Overwegingen
Het beroep tegen bestreden besluit 1 (NL25.61432)
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; 4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
3. Eiser meent dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, nu hij bereid is vrijwillig met de hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) te vertrekken en dit ook op korte termijn zal doen.
4. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en
het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij vrijwillig heeft willen vertrekken naar Indonesië met behulp van de IOM. Uit het dossier blijkt immers dat voor eiser op 17 december 2025 een vlucht was gepland, maar dat eiser heeft geweigerd aan boord te gaan en aansluitend een asielaanvraag heeft ingediend. Nadien heeft eiser verklaard dat hij deze asielaanvraag uitsluitend heeft ingediend met het doel zijn vertrek te belemmeren. Pas daarna heeft eiser contact opgenomen met de IOM ten behoeve van zelfstandig vertrek. Gelet hierop en op het onttrekkingsrisico als overwogen onder 2., heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestond voor de toepassing van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Het beroep tegen bestreden besluit 2 (NL25.61432)
Individuele belangenafweging
8. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende een individuele belangenafweging heeft verricht, toegespitst op zijn specifieke situatie. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het ontbreken van strafrechtelijke antecedenten en van enig gevaar voor de openbare orde en aan de omstandigheid dat eiser stelt slachtoffer te zijn van fraude.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw, kan verweerder om humanitaire of andere redenen afzien van de verplichting om
een inreisverbod uit te vaardigen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Volgens paragraaf A4/2.2, onder c, van de Vreemdelingencirculaire (Vc) vaardigt verweerder geen inreisverbod uit wanneer dit in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM.
10. Zoals hiervoor onder 2. is overwogen volgt een onttrekkingsrisico uit de niet bestreden gronden. Deze mogen naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan het inreisverbod ten grondslag worden gelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de individuele omstandigheden waar eiser naar verwijst onvoldoende zijn om van het uitvaardigen van het inreisverbod af te zien. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan het uitvaardigen van het inreisverbod alleen aangegeven dat hij zich niet bewust was van het feit dat hij in het bezit van een valse verblijfsvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn besluit voldoende gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat eiser slachtoffer is geworden van fraude, gelet op de omstandigheden waarin eiser zijn valse verblijfsvergunning heeft verkregen. Ook is er geen aanknopingspunt om te oordelen dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 EVRM. Het standpunt van verweerder dat er geen bijzondere omstandigheden zijn waaruit blijkt dat verweerder had moeten afzien van het uitvaardigen van het inreisverbod kan daarom in stand blijven. De beroepsgrond slaagt niet.
Motivering van het inreisverbod
11. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan hem een inreisverbod is opgelegd, gelet op eisers hoge schulden in Indonesië.
12. In het inreisverbod heeft verweerder gemotiveerd dat uit het gedrag van eiser en zijn verklaring blijkt dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken en dat er een risico bestaat dat hij dit in de toekomst opnieuw zal doen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee deugdelijk gemotiveerd waarom aan eiser een inreisverbod is opgelegd. De stelling dat eiser in zijn land van herkomst hoge schulden heeft doet daar niet aan af. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.