Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:11064

Op 29 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.4250, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:11064. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.4250
Datum uitspraak:
29 April 2026
Datum publicatie:
8 May 2026

Indicatie

Syrië – AKT – motivering dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld is ondeugdelijk – humanitaire omstandigheden niet/onvoldoende bij beoordeling betrokken – beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.4250

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).

Procesverloop

Procesverloop
1.1

Eiser heeft op 22 februari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 januari 2026 de aanvraag afgewezen als ongegrond.

1.2

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

1.3

De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Shamoun. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Overwegingen
2.1

Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.

2.2

De minister heeft de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. In beroep heeft eiser daartegen aangevoerd, voor zover hier van belang, dat de minister voor Syrië ten onrechte uitgaat van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

2.3

De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft zijn standpunt dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar haar uitspraken van zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025 (Voetnoot 1) en zittingsplaats Rotterdam van 23 maart 2026 (Voetnoot 2). De toelichting van de minister in deze procedure en de informatie waarnaar hij heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. Uit het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026 volgt dat in Syrië nog altijd sprake is van een groot gebrek aan stabiliteit en van aanhoudende geweldsincidenten, waaronder geweld tegen burgers. (Voetnoot 3)

2.4

Daarnaast heeft de minister ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet, althans onvoldoende bij de beoordeling betrokken. De rechtbank verwijst ook in dit verband naar de hierboven genoemde uitspraken van 11 december 2025 en 23 maart 2026.

2.5

De beroepsgrond slaagt. Wat partijen verder hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking. De rechtbank realiseert zich dat tijdens de zitting ook andere beroepsgronden aan de orde zijn gekomen, maar acht het aangewezen dat de minister nu eerst een nieuw besluit neemt met inachtneming van wat in 2.3 en 2.4 is overwogen.

Conclusie en gevolgen
3.1

Het beroep is gegrond, omdat de minister het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken.

3.2

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.C. Hummel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens

bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag

waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:RBDHA:2025:23822

Voetnoot 2

ECLI:NL:RBDHA:2026:7137.

Voetnoot 3

Zie pagina 27 en verder van het Algemeen ambtsbericht Syrië januari 2026.