[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘verblijf bij partner’.
1.1.
Eiseres heeft op 1 september 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij partner ingediend. Deze aanvraag is met het primaire besluit van 12 december 2023 afgewezen. Hiertegen is eiseres in bezwaar gegaan. Op 23 januari 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats een voorlopige voorziening toegewezen aan eiseres, waardoor de uitzetting van eiseres achterwege moest blijven tot op het bezwaar is beslist. (Voetnoot 1) Het bezwaar van eiseres is met het bestreden besluit van 6 februari 2025 ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.10061, op 14 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, referent (de partner van eiseres), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
2. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om dit motiveringsgebrek via een bestuurlijke lus te herstellen. (Voetnoot 2) Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Eiseres heeft op 4 juni 2014 asiel aangevraagd in Nederland. Deze asielaanvraag is met het besluit van 16 maart 2015 afgewezen en staat in rechte vast. Dit besluit geldt tevens als terugkeerbesluit. Op 17 oktober 2019 is aan eiseres tevens een inreisverbod opgelegd, bij de afwijzing van haar opvolgende asielaanvraag van 18 april 2019. Dit besluit staat in rechte vast. (Voetnoot 3) Tussendoor heeft eiseres in december 2019 nog een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 gedaan. Deze aanvraag is met het besluit van 25 februari 2020 afgewezen. Op 27 juli 2021 heeft eiseres een opvolgende aanvraag om uitstel van vertrek gedaan. Deze aanvraag is met het besluit van 9 december 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit staat in rechte vast. (Voetnoot 4)
4. In het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen. De minister legt aan deze afwijzing ten grondslag dat eiseres het familieleven met referent niet heeft aangetoond. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij geen binding meer heeft met haar land van herkomst en ook is niet gebleken dat eiseres een bijzondere binding met Nederland heeft. Ook wanneer wel sprake zou zijn van privé- en familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM zou de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvallen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een duurzame en exclusieve relatie heeft met referent. Om die reden is de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing op eiseres. Niet is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor eiseres vrijgesteld zou moeten worden van het mvv-vereiste.
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
5. Eiseres betoogt dat het verslag van de hoorzitting geen juiste en volledige weergave is van dat wat tijdens de hoorzitting is besproken. Referent betwist met name het gegeven dat hij zou hebben verklaard dat hij een bijstandsuitkering ontvangt. Zoals blijkt uit de door referent overgelegde bewijsstukken voldoet hij aan het inkomensvereiste. Eiseres betoogt in dit kader ook dat een hoorzitting belangrijk is om verheldering te kunnen krijgen over aspecten die onduidelijk zijn. Een hoorzitting is bovendien het moment om de in bezwaar overgelegde stukken nader toe te lichten. Tijdens de hoorzitting zijn de in bezwaar overgelegde stukken niet besproken. Eiseres voert aan dat niet is aangegeven dat deze documenten onvoldoende waren om de relatie te onderbouwen of dat er aanvullende documenten nodig zijn. Hierdoor is het onderzoek op de hoorzitting onzorgvuldig geweest.
Uit de werkinstructie (WI) 2022/20 blijkt bovendien dat de medewerker die het besluit op bezwaar zal nemen bij het gehoor aanwezig is. Eiseres voert aan dat de beslisambtenaar een andere persoon is dan degene die bij de hoorzitting betrokken was.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister constateert terecht dat tijdens de hoorzitting aan eiseres en referent is gevraagd of op de hoorzitting alles was besproken. Eiseres en referent hebben toen de ruimte gekregen om nog niet besproken zaken naar voren te brengen. De minister constateert verder terecht dat eiseres en referent geen gebruik hebben gemaakt van deze mogelijkheid. Uit de mededeling van de hoormedewerker dat alles duidelijk was tijdens de hoorzitting, hebben eiseres en referent niet mogen afleiden dat aan eiseres een verblijfsvergunning zou worden verleend. Ook het betoog van eiseres dat de medewerker die het besluit op bezwaar neemt aanwezig moet zijn bij de hoorzitting, slaagt niet. Uit de WI 2022/20 blijkt namelijk niet dat de medewerker die het besluit op bezwaar neemt steeds aanwezig moet zijn bij het gehoor, maar slechts dat dit tot de mogelijkheden behoort. Onder 7.1 staat immers: ‘de medewerker die het besluit op bezwaar zal nemen, kan zelf of samen met een collega horen’. Uit het woord ‘kan’ volgt dat dit niet bindend is. Naar het oordeel van de rechtbank is om die reden geen sprake van strijd met een geldige rechtsregel. De rechtbank ziet bovendien in wat door eiseres is aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat het verslag van de hoorzitting onjuist en onvolledig is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister mogen concluderen dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie?
6. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat niet is gebleken van een duurzame en exclusieve relatie. Daarom heeft de minister ten onrechte geen belangenafweging verricht. Eiseres voert aan dat de duurzame en exclusieve relatie blijkt uit hun verklaringen en uit de overgelegde documenten. Hierbij is het van belang dat de familie van referent, in het bijzonder zijn moeder en dochter, bekend is met eiseres. Ook is het relevant dat referent uit zijn ouderlijk huis is vertrokken om in een ander huis te kunnen gaan samenwonen met eiseres. In dit kader hebben eiseres en referente in beroep foto’s en verklaringen van derden overgelegd.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres en referente niet hebben aangetoond dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. In dit kader stelt de minister zich op het volgende standpunt. Eiseres en referent hebben niet met stukken aannemelijk gemaakt dat zij een duurzame en exclusieve relatie hebben. Eiseres heeft verklaard dat zij drie jaar een relatie heeft met referent en het is dan vreemd dat eiseres geen stukken opstuurt waarmee zij deze relatie kan aantonen. Ook staat eiseres niet in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van referent. Verder heeft eiseres geen stukken aangeleverd waaruit blijkt dat eiseres en referent een gemeenschappelijke huishouding voeren.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres en referent de feiten en omstandigheden moeten aandragen waarmee kan worden aangetoond dat hun relatie in zodanige mate duurzaam en exclusief is, dat het gelijk kan worden gesteld aan een huwelijk. Eiseres en referent hebben tot de bezwaarfase om hen moverende redenen volstaan met het overleggen van een aantal foto’s en eerst in de beroepsfase verdere onderbouwende stukken ingebracht. De rechtbank stelt voorop dat zij in reguliere zaken als deze ex tunc moet toetsen. Dat betekent dat de rechtbank de situatie beoordeelt zoals die was op het moment dat de minister het bestreden besluit nam. Feiten en omstandigheden ná de datum van het bestreden besluit, kunnen in beginsel niet bij de beoordeling van het besluit worden betrokken, omdat de minister dat ook niet kon betrekken bij zijn besluit. Nieuwe stukken kunnen alleen bij de beoordeling worden betrokken als sprake is van onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Echter kan ook een latere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt worden meegenomen door de rechtbank. Gezien de in beroep ingebrachte stukken hebben eiseres en referente naar het oordeel van de rechtbank het bestaan van hun relatie verder onderbouwd. Deze stukken kunnen immers van belang zijn voor de beoordeling van de aard van die relatie. Om die reden heeft de minister , gezien de nieuwe ingebrachte stukken, onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie.
6.3.
De rechtbank merkt tenslotte op dat het, in het kader van de efficiënte besluitvorming, spijtig is dat de aanvullende stukken pas in de beroepsfase zijn ingebracht.
Nu deze beroepsgrond slaagt, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
7. Zoals onder 6.2 is overwogen bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. (Voetnoot 5) Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet hiertoe aanleiding. Om de gebreken te herstellen dient de minister de in beroep ingebrachte stukken kenbaar mee te wegen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en referent.
7.1.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op zes weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier. Eiseres krijgt de gelegenheid om binnen vier weken na ontvangst van de aanvullende motivering daarop te reageren.
7.2.
De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om noodloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak doen op het beroep.
7.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij nu nog geen beslissing neemt over de proceskosten.
Beslissing
Beslissing
- draagt de minister op om binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze uitspraak;
- houdt verder iedere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.