Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:12562

Op 7 May 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.8043, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:12562. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.8043
Datum uitspraak:
7 May 2026
Datum publicatie:
19 May 2026

Indicatie

Asiel; Dublin; Kroatië; interstatelijk vertrouwensbeginsel; c.k. arrest; Tarakhel; art. 17 Dublinverordening; beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.8043

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.E.F. Evers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 1) In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.

Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

4. Eiser betoogt dat voor Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. In Kroatië zal eiser namelijk geen medische behandeling ontvangen, nu de toegang tot gezondheidszorg voor asielzoekers beperkt is. Daarnaast is de opvangsituatie in Kroatië slecht. Eiser wijst op het AIDA-rapport over Kroatië van 2025. (Voetnoot 2) Verder heeft eiser verklaard dat hij in Kroatië gedwongen is zich uit te kleden en dat hij daarna werd geslagen. Ook heeft eiser verklaard dat hij door deze situatie psychische klachten heeft gekregen en zelfmoord heeft willen plegen. Eiser kon geen medische hulp vragen aan de Kroatische autoriteiten, omdat er geen tolk beschikbaar was. Ook kreeg hij geen medicatie. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde verder toegelicht dat eiser in Kroatië ook slachtoffer is geworden van verkrachting door Turkse onderdanen en dat hij ook twee keer door hen is mishandeld.

4.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij voor Kroatië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er geen sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 (Voetnoot 3) geoordeeld dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van 6 maart 2025 (Voetnoot 4) en 21 november 2025. (Voetnoot 5) De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen informatie naar voren heeft gebracht die aanleiding geeft om tot een andere conclusie te komen. Zo is het AIDA-rapport waar eiser naar verwijst uitgebracht vóór de laatstgenoemde uitspraak van de Afdeling. Daarbij komt dat de passages van het AIDA-rapport waar eiser naar verwijst geen wezenlijk ander beeld schetsen van de toegang tot basale medische zorg en opvangomstandigheden dan het AIDA-rapport over Kroatië van 2024 (Voetnoot 6), dat de Afdeling al heeft betrokken in haar uitspraak van 9 oktober 2024. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn ervaringen onvoldoende zijn, nu hij deze niet heeft onderbouwd. De minister heeft er in dit verband ook terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard maar twee dagen in Kroatië te hebben verbleven (Voetnoot 7) en dat hij niet eerder als Dublinclaimant aan Kroatië is overgedragen. Ook heeft de minister er terecht op gewezen dat als eiser problemen ervaart in Kroatië – met de medische zorg of anderszins – hij daarover een klacht bij de autoriteiten kan indienen.

Moet de minister van een overdracht afzien of individuele garanties van Kroatië vragen vanwege eisers gezondheidssituatie?

5. Eiser betoogt dat een overdracht aan de Kroatische autoriteiten zal leiden tot een reëel risico voor zijn gezondheid. Terugzending naar Kroatië zal een onmenselijke en vernederende behandeling inhouden. Eiser wijst op zijn behandelovereenkomst met zorginstelling Dimence en een verklaring van zijn psychiater. Ook betoogt eiser dat de minister individuele garanties van Kroatië moet vragen, omdat eiser anders geen toereikende opvang en gezondheidszorg zal krijgen. In Kroatië is er namelijk een tekort aan opvangplekken voor vluchtelingen. Ook bestaan er geen wettelijke richtlijnen en geen identificatieprotocol in Kroatië om kwetsbare asielzoekers te herkennen. Eiser wijst ook in dit kader op het AIDA-rapport. (Voetnoot 8)

5.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet van een overdracht aan Kroatië hoeft af te zien vanwege eisers gezondheidssituatie. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie (Voetnoot 9) volgt dat van een overdracht moet worden afgezien wanneer er een reëel risico bestaat dat de gezondheid van de vreemdeling aanzienlijk en onomkeerbaar achteruit zal gaan als gevolg daarvan. Hoewel uit de door eiser overgelegde medische stukken blijkt dat hij last heeft van een aantal psychische klachten, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit die stukken niet blijkt dat er in eisers geval sprake is van een dergelijk risico. In de overgelegde behandelovereenkomst wordt namelijk alleen genoemd dat de Dublinclaim vanuit Kroatië een stressor is voor eiser. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit onvoldoende is. Tijdens de zitting heeft eisers gemachtigde aanvullend gesteld dat er bij eiser sprake is van een suïciderisico, maar ook dit blijkt niet uit de overgelegde medische stukken. Daarnaast geeft eisers psychiater in zijn verklaring weliswaar aan dat het noodzakelijk is dat eisers behandeling voortgang vindt, maar niet dat deze behandeling in Kroatië niet vervolgd zou kunnen worden. Gelet op wat onder 4.1 is overwogen, mag de minister bovendien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan, en dus ook dat eisers medische problemen net zo goed in Kroatië kunnen worden behandeld als in Nederland.

5.2.

De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat hij geen individuele garanties hoeft te vragen van de Kroatische autoriteiten. Uit het AIDA-rapport blijkt weliswaar dat er geen gedetailleerde richtlijnen zijn voor hoe eventuele kwetsbaarheden bij asielzoekers kunnen worden herkend, maar wél dat de Kroatische autoriteiten dergelijke kwetsbaarheden moeten herkennen.  (Voetnoot 10) Tijdens de zitting heeft de minister bovendien voldoende toegelicht dat eisers medische gegevens met zijn toestemming met de Kroatische autoriteiten kunnen worden uitgewisseld, zodat zij hoe dan ook bekend zullen raken met de gezondheidssituatie van eiser. Verder volgt uit het AIDA-rapport dat psychische gezondheidszorg voor asielzoekers beschikbaar is en dat er ook verwijzingen hebben plaatsvonden naar psychiatrisch specialisten. (Voetnoot 11)Dat er in het algemeen capaciteitsproblemen kunnen zijn in de Kroatische asielopvang leidt ook niet tot de conclusie dat de minister individuele garanties hoeft te vragen. De capaciteitsproblemen zijn namelijk niet structureel, zoals de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van 9 oktober 2024 al heeft geoordeeld.

Heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij eisers asielaanvraag niet onverplicht in behandeling hoeft te nemen?

6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft tegen zijn gemachtigde verklaard dat hij in Kroatië vijandig werd behandeld door de autoriteiten. In Kroatië werd eiser gedwongen om zich uit te kleden, waarna hij werd geslagen. Hierna moest hij uren buiten in de kou en regen staan. Pas daarna heeft hij gedurende een maand opvang genoten, die echter van slechte kwaliteit was. Evenmin was er een tolk aanwezig tijdens de gedwongen afname van zijn vingerafdrukken en ondertekening van zijn asielaanvraag. De minister heeft de wijze waarop eiser door de Kroatische autoriteiten werd behandeld niet bestreden. Ook gelet op het feit dat eiser psychiatrisch patiënt is, ziet eiser niet in hoe de bovenomschreven feiten en omstandigheden redelijkerwijze niet tot de conclusie kunnen leiden dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt.

6.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hij eisers asielaanvraag niet onverplicht in behandeling hoeft te nemen en heeft dit ook voldoende gemotiveerd. Zo heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat een overdracht aan Kroatië voor eiser niet leidt tot onevenredige hardheid, omdat hij erop mag vertrouwen dat eiser ook in Kroatië kan worden behandeld voor zijn medische klachten en dat eiser daar ook toegang heeft tot medische zorg. Het tegendeel heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. De overige door eiser genoemde omstandigheden heeft de minister al betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en heeft de minister daarom niet nogmaals in dit verband hoeven bespreken. (Voetnoot 12)

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

AIDA Country Report: Croatia Update 2024, august 2025, pagina’s 102, 114.

Voetnoot 3

ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.

Voetnoot 4

ABRvS 6 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:919.

Voetnoot 5

ABRvS 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.

Voetnoot 6

AIDA Country Report: Croatia Update 2023, july 2024.

Voetnoot 7

Verslag van het aanmeldgehoor van 22 oktober 2025, pagina 2.

Voetnoot 8

AIDA Country Report: Croatia Update 2024, august 2025, pagina’s 118 en 181.

Voetnoot 9

Hof van Justitie 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K.)

Voetnoot 10

AIDA Country Report: Croatia Update 2024, august 2025, pagina 118.

Voetnoot 11

Idem, pagina’s 117-118.

Voetnoot 12

Dit volgt uit ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, rechtsoverweging 5.2.2 tot en met 5.3.1.