Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2025:28046

Op 26 November 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.39537, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2025:28046. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.39537
Datum uitspraak:
26 November 2025
Datum publicatie:
28 July 2026

Indicatie

Asiel, Irak, bedreiging door de PKK, Informatiebericht 2022/102 Afdelingsuitspraken inzake de pilot afdoen op zwaarwegendheid, beroep gegrond.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.39537

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),

en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A. Sloots). Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

3. Eiser heeft op 4 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 de aanvraag afgewezen als ongegrond.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

5. De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Moustafa als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag kort samengevat het volgende ten grondslag. Eiser is tijdens zijn werk op een olieveld in de bergen benaderd door gewapende PKK-strijders. Eiser werd verzocht om het gebied te verlaten en de PKK te voorzien van levensmiddelen. Eiser heeft dit geweigerd. Een aantal dagen later zijn er waarschuwingsschoten naar eiser en zijn collega’s gelost. Vervolgens is eiser van de werkplek vertrokken en naar de stad gegaan. In de stad werd eiser door een PKK-lid benaderd en bedreigd. Eiser is toen ondergedoken bij zijn opa in een nabijgelegen dorp totdat hij Irak verliet. Bij terugkeer vreest eiser vermoord te worden vanwege het niet gehoorzamen van bevelen van de PKK. Eiser heeft met een Iraakse advocaat bescherming gevraagd aan de Iraakse rechter, maar die heeft gezegd dat de autoriteiten niet in staat zijn hem te beschermen.

Het bestreden besluit

7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. bedreiging door de PKK.

De minister stelt zich op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is. De minister heeft het tweede asielmotief niet beoordeeld op geloofwaardigheid. De minister heeft Informatiebericht 2022/102 en paragrafen C1/4.1 en C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) toegepast en daarmee de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief in het midden gelaten. Volgens de minister geeft dit motief geen aanleiding tot het verlenen van een asielvergunning zoals bedoeld in artikel 28 Vw, ongeacht de geloofwaardigheid. Gelet daarop ziet de minister geen reden om een standpunt in te nemen over de geloofwaardigheid van de verklaringen betreffende dit asielmotief. In het kader van de zwaarwegendheid stelt de minister zich op het standpunt dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Ook vindt de minister dat eiser zijn vrees voor de PKK bij terugkeer naar Irak niet aannemelijk heeft gemaakt. Ten slotte overweegt de minister dat eiser er niet in geslaagd is om op basis van individuele omstandigheden aannemelijk te maken dat hij reëel risico loopt om geconfronteerd te worden met willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. De minister concludeert daarom dat eiser geen verblijfsvergunning asiel krijgt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

Beroepsgronden

8. Eiser voert aan dat de minister Informatiebericht 2022/102 onjuist heeft toegepast. De minister gaat in het kader van de zwaarwegendheid namelijk in op feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas, terwijl de minister stelt dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden gelaten wordt. De minister heeft bovendien ten onrechte de overgelegde verklaring van de Iraakse advocaat van eiser buiten beschouwing gelaten. Het bestreden besluit is daarom volgens eiser onzorgvuldig voorbereid en in strijd met het motiveringsbeginsel.

9. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet is genomen conform Informatiebericht 2022/102. Dit informatiebericht, gebaseerd op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2333 en ECLI:NL:RVS:2022:2332), staat het de minister toe om de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden te laten en direct de zwaarwegendheid van de gestelde vrees te beoordelen. Aan die werkwijze zijn door de Afdeling wel voorwaarden verbonden. Zo moet bij deze werkwijze worden uitgegaan van alle verklaringen van de vreemdeling voor de beoordeling van de zwaarwegendheid en mag het onderzoek naar de feiten en omstandigheden niet deels achterwege blijven.

10. In het voornemen van de minister, onderdeel van het bestreden besluit, is bijvoorbeeld het volgende overwogen: “U stelt dat u bent bedreigd door de PKK, omdat u weigerde hen te voorzien van voedsel en levensmiddelen. Deze verklaring is onvoldoende onderbouwd en wordt niet ondersteund door gedetailleerde en concrete verklaringen.” Met deze motivering lijkt de minister twijfels te uiten over de geloofwaardigheid van bedreigingen door de PKK, zoals daarover door eiser is verklaard. Dit is in strijd met het hiervoor genoemde informatiebericht. De minister had voor de beoordeling van de zwaarwegendheid moeten uitgaan van de juistheid van deze verklaring van eiser dat hij door de PKK is bedreigd. Door dit niet te doen is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

11. Daarnaast heeft eiser bij het nader gehoord een document overgelegd, inhoudende een verklaring van zijn advocaat in Irak. Kort gezegd staat in die verklaring dat eiser door de PKK met de dood wordt bedreigd en dat de autoriteiten niet in staat zijn eiser te beschermen. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat dit document buiten beschouwing wordt gelaten, omdat de geloofwaardigheid van het asielmotief onbeoordeeld blijft. Het informatiebericht schrijft echter voor dat wel volledig onderzoek verricht moet worden, ook naar eventuele documenten. Door deze verklaring buiten beschouwing te laten, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid.

12. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. In beroep heeft de minister een uitgebreid verweerschrift ingediend. De rechtbank zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven op grond van de nadere motivering die in het bestreden besluit is opgenomen. In dit kader is van belang dat eiser naast de eerder overgelegde verklaring van zijn Iraakse advocaat ook een verklaring van een rechter uit Irak heeft overgelegd.

13. De minister heeft dit document van de Iraakse rechter laten onderzoeken door Bureau Documenten. De conclusie over het document is dat deze hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt. Omdat de eerder overgelegde verklaring van de advocaat is gebaseerd op deze uitspraak van de rechter, wordt ook aan die verklaring geen waarde gehecht. De minister overweegt in het verweerschrift dat “van het bestaan van deze uitspraak niet is gebleken”. In het nader gehoor heeft eiser evenwel ook zelf verklaard over zijn advocaat en de uitspraak van de rechter. Daarover staat het volgende:

Ik heb ook een advocaat ingeschakeld. De advocaat heeft deze zaak ingediend bij de rechtbank. De rechter heeft tegen mij gezegd dat ik mijn werk moest opgeven en dat ik zelfs moest verhuizen naar een onbekende plek zodat niemand weet waar ik verblijf. De rechter heeft gezegd dat ik dus niet de enige was die dergelijke problemen had. Er zijn meerdere

mensen en de autoriteiten zijn niet in staat om elke individu tegen de PKK te beschermen.”

14. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister dan ook moeten uitgaan van de verklaring van eiser op dit punt, zoals is voorgeschreven in het informatiebericht. Er mag niet op onderdelen (impliciet) worden geconcludeerd dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Door in twijfel te trekken of er een uitspraak van een Iraakse rechter is, terwijl eiser daarover zelf heeft verklaard, is ook het verweerschrift niet in lijn met het informatiebericht gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit dan ook niet in stand en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

15. De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Het staat de minister in beginsel vrij om de geloofwaardigheid van het asielrelaas opnieuw in het midden te laten. De rechtbank vraagt zich echter wel sterk af of de onderhavige zaak daarvoor geschikt is. Enerzijds geeft het informatiebericht voorbeelden van zaken die in beginsel geschikt lijken voor deze werkwijze. Kort gezegd gaat het dan om zaken waarin een vreemdeling enkel economische motieven naar voren brengt of om bescherming vraagt omdat hij in zijn land van herkomst wordt gediscrimineerd, maar de discriminatie niet van zo’n aard is dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming of om zaken van vreemdelingen die de bescherming van de autoriteiten in hun land van herkomst kunnen inroepen tegen de problemen waarvoor zij stellen te vrezen. Deze zaak lijkt hier niet onder te vallen. Daar staat tegenover dat het informatiebericht ook type zaken noemt die in beginsel niet geschikt lijken voor deze wijze van afdoening. Daarin wordt bijvoorbeeld de omstandigheid genoemd dat de vreemdeling stelt dat hij tevergeefs geprobeerd heeft de bescherming van de (hogere) autoriteiten in te roepen. Dit heeft eiser in deze zaak verklaard. Het lijkt dan ook aangewezen om de asielaanvraag van eiser op reguliere wijze te beoordelen en eerst te kijken naar de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

17. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 16 weken.

18. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 14 augustus 2025;

draagt de minister op binnen 16 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.