Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:12176

Op 8 May 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.30354, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:12176. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.30354
Datum uitspraak:
8 May 2026
Datum publicatie:
18 May 2026

Indicatie

Samenvatting: asiel; Venezuela; lesbische gerichtheid; lhbti-ers geen risicoprofiel; discriminatie onvoldoende voor vluchtelingschap; ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.30354

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Kuster).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.

1.1.

Eiseres heeft op 7 december 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. (Voetnoot 1)

1.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.3.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld op 12 maart 2026 samen met het beroep van de partner van eiseres (zaaknummer NL25.30350). Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar partner, hun gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Als tolk was aanwezig A.M. van den Berg-Berrio.

1.5.

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht dat vier weken later uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Venezolaanse nationaliteit. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij lesbisch is en dat zij vanwege haar seksuele geaardheid verbaal is gediscrimineerd. Ook heeft eiseres samen met haar moeder en broertje te maken gehad met een beroving in hun huis. Daarbij zijn spullen meegenomen. Eiseres is door de dieven bedreigd, waarvan zij aangifte heeft gedaan. Eiseres vreest bij terugkeer naar Venezuela voor problemen met de dieven voor haar en haar familie. Daarnaast vrees eiseres voor vervolging vanuit de maatschappij vanwege haar lesbische gerichtheid. Eiseres voelt zich in Venezuela vanwege haar lesbische gerichtheid niet veilig en stelt dat zij daartegen geen bescherming kan krijgen. Verder vreest eiseres dat zij op het vliegveld in Venezuela zal worden opgepakt vanwege haar lange verblijf in het buitenland.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

lesbische gerichtheid.

3.1.

De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst als ook de lesbische gerichtheid van eiseres geloofwaardig. In het voornemen heeft de minister de problemen met de dieven ook als asielmotief aangemerkt en dit ongeloofwaardig bevonden. Eiseres heeft in de zienswijze dit asielmotief laten vallen, waardoor de problemen met de dieven in het besluit niet langer als asielmotief is aangemerkt.

3.2.

De minister vindt dat eiseres de gestelde vrees voor vervolging vanwege haar seksuele geaardheid door de maatschappij in Venezuela niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens de minister heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de discriminatie die zij heeft ervaren vanwege haar gerichtheid tot dusdanige ernstige beperkingen van haar bestaansmogelijkheden heeft geleid dat het onmogelijk was voor haar om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Bovendien leidt het openlijk uiting geven aan de seksuele gerichtheid voor lhbti’ers niet tot zwaarwegende problemen in Venezuela. Verder vindt de minister het niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Venezuela problemen zal ervaren met de autoriteiten vanwege haar lange verblijf in het buitenland. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond.

Wat voert eiseres in beroep aan?

4. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar asielaanvraag. Eiseres is van mening dat zij haar gestelde vrees voor vervolging vanwege haar seksuele geaardheid door de maatschappij voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit alle bronnen genoemd in de zienswijze (Voetnoot 2) blijkt dat lhbti-ers in Venezuela onder bittere omstandigheden hun hoofd boven water moeten houden. Als eiseres al een baan vindt, dan zal zij die meteen weer kwijtraken als men achter haar lesbische gerichtheid komt, terwijl van haar op dit punt geen terughoudendheid mag worden verlangd. Gelet op haar vrije en openbare lhbti-leven in Nederland kan van eiseres niet worden verlangd dat zij in Venezuela in het openbaar geen uiting meer kan geven aan haar seksuele gerichtheid. Verder voert eiseres aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom lhbti-personen geen risicoprofiel vormen. De minister is daarbij niet inhoudelijk ingegaan op de ernstige veiligheidsproblemen waaronder lhbti-ers in Venezuela gebukt gaan. Volgens het rapport US Department of State 2024 bestaat voor lhbti-ers een gebrek aan bescherming, waardoor zij die bescherming ook niet vragen. Verder blijkt uit het EASO Country report dat er überhaupt geen betrouwbare statistieken beschikbaar zijn, waardoor hun situatie niet goed te kennen valt. Eiseres voert tenslotte aan dat zij bij terugkeer gegronde vrees heeft voor vervolging wegens landverraad en/of politieke overtuiging. Vanwege haar langdurig verblijf in het buitenland wordt eiseres door de huidige machthebbers in Venezuela als zeer verdacht aangemerkt. Daarbij kunnen de autoriteiten overal de sociale media en stemgedrag in het buitenland bekijken, waardoor zij weten dat eiseres voor de oppositie heeft gestemd en kritische posts heeft geplaatst. Eiseres verwacht daarom bij terugkeer problemen bij de grens van Venezuela.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiseres kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen gelijk heeft. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

6. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het behoren tot de lhbti-gemeenschap niet als risicoprofiel geldt in Venezuela. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er in Venezuela weliswaar wel moeilijkheden zijn voor de lhbti-gemeenschap, maar dat uit de openbare bronnen (Voetnoot 3) niet blijkt dat lhbti-ers in Venezuela worden uitgesloten van werk, een woning of medische zorg. Ook blijkt uit die bronnen niet dat zij worden blootgesteld aan ernstig geweld, ernstig discriminerende maatregelen van overheidswege of aan strafbepalingen gericht tegen lhbti’ers. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat de door eiseres in beroep overgelegde rapporten, die dateren van na het algemeen ambtsbericht, dit niet anders maken. Uit die rapporten volgt niet dat in zijn algemeenheid sprake is van blootstelling aan ernstig geweld, ernstig discriminerende maatregelen van overheidswege of strafbepalingen gericht tegen de lhbti-gemeenschap. Om die reden heeft de minister deze groep dan ook niet als risicoprofiel hoeven aanmerken.

7. Los van de vraag of lhbti-ers als risicoprofiel moeten worden aangemerkt, betekent het vallen onder een risicoprofiel niet automatisch dat eiseres te maken krijgt met vervolging of ernstige schade bij terugkeer. Het is namelijk aan eiseres om haar individuele vrees voor vervolging aannemelijk te maken, ook als zij zou vallen onder een risicoprofiel. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarin niet is geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

8. De rechtbank overweegt dat eiseres in Venezuela haar lesbische geaardheid verborgen heeft gehouden en dat zij daar persoonlijk geen problemen heeft ondervonden vanwege haar seksuele geaardheid. Uit de bronnen genoemd in de zienswijze blijkt niet dat de discriminatie waar lhbti’ers in Venezuela mee geconfronteerd worden zodanig ernstig is dat het onmogelijk is voor eiseres om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat het openlijk uiting geven aan de seksuele gerichtheid voor lhbti-ers en daarmee voor eiseres, tot zwaarwegende problemen zal leiden in Venezuela. Ook het beroep van eiseres op landeninformatie waaruit volgt dat de registratie van het aantal geweldincidenten mogelijk niet volledig is vanwege een beperkte aangiftebereidheid, leidt niet tot de conclusie dat eiseres zwaarwegende problemen zal ondervinden. Uit die landeninformatie volgt nog steeds niet dat eiseres zelf risico loopt om slachtoffer te worden van geweld vanwege haar seksuele geaardheid of dat zij geconfronteerd zal worden met zodanig ernstige discriminatie dat dit haar zal beperken in haar bestaansmogelijkheden. Daarmee heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van discriminatie op grond van seksuele geaardheid die als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag is aan te merken. De rechtbank begrijpt wel dat eiseres vreest dat zij te maken zal krijgen met discriminatie, maar de minister heeft in dat verband terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de situatie voor de lhbti-gemeenschap in Venezuela weliswaar niet altijd gemakkelijk is, maar daarmee niet onhoudbaar. (Voetnoot 4)

9. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook op het standpunt mogen stellen dat eiseres, gezien de wijze waarop zij haar seksuele geaardheid in het verleden heeft geuit en momenteel uit, haar daarover afgelegde verklaringen en de situatie in Venezuela ten aanzien van lhbti’ers, geen risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. De minister heeft hiervoor terecht verwezen naar een rapport van de CGVS uit 2024 (Voetnoot 5). Daaruit blijkt dat er een wantrouwen bestaat vanuit de autoriteiten richting terugkerende Venezolaanse asielzoekers, maar dat het van iemands activiteiten na terugkeer en diens profiel afhangt of iemand werkelijk problemen krijgt met de autoriteiten. Eiseres heeft niet onderbouwd dat de autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de kritische Facebook-posts, die volgens eiseres inmiddels zijn verwijderd. Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar politieke voorkeur bij terugkeer in de schijnwerpers van de autoriteiten zal staan. Daarbij heeft de minister mogen meewegen dat eiseres na een eerder langdurig verblijf in het buitenland, naar Venezuela is teruggekeerd en dat zij heeft verklaard toen geen problemen te hebben ondervonden.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 8 mei 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Voetnoot 2

Eiseres verwijst onder andere naar Freedom House rapport Venezuela 2024, Human Rights Watch World Report 2024, Venezuela; het US Department of State 2024, het rapport van Bundesambt für Migration und Flüchtlinge (BAMF) van november 2024 en het EASO Country Report Venezuela van 24 augustus 2020.

Voetnoot 3

Het Algemeen Ambtsbericht Venezuela, juni 2020, p. 46 en 47.

Voetnoot 4

Zie de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2048, rechtsoverweging 7.2.1.

Voetnoot 5

[internetsite]