake is van een gebrek passeert de rechtbank dit gebrek op grond van artikel 6:22 van Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat de minister dit gebrek in beroep heeft hersteld en eiseres door het gebrek bovendien niet in haar belangen is geschaad.

Lopen eiseres en haar dochter een reëel risico op gedwongen vrouwenbesnijdenis bij terugkeer naar Nigeria?

18. Over het relevante element vrouwenbesnijdenis heeft eiseres in beroep verder geen gemotiveerde gronden gericht. De angst van eiseres en haar partner voor de besnijdenis van hun dochter zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld in de zaak van de partner van eiseres (NL23.7204). De rechtbank is in die zaak tot het oordeel gekomen dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat de dochter van eiseres een reëel risico loopt op (gedwongen) vrouwenbesnijdenis bij terugkeer naar Nigeria.

Conclusie en gevolgen

19. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres in stand blijft. Omdat de rechtbank een gebrek heeft geconstateerd dat is gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, krijgt eiseres wel een vergoeding van haar proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.267,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting en een halve punt voor de reactie na de heropening van het onderzoek met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:RVS:2025:1472.

Voetnoot 2

Dit volgt uit artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RVS:2025:1472.

Voetnoot 4

Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, r.o. 6 en 10.5.

Voetnoot 5

Zie rechtsoverweging 11.1.

Voetnoot 6

Hoofdstuk 7.

Voetnoot 7

Algemeen ambtsbericht Nigeria, maart 2021, pagina 45.