RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedatum 1] 2002, v-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigden: mr. J.E. Jalandoni en mr. J. Borkent),
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de mvv-aanvraag.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat aan deze procedure voorafging
3.1
Eiseres en referente, beiden meerderjarig, zijn zussen en hebben de Afghaanse nationaliteit. Referente (geboren op [geboortedatum 2] 1993) is in 2022 naar Nederland geëvacueerd vanwege de machtsovername door de Taliban. Zij heeft op 24 mei 2022 een verblijfsvergunning asiel gekregen voor zichzelf en haar zoontje [minderjarige] (geboren op [geboortedatum 3] 2020, hierna: [minderjarige] ). Op 17 augustus 2022 heeft referente nareis aangevraagd voor eiseres. Eiseres stelt het pleegkind te zijn van referente. In een overgelegde getuigenverklaring wordt gesteld dat hun moeder is overleden in 2018 en dat hun vader is hertrouwd in 2019. Referente heeft de voogdij overgenomen, totdat zij is getrouwd in [maand] 2019. Zij is toen wegens ruimtegebrek verhuisd en heeft eiseres meegenomen. Referente bleef toen ook de voogdij uitoefenen over de rest van haar familieleden en financieel voor hen zorgen.
3.2
De minister heeft de aanvraag van referente met het primaire besluit afgewezen en de afwijzing met het bestreden besluit gehandhaafd. Eiseres heeft volgens de minister de familierechtelijke relatie tussen haar en referente niet aannemelijk gemaakt. De minister geeft eiseres het voordeel van de twijfel wat betreft de identiteit van haar moeder en de familierechtelijke relatie tussen eiseres en haar biologische ouders, omdat eiseres wel duidelijk inspanningen heeft verricht om dit aannemelijk te maken. Verder vindt de minister dat er geen sprake is van een feitelijke gezinsband op grond van een pleegsituatie tussen eiseres en referente. De overgelegde getuigenverklaring en de in bezwaar opgestuurde overlijdensverklaring van het ziekenhuis zijn onvoldoende om het gestelde overlijden van de biologische moeder van eiseres en referente aannemelijk te maken. Ook is de stelling dat hun biologische vader voor zijn nieuwe gezin heeft gekozen niet onderbouwd met stukken. Uit het feit dat hun vader is hertrouwd, volgt niet direct dat hij daarom niet meer als ouder voor eiseres fungeerde. Bovendien is hun vader in maart 2019 hertrouwd en heeft referente daarna nog een jaar met al haar broers en zussen (waaronder eiseres) in het huis van hun vader gewoond. Dit is ook een vorm van zorg en hieruit volgt dat hun vader altijd betrokken is gebleven in het leven van zijn kinderen en dat afgezien van hem het hele gezin ook samen is gebleven. Verder heeft eiseres volgens de minister niet onderbouwd dat zij (structureel) financieel gesteund wordt door referente. Bovendien was de gestelde financiële steun die referente heeft gegeven toen zij nog in Afghanistan was niet specifiek aan eiseres, maar aan haar hele ouderlijke gezin, inclusief hun vader. Ook kan deze steun volgens de minister vanuit Nederland worden gegeven. De minister stelt zich verder op het standpunt dat hun vader altijd de voogdij over eiseres heeft gehouden. De opgestuurde getuigenverklaring is onvoldoende om aannemelijk te maken dat referente de voogdij over eiseres had, omdat in Afghanistan voor de officiële overdracht van de voogdij een uitspraak van de rechtbank nodig is. De enkele verklaring dat referente de verzorging van eiseres op zich heeft genomen en dat zij ervoor zorgde dat eiseres naar school ging en kleding had, maakt dit niet anders. Verder is volgens de minister geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente. De minister heeft daarbij de samenwoning, de mate van financiële en materiële (praktische) afhankelijkheid, de gezondheid van eiseres en referente en de banden van eiseres met Afghanistan betrokken. De verklaringen ten aanzien van de algemene en politieke veiligheidssituatie houden ook geen verband met enige afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en [minderjarige] is niet in geschil, maar de belangenafweging valt volgens de minister alsnog in het nadeel van eiseres uit. De algemene belangen van de overheid wegen namelijk zwaarder dan het persoonlijk belang van eiseres.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Familierechtelijke relatie
4.1
Eiseres voert aan dat zij de familierechtelijke relatie met referente aannemelijk heeft gemaakt, onder andere door het overleggen van hun identiteitskaarten. Ook heeft referente tijdens het gehoor in het kader van haar asielaanvraag, nadrukkelijk eiseres genoemd als haar zusje waar zij de zorg voor draagt. Het asielrelaas van referente is geloofwaardig geacht, waarmee eveneens de familieband tussen eiseres en referente aannemelijk dient te worden geacht. Dit klemt te meer nu de informatie uit het gehoor ook nog wordt ondersteund met ingebrachte stukken in de onderhavige nareisprocedure. Eiseres en referente geven aan graag bereid te zijn om mee te werken aan een DNA-onderzoek
4.2
De rechtbank is met de minister van oordeel dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referente niet met objectieve stukken is onderbouwd. De minister heeft eiseres het voordeel van de twijfel gegund wat betreft de familierechtelijke relatie tussen eiseres en haar biologische ouders omdat er voldoende inspanningen zijn verricht om onderbouwende stukken te verkrijgen, maar omdat de pleegsituatie ook niet aannemelijk is gemaakt, heeft DNA-onderzoek geen zin. Ook bij een positieve uitkomst van een DNA-onderzoek blijft de conclusie namelijk dat er geen pleegsituatie is, aldus de minister. De rechtbank kan dit volgen en verwijst daarbij naar onderstaande overwegingen. De beroepsgrond slaagt niet.
5.1
Eiseres voert aan dat referente de pleegsituatie heeft gemeld tijdens het combinatiegehoor van 23 mei 2022 in het kader van de asielaanvraag van referente. Tijdens dit gehoor heeft referente al aangegeven dat zij, toen zij naar Nederland zou komen, eiseres als pleegkind wilde opgeven, maar dat dat niet werd geaccepteerd. Referente heeft verder verklaard dat zij na het overlijden van hun moeder met haar echtgenoot, eiseres en [minderjarige] heeft samengewoond. Ook heeft zij uitgelegd dat eiseres gevaar loopt in Afghanistan. Deze verklaringen in combinatie met de getuigenverklaringen die consistent zijn met wat referente heeft verklaard, de foto’s, en de verklaring van het ziekenhuis over het overlijden van hun moeder, leiden ertoe dat wat referente naar voren heeft gebracht in deze procedure aannemelijk is, aldus eiseres. Referente heeft na het overlijden van hun moeder als oudste zus de verantwoordelijkheid op zich genomen om voor de familie te zorgen, in het bijzonder voor eiseres. Hun vader is hertrouwd en heeft volledig gekozen voor zijn nieuwe echtgenote en gezin. Daarmee heeft hij zijn kinderen uit het eerdere huwelijk verwaarloosd en feitelijk achtergelaten. Referente was daarom de enige die feitelijk voor eiseres zorgde, waarmee een pleegsituatie is ontstaan. Deze pleegsituatie heeft voortgeduurd tot het feitelijk vertrek van referente uit Afghanistan, aldus eiseres.
5.2
De rechtbank overweegt als volgt. In het beroepschrift heeft eiseres aangevoerd dat zij na haar huwelijk in het huis van haar vader samenwoonde met referente, de echtgenoot van referente en [minderjarige] . Tijdens de zitting heeft referente aangegeven dat dit in een huurhuis was en niet in een huis van hun vader. Dit is echter niet met stukken onderbouwd. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat hun moeder is overleden. Tijdens het combinatiegehoor heeft referente verklaard dat na haar huwelijk hun moeder is overleden en dat ‘een klein zusje’ (dus eiseres) sinds die tijd bij haar woonde. Uit de overgelegde overlijdensakte, die overigens pas is opgemaakt op 2 juli 2024, blijkt dat hun moeder op [datum overlijden] 2018 is overleden. Uit de overgelegde getuigenverklaring blijkt echter dat referente op [datum huwelijk] 2019 is getrouwd, dus na het overlijden van hun moeder. De rechtbank is met de minister van oordeel dat dit een cruciaal punt is, omdat het gaat over de tijd die eiseres bij referente zou hebben gewoond. Verder valt het de rechtbank op dat in de getuigenverklaring staat dat referente en haar vader allebei op [datum huwelijk] 2019 getrouwd zijn. Tijdens de zitting heeft referente aangegeven dat zij op [datum huwelijk] 2019 is getrouwd, en dat haar vader een jaar na het overlijden van haar moeder is hertrouwd, maar dat zij niet precies weet op welke datum. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat referente de voogdij over haar had. Uit het Algemeen ambtsbericht Afghanistan van
16 december 2025 blijkt dat de vader de wettelijke vertegenwoordiger is van het kind en dat hij gezag heeft. Vrouwelijke familieleden kunnen het zorgrecht hebben, maar nooit de wettelijke voogdij. Daar zijn geen procedures voor. De voogdij ligt altijd bij mannelijke familieleden van vaderskant onder de eerdere Afghaanse wetgeving en implementatie door de Taliban. (Voetnoot 1) De beroepsgrond slaagt niet.
Financiële afhankelijkheid
6.1
Eiseres voert aan dat referente met het beperkte inkomen dat zij ontving haar familie ondersteunde. Eiseres maakte echter onlosmakelijk deel uit van de familie. Ter onderbouwing heeft eiseres informatie van het geldwisselkantoor overgelegd.
6.2
De rechtbank ziet met de minister niet in waarom eiseres de in januari 2026 geüploade stukken van het geldwisselkantoor niet eerder heeft kunnen overleggen. De stukken zijn namelijk pas in beroep overgelegd, terwijl de meeste transacties in 2024 zijn gedaan. In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat op de afschriften ‘ [minderjarige] ’ wordt genoemd als afzender en ‘ [naam] ’ ontvanger van de betalingen en dat niet duidelijk is wie dat zijn. Tijdens de zitting is besproken dat de afzender [minderjarige] , de vijfjarige zoon van referente, is. De ontvanger is [naam] , een zus van eiseres en referente die inmiddels niet meer in Afghanistan woont. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring vaag is. Onvoldoende is onderbouwd dat referente haar familie financieel ondersteunde. Bovendien kan financiële steun ook op afstand worden gegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
7.1
Eiseres voert aan dat sprake is van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Referente en zij hebben vanaf haar geboorte tot aan het vertrek van referente samengewoond op hetzelfde adres. Dit element van samenwoning weegt extra zwaar mee sinds het overlijden van hun moeder, omdat vanaf dat moment referente als een ouder voor eiseres heeft gezorgd. Dit dient bovendien in het licht te worden gezien van de bijzonder kwetsbare situatie van alleenstaande vrouwen in Afghanistan, waarbij de zorg voor een alleenstaande zus extra zwaar dient mee te wegen. Verder is volgens eiseres aannemelijk gemaakt dat referente haar familie financieel ondersteunde, waaronder ook eiseres. Eiseres kan zichzelf inmiddels kleden en voeden, maar in het onderhavige geval dient de praktische afhankelijkheid meegewogen te worden dat eiseres als alleenstaande vrouw in Afghanistan praktisch niets zelf kan en mag doen. Tot slot voert eiseres aan dat in het bestreden besluit ten onrechte de band met Afghanistan is meegenomen. In hoeverre iemand banden heeft met het land van herkomst, dan wel een ander land, is volgens eiseres niet relevant voor de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, maar wel in het kader van de belangenafweging als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van beschermingswaardig gezinsleven.
7.2
De rechtbank overweegt als volgt. Familieleven kan bestaan tussen meerderjarige familieleden buiten het kerngezin, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. (Voetnoot 2) Het gaat er vooral om of sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. De minister moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen bestaan. In de beoordeling moeten, voor zover deze zijn aangevoerd, elementen zoals de financiële en materiele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. In Informatiebericht 2024/57 heeft de minister het beoordelingskader nader uitgewerkt, in samenhang met Werkinstructie 2020/16. Volgens de Afdeling moet de bestuursrechter het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de gegeven motivering over of er gezinsleven bestaat, volledig toetsen. Daardoor is effectieve rechtsbescherming verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
7.3
De rechtbank kan het standpunt van de minister volgen dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat, hoewel wordt aangenomen dat eiseres en referente eerst hebben samengewoond met hun broers en zussen in hun ouderlijk gezin en daarna twee jaar hebben samengewoond zonder hun ouders, dit onvoldoende is om te kunnen spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het is immers gebruikelijk dat men samenwoont als men samen opgroeit in het ouderlijk gezin. Na het huwelijk van referente hebben eiseres en referente maar twee jaar samengewoond zonder ouders in een huis van de vader. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat uit de stukken en verklaringen blijkt dat eiseres met haar broers en zussen in het huis van haar vader woont. Tijdens de zitting heeft referente verklaard dat eiseres nu met een broer in een huis woont. Die broer kan eventueel met eiseres over straat. Gelet daarop is eiseres niet meer dan gebruikelijk afhankelijk van referente. Wat betreft de huidige algemene situatie in Afghanistan is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit asielgerelateerde omstandigheden zijn die, ondanks dat ze ingrijpend zijn voor eiseres, geen rol spelen in deze reguliere procedure. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister niet ten onrechte de band met Afghanistan heeft meegewogen. Immers, hoe langer iemand in het land van herkomst woont, hoe minder snel bijkomende elementen van afhankelijkheid worden aangenomen, omdat een langer verblijf in de regel nauwe banden impliceert met het land van herkomst. De minister heeft er niet ten onrechte op gewezen dat eiseres haar hele leven in Afghanistan heeft gewoond. Ze is er naar school gegaan en heeft er haar diploma behaald. Ook na het vertrek van referente heeft eiseres nog opleidingen gevolgd en afgerond. Eiseres is er geworteld en heeft er een sociaal netwerk. Ook woont er nog familie van eiseres in Afghanistan en woont zij samen met een broer. De beroepsgrond slaagt niet.
8.1
Eiseres voert aan dat ten onrechte een belangenafweging is gemaakt ten nadele van eiseres. Er is geen rekening mee gehouden dat sprake is van gezinsleven tussen eiseres en referente en er is ten onrechte niet meegewogen dat dit gezinsleven alleen in Nederland uitgeoefend kan worden. Referente heeft namelijk een verblijfsvergunning asiel en kan niet naar Afghanistan gaan, waardoor er een objectieve belemmering is om het gezinsleven aldaar of in een ander land uit te oefenen. Tussen partijen is niet in geschil dat er hechte persoonlijke banden tussen [minderjarige] en eiseres zijn. Eiseres vindt het daarom bevreemdend dat het belang van [minderjarige] niet in haar voordeel is meegewogen. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij het gezinsleven met eiseres kan voortzetten. Aangezien [minderjarige] evenmin naar Afghanistan kan reizen, omdat hij daarmee zijn moeder zou moeten verlaten, is Nederland het meest aangewezen land om het gezinsleven tussen [minderjarige] en eiseres uit te oefenen. Het beste belang van [minderjarige] is namelijk dat hij bij zijn biologische ouders verblijft en frequent omgang heeft met eiseres. Daarnaast voert eiseres aan dat het erg kortzichtig is dat het economische belang in het nadeel van eiseres wordt gewogen. Eiseres en referente hebben gestudeerd en zijn hoogopgeleid. De intentie is dan ook dat zij snel werk zullen vinden en arbeid in loondienst kunnen verrichten en dat zij daarmee ook een economische bijdrage zullen leveren aan de Nederlandse samenleving. Van het voor een langere tijd gebruik maken van publieke middelen zal dan ook geen sprake zijn.
8.2
Volgens vaste rechtspraak (Voetnoot 3) moet de bestuursrechter toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de bestuursrechter enigszins terughoudend moet zijn.
8.3
De rechtbank kan de motivering van de minister in het bestreden besluit volgen. Er is geen sprake van familie- en gezinsleven van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referente. Er zijn wel hechte persoonlijke banden tussen eiseres en [minderjarige] . Dit gezinsleven tussen eiseres en [minderjarige] weegt volgens de minister in het voordeel van eiseres, maar de aard en intensiteit van het gezinsleven is niet zo sterk dat aan eiseres verblijf in Nederland moet worden toegestaan en dit weegt zwaar in haar nadeel. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat [minderjarige] nog erg jong is en altijd met referente en haar echtgenoot heeft gewoond. Hij heeft slechts anderhalf jaar ook met eiseres samengewoond. Inmiddels verblijft hij al veel langer zonder eiseres in Nederland, samen met referente en haar echtgenoot. Referente en haar echtgenoot zijn [minderjarige] ’s primaire verzorgers en hechtingspersonen. Het is niet onaannemelijk dat hij eiseres mist, maar gezien zijn jonge leeftijd, zijn verblijf bij referente en haar echtgenoot in Nederland en de hulp die hij in Nederland krijgt, is er geen reden om in het belang van [minderjarige] verblijf aan eiseres in Nederland toe te staan. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de objectieve belemmering om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen niet ten onrechte slechts licht in het voordeel van eiseres heeft meegewogen. Tussen eiseres en referente wordt immers geen gezinsleven aangenomen. Omdat het gezinsleven tussen eiseres en [minderjarige] niet van dien aard is dat aan haar verblijf in Nederland moet worden toegestaan, betekent dit dat de objectieve belemmering slechts beperkt gewicht in de schaal legt in de belangenafweging. Wat betreft het economisch belang is de rechtbank met de minister van oordeel dat referente op het moment geen werk heeft en dat het niet aannemelijk is dat eiseres direct in haar bestaan kan voorzien. Daarom is het aannemelijk dat de toelating van eiseres voor een groot deel, al dan niet volledig, ten laste komt van de Nederlandse samenleving en dat het voor referente niet mogelijk zal zijn volledig in het levensonderhoud van eiseres te voorzien. De minister heeft daarom niet ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan het Nederlands economisch belang. De beroepsgrond slaagt niet.
9.1
Eiseres voert aan dat ten onrechte is afgezien van het houden van een hoorzitting. Het gaat om een zaak met evidente familierechtelijke aspecten ingevolge artikel 8 van het EVRM, waardoor ook ingevolge de werkinstructies de minister had moeten horen. Bovendien is er geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift, omdat er meerdere punten zijn waarop tijdens een hoorzitting duidelijkheid of een toelichting verkregen had kunnen worden.
9.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen afzien van het horen van eiseres in bezwaar. Met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan de minister slechts afzien van horen indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. Hiervan was in dit geval sprake, nu eiseres in bezwaar geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zien op de gestelde pleegsituatie of het gestelde familie- en gezinsleven. De minister heeft het bezwaar daarom kennelijk ongegrond kunnen verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.