Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2025:27961

Op 4 November 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.35174, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2025:27961. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.35174
Datum uitspraak:
4 November 2025
Datum publicatie:
30 April 2026

Indicatie

Asiel. Senegal. De minister heeft de asielaanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister kon Senegal niet aanmerken als veilig derde land van herkomst. Het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en wijst de asielaanvraag af als ongegrond.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35174

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.L. van Leer),

en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: J.M. Sanchez Rhamrev).

Inleiding

1. Eiser heeft op 4 mei 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Senegalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

3. De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is afkomstig uit Senegal. Eisers vader werkte bij de douane in Senegal en is vermoord. Eiser weet niet waarom of door wie. Eiser en zijn moeder hebben na de dood van eisers vader Senegal verlaten, omdat zij bang waren ook vermoord te worden. Eiser stelt bij terugkeer niet voor iets of iemand te vrezen.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst; en

- problemen nadat eisers vader is vermoord.

6. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig en heeft de geloofwaardigheid van de problemen nadat eisers vader is vermoord in het midden gelaten. Dit omdat eisers asielmotieven volgens de minister hoe dan ook niet

kunnen leiden tot het verlenen van een asielvergunning en eiser uit een veilig derde land van herkomst komt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Kennelijk ongegrond

7. Eiser voert aan dat de minister de asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Vw. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 4 oktober 20241 en een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2025.2 Uit deze uitspraken blijkt volgens eiser dat de minister Senegal ten onrechte heeft aangewezen als veilig land van herkomst. Dit omdat de minister in het landenbeleid van Senegal groepen personen heeft uitgezonderd van die aanwijzing en dit in strijd is met de Procedurerichtlijn.3 Volgens eiser heeft de minister de aanvraag daarom ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser op de zitting heeft benadrukt dat het beroep alleen gericht is tegen de wettelijke grondslag voor het afwijzen van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond, omdat Senegal een veilig land van herkomst zou zijn. Eiser heeft in beroep niet betwist dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Senegal.

8.1.

De rechtbank overweegt dat de minister Senegal ten tijde van het bestreden besluit heeft aangewezen als veilig land van herkomst. In het beleid van de minister4 zijn twee groepen van die aanwijzing uitgezonderd: LHBTIQ+ en, personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging en die concreet aannemelijk kunnen maken dat hen geen wettelijke bescherming wordt geboden. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de lijst met veilige landen van herkomst is opgeschort, maar dat het standpunt blijft gehandhaafd dat de asielaanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Dit omdat Senegal voor eiser wel een veilig land van herkomst is.

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Uit het arrest van het Hof van 1 augustus 20255 blijkt dat een lidstaat een derde land niet kan aanwijzen als veilig land van herkomst in de zin van artikel 37 van de Procedurerichtlijn als niet is voldaan aan de criteria voor die aanwijzing voor bepaalde groepen personen. In het bestreden besluit is daarmee ten onrechte uitgegaan van de aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst, omdat in het landenbeleid groepen zijn uitgezonderd van deze aanwijzing. Dat, zoals ter zitting door de minister is betoogd, dit anders kan zijn afhankelijk van wat een individuele asielzoeker aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, blijkt op geen enkele manier uit dit arrest en volgt de rechtbank dan ook niet. Omdat de afdoeningsgrond als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw niet kan worden gebruikt en er geen andere afdoeningsgronden die tot kennelijk ongegrondheid leiden aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, heeft de minister ook onzorgvuldig gehandeld door eisers asielaanvraag te behandelen in de versnelde procedure.

Wat betekent dit oordeel voor eiser?

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslecht de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Daartoe is het volgende redengevend.

10. De rechtbank stelt vast dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser zelf heeft verklaard voor niets te vrezen bij terugkeer naar Senegal. Zoals hiervoor overwogen is dit in beroep ook niet bestreden. Ook is gesteld noch gebleken dat eiser door het toepassen van de versnelde procedure niet alles omtrent zijn asielrelaas naar voren heeft kunnen brengen of dat hij daardoor anderszins in zijn belangen is geschaad. De rechtbank oordeelt daarom dat de minister zich wel deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers asielrelaas onvoldoende zwaarwegend is om tot verlening van een asielvergunning te leiden en de aanvraag daarom ongegrond is op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

12. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing gelet op rechtsoverwegingen 9 en 10 van deze uitspraak en bepaalt dat de asielaanvraag van eiser wordt afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Deze uitspraak geldt ook als een terugkeerbesluit. De minister heeft geen andere redenen gegeven waarom eiser een vertrektermijn kan worden onthouden en daarom ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de vertrektermijn vier weken bedraagt en dat deze aanvangt met ingang van de dag na verzending van deze uitspraak. Eiser moet vertrekken naar Senegal, omdat dit het land van herkomst is van eiser.

13. Omdat het bestreden besluit – waar het terugkeerbesluit onderdeel van is – is vernietigd, komt daarmee ook de grondslag voor het bij dat besluit opgelegde inreisverbod te vervallen en wordt dit daarom ook vernietigd. Nu eiser geen vertrektermijn kan worden onthouden, bestaat geen mogelijkheid meer om een inreisverbod op te leggen op grond artikel 66a, eerste lid, van de Vw.

14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 24 juli 2025;

wijst de asielaanvraag af als ongegrond;

bepaalt dat eiser binnen vier weken na verzending van deze uitspraak moet vertrekken naar Senegal;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

1. Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:851 (CV).

2 Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 8 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:190.

3 Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.

4 Paragraaf C7/1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

5 Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:591 (Alace en Canpelli).

04 november 2025

Documentcode: [Documentcode]