Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2025:28045

Op 20 November 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.2609, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2025:28045. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.2609
Datum uitspraak:
20 November 2025
Datum publicatie:
28 July 2026

Indicatie

Asiel, Iran, werkinstructie 2024/6, bekering niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, risico bij terugkeer naar Iran als afvallige niet aannemelijk gemaakt. Beroep ongegrond.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.2609

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),

en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E.H.J.M. de Bonth).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

3. Eiseres heeft op 7 februari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1980. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 januari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

5. De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, Z. Asadi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

6. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft zich, na een lang proces, op 37-jarige leeftijd afgekeerd van de islam. Vervolgens heeft zij in Iran een aantal jaar zonder religie geleefd Op 40-jarige leeftijd kwam eiseres via een vriendin in aanraking met het christendom. Eiseres is toen bekeerd. Tijdens een bezoek aan een vriendin in Italië, heeft de Sepah samen met de leidinggevende van eiseres een inval gedaan in haar woning, omdat zij erachter waren gekomen dat eiseres was bekeerd tot het christendom. Eiseres vreest bij terugkeer naar Iran voor problemen met de autoriteiten en de samenleving.

Het bestreden besluit

7. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1) identiteit, nationaliteit en herkomst;

2) afvalligheid en;

3) bekering en de problemen daardoor.

8. De minister vindt het eerste en tweede asielmotief geloofwaardig. De minister vindt het derde asielmotief niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiseres namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister stelt zich daarbij op het standpunt dat eiseres oppervlakkig heeft verklaard over het moment dat zij in aanraking kwam met het christendom. Daarnaast is eiseres er niet in geslaagd om inzicht te verschaffen in haar proces van bekering. Verder heeft eiseres wisselende en summiere verklaringen afgelegd over haar activiteiten na haar bekering. Ook heeft eiseres ongerijmd verklaard over haar kennis over het geloof. Tenslotte overweegt de minister dat de problemen vanwege de bekering van eiseres niet worden gevolgd, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar leidinggevende en de autoriteiten achter haar bekering zijn gekomen en omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten nog steeds maandelijks bij haar ouders langskomen.

9. De minister heeft de geloofwaardig bevonden asielmotieven verder beoordeeld. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast heeft eiseres volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Gelet daarop komt eiseres volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.

Beroepsgronden en het oordeel van de rechtbank

Werkinstructie 2024/6

10. Eiseres voert aan dat de minister niet Werkinstructie 2024/6, maar Werkinstructie 2014/10 had moeten toepassen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas. Eiseres heeft haar asielaanvraag namelijk al ingediend op 7 februari 2023, toen Werkinstructie 2014/10 nog van kracht was. Eiseres stelt dat zij door de overschrijding van de beslistermijn in een slechtere positie terechtgekomen is. Eiseres beroept zich hierbij op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 januari 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:1008). Verder betoogt eiseres dat volgens Werkinstructie 2024/6 het doortoetsen op een risico ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet mogelijk is. Tenslotte voert eiseres aan dat de Werkinstructie 2024/6 als onverbindend moet worden beschouwd vanwege onverenigbaarheid met het Unierecht.

11. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, ECLI:NL:RBOVE:2024:6466) volgt dat als uitgangspunt geldt dat de minister bij zijn beoordeling moet uitgaan van het beleid zoals dat geldt ten tijde van het nemen van het besluit. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van het nieuwe recht in een ongunstigere positie komt, of dat in onderhavige zaak het geval is daargelaten, is een onvoldoende (bijzondere) omstandigheid om van dit uitgangspunt af te wijken. Op het moment van het nemen van het besluit gold Werkinstructie 2024/6. De rechtbank is van oordeel dat eiseres verder ook geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht om af te wijken van het nieuwe beleid. De stelling van eiseres dat de minister Werkinstructie 2014/10 had moeten toepassen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van haar asielrelaas, volgt de rechtbank dan ook niet.

12. Ook het betoog van eiseres dat zij door toepassing van Werkinstructie 2024/6 in een ongunstigere positie terechtgekomen is, volgt de rechtbank niet. De minister wijst er in dit kader terecht op dat enkel artikel 31 lid 6 onder c van de Vw aan eiseres is tegengeworpen. Uit artikel 31 lid 6 onder c van de Vw volgt dat als de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, deze verklaringen geloofwaardig worden geacht en de vreemdeling het voordeel van de twijfel wordt gegund, als de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag. De minister heeft in onderhavige zaak het derde asielmotief ongeloofwaardig geacht omdat de verklaringen van eiseres op dat punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De verklaringen van eiseres vormen dus het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling. In zoverre wordt in deze zaak geen wezenlijk verschil geconstateerd met de voorgaande geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die met toepassing van Werkinstructie 2014/10 zou zijn verricht. De minister overweegt dan ook niet ten onrechte dat zijn beoordeling onder het eerdere beleid, Werkinstructie 2014/10, niet anders zou zijn geweest. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat onder Werkinstructie 2024/6 niet wordt toegekomen aan de beoordeling van de vraag of eiseres risico loopt op schending van artikel 3 EVRM, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft gewezen op paragraaf 5 van Werkinstructie 2024/6, waarin expliciet staat dat de geloofwaardige asielmotieven worden (door)getoetst aan risico-inschatting en zwaarwegendheid.

13. Voor zover eiseres betoogt dat Werkinstructie 2024/6 onverenigbaar is met het Unierecht, stelt de rechtbank voorop dat de meervoudige kamer daar op 10 juni 2025 uitspraak over heeft gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2025:10057). De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van die uitspraak en neemt deze overwegingen over. Kortgezegd heeft de rechtbank in de uitspraak van 10 juni 2025 overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat toepassing van Werkinstructie 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De stelling van eiseres dat Werkinstructie 2024/6 onverbindend moet worden beschouwd, volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.

Nieuwe verklaringen in de correcties en aanvullingen

14. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor uitvoerige en gedetailleerde verklaringen heeft aangevoerd. Eiseres stelt dat zij daar verschoonbare redenen voor heeft. Tijdens het gehoor werd haar namelijk niet duidelijk gemaakt dat zij de vragen niet naar tevredenheid had beantwoord, wat een schending oplevert van artikel 3:113 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ook zou eiseres tijdens het nader gehoor meermaals zijn onderbroken en vroeg de minister niet goed door op essentiële punten.

15. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het aan een vreemdeling is om zijn asielrelaas duidelijk naar voren te brengen en niet aan de minister om deze met vragen aan het licht te brengen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1040). Verder volgt uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2538) en uit paragraaf C1/4.3.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) dat van de vreemdeling een deugdelijke verklaring kan worden verwacht voor het feit dat hij essentiële punten van zijn asielrelaas pas in de correcties en aanvullingen correct naar voren heeft gebracht.

16. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen goede verklaring heeft gegeven voor het aanvullen van haar asielrelaas op essentiële punten in de correcties en aanvullingen. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat eiseres tijdens het asielgehoor ruim de mogelijkheid heeft gehad om haar asielmotieven naar voren te brengen. Uit het verslag van gehoor blijkt niet dat eiseres tijdens het gehoor onvoldoende gelegenheid is geboden om haar asielrelaas nader toe te lichten, dat de minister onvoldoende vragen heeft gesteld of dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd. De minister heeft hierbij van belang mogen vinden dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat de minister voldoende heeft doorgevraagd op de punten die eiseres later in haar correcties en aanvullingen heeft aangevuld. Dat eiseres meermaals onderbroken zou zijn tijdens het nader gehoor, betekent niet dat eiseres niet voldoende in de gelegenheid gesteld zou zijn om haar bekering aannemelijk te maken. De rechtbank constateert namelijk aan de hand van het verslag van het nader gehoor dat de onderbrekingen tijdens het nader gehoor bedoeld waren om vragen te verduidelijken of om te voorkomen dat eiseres in herhaling viel. De rechtbank concludeert dan ook dat de minister de uitgebreide verklaringen uit de correcties en aanvullingen en de zienswijze niet ten onrechte niet heeft gevolgd. De beroepsgrond slaagt niet.

Geloofwaardigheidsbeoordeling bekering

17. Eiseres voert aan dat de minister haar bekering ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiseres betoogt dat de minister onterecht heeft tegengeworpen dat zij niet over de Heilige Geest heeft verklaard in het nader gehoor. Zij heeft namelijk driemaal verklaard over de Heilige Geest. Ook dat zij summier verklaard zou hebben over de onderwerpen van de huiskerk en Bijbelstudies, is volgens eiseres onterecht tegengeworpen. Verder meent eiseres dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat haar verklaringen over de onderwerpen die haar aanspreken in het christendom oppervlakkig zijn. Ook voert eiseres aan dat het feit dat zij gedoopt is, een belangrijke aanwijzing is dat zij een waarachtig christen is. Hier heeft eiseres dan ook bewijs in de vorm van een doopakte van overgelegd. Verder stelt eiseres activiteiten voor de kerk te ondernemen, zoals koken, gasten bedienen, workshops geven en tolken. Ook dit wordt bevestigd in door eiseres overgelegde verklaringen. Zo heeft eiseres een verklaring van 14 oktober 2024 overgelegd over haar betrokkenheid bij de kerk inclusief een bijlage met algemene informatie over de kerk, een brief van 19 december 2024 van de pastor van de kerk met een aanvulling van 19 maart 2025, een verklaring van 18 oktober 2024 van Bijbelstudiesleider [naam 1] en een ondersteuningsverklaring van 10 juni 2025 van de Christengemeente [naam 2] .

18. De rechtbank stelt voorop dat uit Werkinstructie 2022/3 volgt dat de geloofwaardigheid van een bekering getoetst wordt op drie elementen, te weten:

De motieven voor en het proces van bekering;

De kennis van het nieuwe geloof; en

De activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen.

Hierbij maakt de minister een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Primair wordt gekeken naar de eigen verklaringen van de vreemdeling, maar ook andere informatie in het dossier (zoals verklaringen van derde partijen) wordt betrokken. Verder is in Werkinstructie 2022/3 vermeld dat aan verklaringen van kerkelijke instanties meer waarde zal worden gehecht, als daarin, op basis van eigen waarnemingen van de kerkelijke instantie, is weergegeven welke rol de vreemdeling speelt binnen de kerkelijke organisatie en hoe hij hier binnen de gemeenschap uiting aan geeft.

19. De rechtbank overweegt dat de minister de gestelde bekering van eiseres tot het christendom ongeloofwaardig heeft kunnen vinden en overweegt hiertoe het volgende.

20. Ten aanzien van de motieven voor en het proces van bekering heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres oppervlakkig heeft verklaard over wat haar aantrok in het christendom en dat zij er niet in geslaagd is om inzicht te verschaffen in haar proces van bekering. Eiseres heeft weliswaar goed kunnen uitleggen hoe zij in aanraking kwam met het christendom, maar haar verklaringen over wat haar aantrok in deze geloofsovertuiging blijven algemeen van aard. De minister heeft eiseres dan ook kunnen tegenwerpen dat hij haar meermaals gevraagd heeft wat haar persoonlijk aantrok in het christendom, maar dat zij haar verklaringen daaromtrent niet persoonlijk heeft kunnen maken (p. 16 e.v. nader gehoor). Verder heeft de minister eiseres kunnen tegenwerpen dat zij geen antwoord heeft gegeven op de vragen wat haar persoonlijk raakte tijdens het doen van onderzoek naar het christendom en wat maakte dat zij zich daar verder in wilde verdiepen (p. 17 nader gehoor). De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat van eiseres verwacht had mogen worden dat zij meer inzicht kon verschaffen in haar proces van bekering, aangezien zij haar proces van afvalligheid wel gedetailleerd heeft kunnen beschrijven.

21. Ten aanzien van eiseres haar kennis van het christendom stelt de rechtbank vast dat de minister de tegenwerping dat eiseres tijdens het nader gehoor niet gesproken heeft over de Heilige Geest, ter zitting heeft laten vallen. Desondanks overweegt de rechtbank in dit kader dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen dat het ongerijmd is dat eiseres stelt alles aan het christendom interessant te vinden (p. 22 NG), maar dat zij niet veel over de opgedane kennis kan verklaren. De minister heeft eiseres hierbij mogen tegenwerpen dat zij veel in herhaling valt over het verlossen van zonden en het geven van liefde, terwijl eiseres summier blijft in het uitleggen hoe er dan precies tegen zonden wordt aangekeken in het christendom (p. 21-22 nader gehoor). De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat meer van eiseres verwacht mocht worden, gelet op de omstandigheden dat zij zich al jaren heeft verdiept in het christendom en Bijbelstudies volgt en in het licht van de uitgebreide verklaringen die eiseres later met de correcties en aanvullingen heeft ingediend.

22. Ten aanzien van de activiteiten die eiseres onderneemt binnen het christendom heeft de minister eiseres kunnen tegenwerpen dat zij daar wisselend en summier over heeft verklaard. Eiseres heeft namelijk wisselend verklaard over wanneer zij hoorde dat het gevaarlijk was om de huiskerk in Iran te bezoeken (p. 20 nader gehoor en p. 10 correcties en aanvullingen). Verder bleven de antwoorden van eiseres op de vragen van de minister over wat zij leerde bij de huiskerkbezoeken summier en algemeen (p. 20 en 21 nader gehoor). Ook de verklaringen van eiseres over wat zij heeft geleerd van Bijbelstudies in Nederland bleven summier. Ten aanzien van de documenten die eiseres heeft overgelegd ter onderbouwing van haar doop en van de activiteiten die zij onderneemt, heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat deze documenten en activiteiten op zichzelf geen bewijs vormen van een oprechte bekering. Immers, het is aan eiseres om overtuigende verklaringen af te leggen over het interne bekeringsproces. De minister heeft dan ook aan eiseres kunnen tegenwerpen dat zij er niet in geslaagd is om uit te leggen waarom de activiteiten die zij onderneemt belangrijk voor haar zijn en welke betekenis zij aan die activiteiten geeft.

23. Gelet op het voorgaande heeft de minister de bekering van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De beroepsgrond slaagt niet.

24. Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat de minister Werkinstructie 2022/3 niet goed heeft toegepast aangezien hij de drie elementen, zoals onder 18. besproken, niet kenbaar tegen elkaar heeft afgewogen. Eiseres wijst erop dat niet is gebleken van enige compensatie tussen de drie elementen, wat ingevolge Werkinstructie 2022/3 wel mogelijk zou moeten zijn. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Uit Werkinstructie 2022/3 volgt namelijk ook dat de verklaringen van eiseres het zwaartepunt vormen van de geloofwaardigheidsbeoordeling van haar bekering. Zoals in deze uitspraak overwogen, zijn de verklaringen van eiseres ten aanzien van alle elementen gebrekkig. Er is dus, in het geval van eiseres, geen compensatie mogelijk tussen de verschillende elementen. De beroepsgrond slaagt niet.

Geloofwaardigheid van de problemen van de familie van eiseres

25. Eiseres voert aan dat de minister haar problemen vanwege haar bekering ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiseres stelt dat de Iraanse autoriteiten nog steeds regelmatig bij haar familie langskomen om hen lastig te vallen vanwege haar bekering. Verder betoogt eiseres dat deze vorm van intimidatie past bij de landeninformatie. Eiseres verwijst hierbij naar het ambtsbericht Iran van 2023 en naar het rapport van Open Doors van mei 2021 (“Iran: The reality for Christians”).

26. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar familie nog steeds wordt lastiggevallen door de Iraanse autoriteiten. De rechtbank heeft hierbij van belang mogen vinden dat de bekering van eiseres ongeloofwaardig is geacht. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar leidinggevende en de autoriteiten achter haar bekering gekomen zijn. Ook heeft eiseres niet toegelicht waarom zij met een collega over het christendom sprak terwijl zij de risico’s van bekering in Iran kende. Verder heeft de minister mogen betrekken dat het feit dat uit landeninformatie volgt dat intimidatie van familieleden in zijn algemeenheid voorkomt, nog niet betekent dat eiseres haar persoonlijke problemen met de gestelde intimidatievorm aannemelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Risico bij terugkeer naar Iran als afvallige

27. Tenslotte vindt eiseres dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar vrees voor de autoriteiten en de samenleving bij terugkeer naar Iran vanwege haar (geloofwaardig bevonden) afvalligheid, niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres beroept zich hiervoor op de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:5349). Uit deze uitspraak volgt dat de minister het kenbaar in het besluit moet betrekken als de vreemdeling heeft verklaard dat hij zijn afvalligheid in het land van herkomst niet heeft geuit of zal uiten wegens vrees voor de autoriteiten. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:94) onder 23.1 en 23.2 vermeld staat, moet de minister bij een geloofwaardig geachte afvalligheid onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid. De minister mag van een vreemdeling niet verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid in het land van herkomst. Eiseres voert aan dat Informatiebericht 2023/35 door voornoemde uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, geen stand kan houden. Verder voert eiseres aan dat zij moet terugkeren met een laissez passer en dat zij langdurig weg is geweest uit Iran. Uit het ambtsbericht Iran van 2023 volgt dat beide omstandigheden kunnen leiden tot extra problemen bij terugkeer.

28. De rechtbank overweegt dat de minister niet kenbaar in het besluit had hoeven betrekken dat eiseres heeft verklaard dat zij haar afvalligheid in Iran niet heeft geuit wegens vrees voor de autoriteiten. Immers, eiseres heeft wisselend verklaard op dit punt. Eiseres heeft namelijk enerzijds verklaard dat zij buitenshuis een hijab droeg ‘omdat dit gewoon de wetten zijn en als je die niet naleeft dan ondervind je de consequenties’ (p. 12 NG). Anderzijds heeft eiseres echter verklaard dat zij de hijab heel soms niet droeg als teken van protest (p. 13 NG). Eiseres heeft verder verklaard dat zij op de universiteit haar kritische blik op de islam deelde met haar studenten waardoor ze na enige tijd niet meer mocht doceren (p. 14 NG), maar dat zij verder niet haar mening uitte of die aan anderen oplegde omdat zij anderen vrij wilde laten (p. 14 NG). Uit deze verklaringen blijkt niet dat eiseres, op de momenten dat zij ervoor koos haar afvalligheid niet te uiten, dit deed uit vrees voor de autoriteiten. Soms deed eiseres dat namelijk uit teken van protest of omdat zij anderen vrij wilde laten in hun geloofsovertuiging.

29. Ten aanzien van de beoordeling of, en zo ja hoe, eiseres na terugkeer naar Iran uiting wil geven aan haar afvalligheid en tot welke problemen dit kan leiden, overweegt de rechtbank dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer uiting zal geven aan haar afvalligheid. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat eiseres in Iran, in de jaren na haar afwending van de islam, nauwelijks uiting gaf aan haar religieuze identiteit. Eiseres heeft weliswaar verklaard dat zij in Iran geen hijab meer wil dragen, maar de minister heeft niet ten onrechte overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij dit niet wil vanwege haar afvalligheid. Immers, haar beweegreden is soms een uiting van protest (p. 13 NG) en soms dat het dragen van een hijab heet, onpraktisch en moeilijk is (p. 12 NG). Gelet hierop, heeft de minister ingevolge Informatiebericht 2023/35 mogen concluderen dat, als eiseres na terugkeer een hijab moet dragen, dat niet leidt tot een ontoelaatbare aantasting van het recht op godsdienstvrijheid of van de religieuze identiteit van eiseres.

30. Gelet op het voorgaande, heeft de minister zich ook op het standpunt kunnen stellen dat, als eiseres bij terugkeer op de luchthaven door de Iraanse autoriteiten zal worden ondervraagd en zal worden gevraagd een formulier te ondertekenen dat zij nog steeds moslim is, dit geen ontoelaatbare aantasting is van het recht op godsdienstvrijheid en daarmee geen daad van vervolging oplevert. De bekering van eiseres wordt door de minister niet gevolgd en eiseres heeft geen persoonlijke redenen aangevoerd waarom het ondertekenen van het formulier voor haar grote impact zal hebben.

31. Verder heeft de minister bij de besluitvorming mogen betrekken dat de manier waarop eiseres na terugkeer in Iran uiting wenst te geven aan haar afvalligheid, overeenkomt met haar houding gedurende de vier jaar na haar afwending en voor haar vertrek uit Iran. Eiseres heeft hierover verklaard dat ze waarschuwingen kreeg omdat ze bepaalde islamitische gebruiken niet naleefde (p. 15 NG) en dat ze ontslagen is (p. 14 NG), maar dat ze daarna weer werk heeft gevonden en verder geen serieuze problemen heeft ervaren in haar dagelijks leven vanwege haar afwending (p. 14 NG). De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

32. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.