RECHTBANK DEN HAAG
zaaknummers: NL25.52722 en NL25.52721
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser 1,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] , eiser 2,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw. (Voetnoot 1) Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen. Omdat eisers broers zijn en de beroepsgronden in beide zaken nagenoeg identiek zijn, behandelt de rechtbank de zaken gevoegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eisers hebben een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 30 september 2025 deze aanvragen afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.2.
De minister heeft op 22 januari 2026 aanvullende besluiten genomen.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Er is ook een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. De broers stellen van Iraakse nationaliteit te zijn en te behoren tot de Jezidi-bevolkingsgroep. Zij zijn afkomstig uit Sinjar. Na de aanval van IS in [jaartal] zijn zij met hun ouders, broers en zussen gevlucht naar het Sinjar-gebergte. Vervolgens hebben zij tot aan hun vertrek uit Irak in twee verschillende vluchtelingenkampen gewoond. Het laatste kamp was in Duhok. Volgens eisers is de algemene situatie voor Jezidi’s in Irak slecht, zij worden beledigd en gediscrimineerd. Eiser 1 heeft in Irak te maken gehad met beledigingen en hij had moeite met het vinden van werk. Hij vreest bij terugkeer naar Irak voor milities en de verschillende partijen die aan de macht zijn. Eiser 2 vreest ook voor vervolging als Jezidi.
4. De asielrelazen van eisers bevatten volgens de minister de volgende relevante motieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen als Jezidi.
De minister gelooft de asielmotieven, maar hij acht de vrees van eisers dat zij in Irak niet veilig zullen zijn niet aannemelijk. De minister heeft - onder verwijzing naar het ambtsbericht over Irak van 2023 - overwogen dat daaruit niet meer blijkt dat Jezidi’s omwille van hun geloof, het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Evenmin is volgens de minister sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag ten aanzien van Jezidi’s in Irak. Volgens de minister hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer dusdanig gediscrimineerd worden omdat zij Jezidi zijn, dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Het feit dat eisers in Griekenland een vluchtelingenstatus hebben gekregen, betekent niet dat de aanvragen van eisers in Nederland ook moeten worden ingewilligd. Nederland kan en mag een eigen beoordeling verrichten. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat de (humanitaire) situatie in het vluchtelingenkamp in Duhok niet zodanig is dat terugkeer daarom in strijd is met artikel 3 van het EVRM. (Voetnoot 2) Eisers hebben ook verder geen individuele redenen aangevoerd op grond waarvan hun terugkeer leidt tot ernstige schade. De minister concludeert daarom dat hij de asielaanvragen terecht heeft afgewezen als ongegrond.
5. De minister heeft in aanvullende besluiten, naar aanleiding van de zienswijze, geconcludeerd dat in de bestreden besluiten abusievelijk is opgenomen dat eisers dienen terug te keren naar Griekenland. In de aanvullende besluiten is verder opgenomen dat eisers ondanks hun vluchtelingenstatus in Griekenland - gelet op de situatie in Griekenland - geen bevel krijgen naar Griekenland terug te keren, maar dat hen een terugkeerbesluit voor terugkeer naar Irak wordt opgelegd. Eisers hebben hiertegen geen beroepsgronden aangevoerd.
6. Eisers stellen dat zij moeten worden aangemerkt als vluchteling, omdat zij als Jezidi worden gediscrimineerd in Irak. Zij wijzen op het feit dat zij hebben moeten vluchten en op de moeilijke situatie in het vluchtelingenkamp. Zij wijzen op pesterijen, uitsluitingen, vernederingen en geweldsincidenten op werk en in het maatschappelijke leven. Eiser heeft ook verklaard over een oproep van een geestelijke dat het is toegestaan om Jezidi’s te doden. Deze informatie komt overeen met de informatie in het ambtsbericht over de positie van Jezidi’s in Irak. Deze informatie heeft de minister volgens eisers onvoldoende in de besluitvorming betrokken.
6.1.
Eisers stellen dat zij bij terugkeer naar Irak een reëel risico op ernstige schade lopen. Zij stellen dat op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Vw een eerdere blootstelling aan geweld een duidelijke aanwijzing is dat een vreemdeling een reëel risico loopt om opnieuw te worden blootgesteld aan geweld. Hun individuele omstandigheid, dat zij Jezidi’s zijn maakt, gelet op de algemene situatie voor Jezidi’s in Irak, dat zij een reëel risico lopen. Eisers verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 16 mei 2025. (Voetnoot 3) Verder stellen eisers dat de minister in de bestreden besluiten ten onrechte niet heeft aangegeven naar welk deel in Irak eisers moeten terugkeren. Zij kunnen niet terugkeren naar Sinjar of het vluchtelingenkamp in de KAR. (Voetnoot 4) De minister heeft volgens eisers ten onrechte geen standpunt ingenomen over de situatie in het kamp. Eisers verwijzen naar een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 februari 2025. (Voetnoot 5)
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eisers bij terugkeer naar Irak niet te vrezen hebben?
7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eisers voor hun vertrek in het vluchtelingenkamp Sharya in Duhok verbleven.
7.1.
Bij het beoordelen van de vraag of een vreemdeling bij terugkeer naar zijn land, of het gebied waarvandaan hij afkomstig is, een reëel risico loopt op ernstige schade moet worden uitgegaan van het land of gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- of verblijfplaats had. Bij de beantwoording daarvan is onder meer van belang hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling daar heeft verbleven.
7.2.
De rechtbank neemt als uitgangspunt het kader zoals dat destijds door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is geschetst:
“Van belang bij de vraag of een gebied waar een Jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als de normale woon- of verblijfplaats is of de Jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren.” (Voetnoot 6) In 2019 heeft de toenmalige staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zich op het standpunt gesteld dat Jezidi’s die uit Irak naar de KAR zijn gevlucht daar niet naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau konden functioneren, zodat de KAR niet (langer) werd aangemerkt als een normale woon- of verblijfplaats.
7.3.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in het besluit een gemotiveerd standpunt moet innemen over de vraag waarnaar eisers in Irak moeten terugkeren, nu zij zijn gevlucht uit de Sinjar-regio en onderbouwd hebben gesteld dat zij niet naar Sinjar of een vluchtelingenkamp in de KAR kunnen terugkeren. De minister heeft evenwel in de bestreden besluiten niet gemotiveerd weergeven naar welke plek eisers terug dienen te keren. De minister heeft enkel aangegeven dat de verklaringen van eisers niet leiden tot de conclusie dat terugkeer naar het kamp in Duhok zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is alleen daarom al gegrond en de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. (Voetnoot 7)
7.4.
Hoewel de minister op de zitting heeft gesteld dat van eisers verwacht wordt dat zij naar inderdaad naar het kamp Sharya vertrekken, is de minister er niet in geslaagd het motiveringsgebrek te herstellen. Immers, de minister moet niet alleen weergeven naar welke plek eisers moeten vertrekken, maar in navolging van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 februari 2025 dient de minister ook te motiveren waarom dit kamp kan worden aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats. De enkele verwijzing naar de algemene motivering in het hoger beroepschrift tegen de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 februari 2025 is daartoe onvoldoende. Niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds medio 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van tentenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats van Jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar-regio. Het destijds, in 2019, geïntroduceerde beleid vloeit voort uit de conclusie dat ontheemde Jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hebben in de KAR en daar niet, naar lokale maatstaven gemeten, op een normaal niveau kunnen functioneren. In het verweerschrift is niet toegelicht in hoeverre de situatie in de kampen in de KAR is gewijzigd zodat de kampen weer als normale woon- en verblijfplaats aangemerkt zouden mogen worden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten noch mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De overige gronden behoeven daarom niet meer besproken te worden.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister nieuw besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De minister krijgt hiervoor zes weken de tijd.
8.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van de proceskosten. Vanwege de samenhang van de zaken stelt de rechtbank deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-, en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt de minister op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.