Inleiding
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning voor zijn studie op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RBT)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
2.1.
Op 15 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
NL23.25321. De minister heeft vervolgens het besluit van 15 augustus 2023 ingetrokken en proceskosten toegekend.
2.2.
Op 8 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL24.7518.
2.3.
Op 24 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 8 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 8 februari 2024 ingetrokken3 en vervangen met het bestreden besluit van 24 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd met aanvullende beroepsgronden.
2.6.
De rechtbank heeft beide beroepen op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mr. M. van den Boom (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser), M. El Bouch als tolk, en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep met zaaknummer NL23.25321
3. Het beroep dat is gericht tegen het besluit van 15 augustus 2023 heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op de besluiten van 8 februari 2024 en 24 juli 2025. Nu de minister de besluiten van 15 augustus 2023 en
8 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van deze besluiten. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen deze besluiten daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep tegen het besluit van
24 juli 2025 zal hieronder inhoudelijk worden beoordeeld.
Het beroep met zaaknummer NL24.7518
3.1.
Eiser heeft opnieuw beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van
8 februari 2024. Vanwege het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2023 dat van rechtswege ook betrekking heeft op het besluit van 8 februari 2024, is het voor de tweede keer ingediende beroep niet-ontvankelijk.
3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
De beroepsgronden van eiser en het oordeel van de rechtbank
3.2.
De beroepsgronden waarover eiser een oordeel van de rechtbank wilt hebben, komen er kort samengevat op neer dat eiser niet onder de facultatieve bepaling van artikel 7 van de RTB valt, maar onder de groep personen op wie artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit van toepassing is. Volgens eiser mag de minister niet als vereiste stellen dat hij moet beschikken over een geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning, omdat in andere taalversies van het Uitvoeringsbesluit in artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit dit niet als vereiste is opgenomen. Eiser stelt dat in de verschillende taalversies uiteenlopend wordt gesproken over ‘legaal verblijf’ versus ‘permanent verblijf’, en verwijst hiervoor ook naar artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en overweging 13 van de considerans. Hij stelt verder dat Nederland artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit in nationale bepalingen heeft geïmplementeerd, zonder eerst duidelijkheid te krijgen over de verschillen tussen de vertalingen. Dit kan niet en daarom is sprake van een onjuiste implementatie. Dit heeft tot gevolg dat de van toepassing zijnde nationale bepaling (lees: artikel 3.9a van het Vreemdelingen Voorschrift (VV)) buiten toepassing moet worden gelaten. Op basis daarvan concludeert eiser dat voor het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 een wettelijke grondslag ontbreekt.
3.3.
De rechtbank overweegt dat in artikel 5, derde lid, van de RTB de voorwaarden worden genoemd waaraan een besluit van de Raad moet voldoen. Het besluit moet onder meer een omschrijving bevatten van de specifieke groepen personen waarop de tijdelijke bescherming betrekking heeft. In artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit is een omschrijving als hier bedoeld opgenomen. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3.1a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit en artikel 3.9a van het VV, waarbij vreemdelingen zijn aangewezen voor wie de tijdelijke bescherming van kracht is. Uit artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder c, van het VV volgt dat een vreemdeling moet beschikken over een permanente verblijfsvergunning.
3.4.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser alleen van de Hongaarse versie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit in het beroepschrift een vertaling heeft opgenomen. In deze vertaling ontbreekt het woord ‘permanent’. Dit vormt voor de rechtbank een onvoldoende onderbouwing dat niet uitgegaan kan worden van de Nederlandse versie van Uitvoeringsbesluit waarin staat dat om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming sprake moet zijn van legaal verblijf op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning, welke versie ook overeenkomt met die in het Engels, Duits en Frans. Dat sprake moet zijn van een permanente verblijfsvergunning vindt ook steun in de algemene opzet en doelstelling van het Uitvoeringsbesluit.4 In de overwegingen 12 en 13 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de verplicht en facultatief beschermde derdelanders, waarbij voor dat laatste melding wordt gemaakt van tijdelijke vergunningen voor studie of werk. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat artikel 2, tweede lid, van de Uitvoeringsbesluit juist is geïmplementeerd. Er is dus geen sprake van een gebrekkige of onjuiste implementatie in de Nederlandse wetgeving op grond waarvan artikel 3.9a van het VV buiten toepassing moet worden gelaten. De beroepsgrond slaagt niet.
4 De rechtbank verwijst hiervoor naar het arrest van het Hof van 3 april 2008, ECLI:EU:C:2008:197, punt 24.
3.5.
De rechtbank verwijst verder naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Den Haag, van 29 oktober 2025, en Roermond, van 24 november 2025.5 In die uitspraken zijn de zittingsplaatsen tot hetzelfde oordeel gekomen wat betreft de toepassingsbereik van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Deze rechtbank volgt de in deze uitspraken opgenomen overwegingen, meer specifiek ook de overweging van de zittingsplaats Roermond die betrekking heeft over de betekenis van het arrest Kaduna en Abkez6 voor dit soort zaken. Voor de overige beroepsgronden van eiser verwijst de rechtbank ook naar deze uitspraken.
Privéleven
3.6.
Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op eerbiediging van zijn privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar een verklaring van zijn vader waarin staat dat hij hem niet kan onderhouden, en naar een verklaring van [naam] , bij wie eiser zou wonen en waarvan gesteld wordt dat hij afhankelijk van hem is.
3.7.
Artikel 5 van richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn) bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven.
3.8.
De rechtbank merkt op dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend.7 Uit deze richtlijn vloeit dan ook geen verplichting voor de minister voort om na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf te geven. In zoverre wijst de minister terecht erop dat wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM, hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
3.9.
Hoewel artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn het privéleven niet vermeld als een van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden, volgt uit de punten 88 tot en met 90 van het arrest X van het Hof van 22 november 20228 dat er geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd als daarmee inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.
3.10.
Eiser heeft op grond van de RTB rechtmatig verblijf gehad. Het enkele gegeven dat hij gedurende dit verblijf een privéleven heeft opgebouwd, vormt op zichzelf geen inbreuk op de eerbiediging van het privéleven waarin de minister aanleiding had moeten zien om geen terugkeerbesluit op te leggen. In aanmerking nemend dat eiser meerderjarig is en dat het moet gaan om het privéleven van eiser, heeft de minister ook in de overgelegde
5 ECLI:NL:RBDHA:2025:20715 en ECLI:NL:RBDHA:2025:22113.
6 ECLI:EU:C:2024:1038.
7 ECLI:EU:C:2022:913, overwegingen 84 en 85
8 ECLI:EU:C:2022:913.
verklaringen van zijn vader en [naam] geen reden hoeven zien om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
3.11.
Gelet op het voorgaande kan het terugkeerbesluit stand houden.
Beslissing
Beslissing
Het beroep met zaaknummer NL24.7518
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Het beroep met zaaknummer NL23.25321
De rechtbank:
verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen de besluiten van 15 augustus 2023 en 8 februari 2024 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.