Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:12193
Op 22 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.57347, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:12193. De plaats van zitting was Rotterdam.
Indicatie
Inreisverbod, kruisjesformulier, zienswijze, beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit alsook een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Overwegingen
1. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij middels het kruisjesformulier tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod niet heeft kunnen aangeven dat zij in Nederland getrouwd is of dat zij zwanger was. Ook heeft zij dit formulier onder tijdsdruk moeten invullen, omdat haar vlucht kort na dit gehoor stond gepland.
1.1.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres niet rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder is in dat geval op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gehouden een terugkeerbesluit op te leggen.
1.2.
Ten aanzien van het kruisjesformulier van het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit oordeelt de rechtbank dat hieruit blijkt dat aan eiseres wordt gevraagd of er redenen of bijzondere omstandigheden zijn waarom van een terugkeerbesluit moet worden afgezien. Eiseres heeft bij deze vraag ‘nee’ aangekruist. Daarnaast wordt op het formulier ook gevraagd of eiseres nader gehoord wenst te worden over het voornemen om aan haar een terugkeerbesluit op te leggen. Ook hier heeft zij ‘nee’ aangekruist. Zij heeft dit formulier vervolgens ondertekend. De rechtbank begrijp dat eiseres het formulier onder tijdsdruk heeft moeten invullen, omdat haar vlucht kort na dit gehoor stond gepland. Dit doet echter niet af aan het feit dat zij in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken of eventueel in een nader gehoor haar omstandigheden en belangen naar voren te brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
1.3.
Ten aanzien van het inreisverbod overweegt de rechtbank dat uit het voornemen van dit inreisverbod, dat gelijktijdig met het terugkeerbesluit aan eiseres is uitgereikt, blijkt dat aan eiseres een termijn van 28 dagen is toegekend om een zienswijze in te dienen waarin zij haar omstandigheden en belangen naar voren had kunnen brengen. Uit het proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van dit voornemen blijkt tevens dat een Russische vertaling van dit voornemen aan eiseres is uitgereikt. Niet in geschil is dat eiseres niet binnen de termijn van 28 dagen een zienswijze heeft ingediend. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres niet in de gelegenheid is geweest om haar zienswijze kenbaar te maken aan verweerder. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
2. Het beroep is ongegrond.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.