Overwegingen
Overwegingen
1.1.
Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Hij heeft op 4 december 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
1.2.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser was tot april 2023 in zijn woonplaats Villa Gorgona (Colombia) werkzaam voor [naam 2]. Op 26 augustus 2023 is eiser benaderd door bendeleden van Los Ratones, omdat [naam 2] kennelijk door hen als deserteur wordt gezien. Eiser moest hen binnen een week laten weten waar [naam 2] verbleef, anders zou de bende eiser als militair doelwit aanmerken. Op 27 augustus 2023 is eiser tegengehouden en werd hem verteld dat hij niet moest vergeten dat hij nog maar een week had. Op 28 augustus 2023 heeft eiser aangifte gedaan bij de Fiscalia. Er werd hem toen aangeraden om naar een andere stad te verhuizen. Eiser is toen naar zijn tante in Cali gegaan. Hier heeft eiser te maken gehad met lichte bedreigingen. Zo ontving hij papieren waarop stond dat hij ten dode was opgeschreven. Op 30 september 2023 is eiser naar een tante in de buurt van Palmira vertrokken. Op 10 oktober 2023 heeft eiser een rouwboeket ontvangen met een briefje van Los Ratones waarop stond dat hij ging sterven. Op diezelfde dag hebben twee motorrijders geprobeerd om eiser aan te vallen. Eiser heeft aan hen kunnen ontkomen en is vervolgens ondergedoken. Eisers familie werd hierna ook bedreigd. Eiser heeft toen besloten om Colombia te verlaten. Dat heeft hij op 21 oktober 2023 gedaan. Bij terugkeer naar Colombia vreest eiser te worden vermoord door de bende Los Ratones.
2.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen door de bende Los Ratones.
2.2.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De problemen door de bende Los Ratones heeft verweerder echter ongeloofwaardig, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte asielmotief levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop, en nu eiser zijn asielaanvraag volgens verweerder niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Het bestreden besluit omvat tevens een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn.
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat verweerder zijn problemen met de bende Los Ratones ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hij stelt hiertoe dat hij consistent, helder en in detail heeft verklaard over zijn problemen met de bende. Zo heeft eiser voorbeelden genoemd van andere slachtoffers van deze bende en uitgelegd waarom hij doodsbang is voor de bende. Eiser heeft aangifte gedaan tegen de bende, maar de opvolging hiervan is zwak. Eiser heeft verder landeninformatie aangehaald waaruit blijkt dat de bende Los Ratones actief is in Colombia, dat er sprake is van (toegenomen) bendegeweld en dat er geen daadwerkelijke en effectieve bescherming door de autoriteiten bestaat tegen bendegeweld. (Voetnoot 1) Gelet op eisers problemen had verweerder ook geen terugkeerbesluit mogen opleggen.
Het oordeel van de rechtbank
4.1.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas aangiftes van hemzelf en zijn zus bij de Fiscalia overgelegd alsmede screenshots van berichten waaruit, volgens hem, blijkt dat twee collega’s van hem zijn vermoord door de bende Los Ratones. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij hiermee zijn asielrelaas met objectieve documenten heeft onderbouwd (‘stap 2a’ van WI 2024/6), volgt de rechtbank dit standpunt niet. In de aangifte is namelijk, zoals verweerder terecht heeft gesteld, slechts opgetekend wat eiser en zijn zus tegenover de Fiscalia hebben verklaard. Er staan geen vaststellingen of bevestigingen van de Fiscalia in dat de door eiser en zijn zus aangegeven incidenten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Verder geldt, zoals verweerder eveneens terecht heeft gesteld, dat in de screenshots van berichten niet de namen van de desbetreffende personen zijn vermeld, laat staan dat het om collega’s van eiser gaat, en dat daaruit ook niet blijkt dat die personen zijn vermoord door de bende Los Ratones en wanneer. Aan deze door eiser overgelegde documenten komt dan ook niet de bewijswaarde toe die eiser daaraan gehecht wil zien.
4.2.
Nu eiser zijn gestelde problemen met de bende Los Ratones dus niet met objectieve documenten heeft onderbouwd, heeft verweerder de verklaringen van eiser hierover op geloofwaardigheid beoordeeld (‘stap 2b’ van WI 2024/6). Verweerder heeft eisers gestelde problemen met de bende ongeloofwaardig geacht, onder andere omdat eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen in de zin van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Verweerder heeft aan dit standpunt in het voornemen, gehandhaafd bij het bestreden besluit, zeven concreet gemotiveerde argumenten ten grondslag gelegd, te weten: (1) uit de overgelegde documenten (aangiftes bij de Fiscalia) blijkt niet dat eiser problemen heeft met de bende Los Ratones, (2) eiser verklaart summier over de bende Los Ratones, (3) het is bevreemdend dat eiser na 28 augustus 2023 geen contact meer heeft opgenomen met de politie over zijn problemen met de bende, (4) eiser verklaart wisselend over zijn verblijf(periodes) bij zijn tantes en kan de naam van het dorp waar hij bij een tante heeft verbleven niet benoemen, (5) eiser verklaart (in zijn vrije relaas) summier over de problemen met Los Ratones, (6) eiser verklaart tegenstrijdig over wat er met zijn woning is gebeurd en heeft hiervoor geen goede reden, en (7) eiser verklaart summier en tegenstrijdig over de bedreigingen van zijn neefjes en zus.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat verweerders zijn standpunt dat eisers problemen met Los Ratones ongeloofwaardig zijn uitvoerig en concreet heeft gemotiveerd. Eiser, op zijn beurt, heeft dit geloofwaardigheidsoordeel in zijn beroepschrift slechts met summiere en algemene gronden bestreden. Eiser heeft in beroep over zijn verklaringen enkel aangevoerd dat hij wél consistent, helder en in detail heeft verklaard over zijn problemen, dat hij voorbeelden heeft genoemd van andere slachtoffers van de bende, dat hij heeft uitgelegd waarom hij doodsbang is voor de bende en dat hij aangifte heeft gedaan. Hiermee heeft eiser echter geen van de hiervoor genoemde zeven gemotiveerde argumenten van verweerder – waaruit volgt op welke specifieke punten de verklaringen van eiser ontoereikend zijn – op concrete wijze bestreden en ook niet concreet toegelicht op welke punten de motivering van verweerder te kort zou schieten. Eiser heeft in beroep verder verwezen naar landeninformatie waaruit blijkt dat er sprake is van toenemend bendegeweld in Colombia, maar ook dit betreft geen concrete betwisting van één of meer van de hiervoor genoemde zeven gemotiveerde argumenten van verweerder. Bovendien geldt dat verweerder in het bestreden besluit heeft erkend dat er in zijn algemeenheid in Colombia ernstige problemen zijn vanwege criminele bendes, maar dat dit, gelet op de zeven tegenwerpingen, niet maakt dat daarmee eisers individuele problemen met een bende geloofwaardig zijn. Voorts heeft eiser in beroep nog verwezen naar een artikel waaruit blijkt dat Los Ratones in Colombia actief is, maar ook hiermee bestrijdt eiser niet concreet één of meer van de zeven gemotiveerde argumenten van verweerder. Verweerders argument als genoemd onder (2) houdt immers niet in dat Los Ratones niet bestaat, maar dat eiser slechts weinig over die bende heeft kunnen verklaren. Overigens geldt dat verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt dat uit voormeld artikel over Los Ratones blijkt dat die bende actief is in Bogota, terwijl eiser uit de omgeving van Cali komt, welke steden honderden kilometers van elkaar vandaan liggen.
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Nu niet is voldaan aan déze voorwaarde heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen van eiser met de bende Los Ratones ongeloofwaardig zijn.
4.5.
Nu verweerders conclusie dat de gestelde problemen met de bende Los Ratones ongeloofwaardig zijn reeds kan worden gedragen door zijn standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw, hoeft niet meer te worden beoordeeld of verweerder zich ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en d, van de Vw. Voor zover eiser hiertegen gronden heeft aangevoerd, blijven die dan ook onbesproken.
4.6.
De slotsom is dat de door eiser aangevoerde beroepsgronden niet leiden tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw voordoet. Gelet hierop, en nu eiser de toegepaste ‘kennelijkheidsgrond’ van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw niet heeft bestreden, bestaat er ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond en evenmin voor het oordeel dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn heeft opgelegd (zie artikel 45 in verbinding met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw).
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.