1. De rechtbank blijft bij al hetgeen in de eerdergenoemde tussenuitspraken is overwogen.
2. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 21 februari 2025 overwogen dat de rechtbank een zelfstandige verantwoordelijkheid heeft om te allen tijde het refoulementverbod te eerbiedigen en daarom in de onderhavige procedure, gelet op de specifieke, concrete feiten en omstandigheden, aanleiding ziet om over te gaan tot het benoemen van een deskundige.
3. De rechtbank heeft het iMMO tot deskundige benoemd en verzocht om medisch onderzoek te verrichten om zo het medisch toestandsbeeld van eiser in kaart te brengen en te onderzoeken wat de somatische en psychische klachten van eiser zijn.
4. De iMMO-rapportage is op 20 januari 2026 door de psychiater en arts internationale gezondheid die het forensisch medisch onderzoek hebben verricht ondertekend. In deze rapportage is onder meer het navolgende vermeld:
1.4
Aanleiding voor en context van de onderzoeksaanvraag
Betrokkene heeft asiel aangevraagd in Nederland. Hierbij bleek dat in Polen een asielaanvraag geregistreerd is. (…)
De rechtbank wenst te beschikken over informatie over de huidige somatische en psychische klachten van de vreemdeling, zodat de rechtbank daarna kan beoordelen of Bureau Medische Advisering om een advies moet worden gevraagd ten behoeve van de vraag of de vreemdeling kan worden overgedragen en zo ja, op welke wijze mogelijke waarborgen moeten worden geboden. Het opvragen van het medische dossier heeft naar oordeel van de rechtbank onvoldoende informatie opgeleverd om een oordeel te kunnen vormen.
(…)
4. Betrouwbaarheid van het medisch onderzoek
De onderzoekers hebben geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van het onderzoek te twijfelen. Er is een hoge mate van consistentie tussen de klachten die beschreven zijn in het huisartsendossier (M01), die betrokkene geuit heeft aan de rechtbank, en die in het huidige onderzoek naar voren komen. Het klinische beeld van betrokkene komt overeen tussen beide rapporteurs (psycholoog en arts).
De in anamnese gerapporteerde klachten op gebieden van slaap, depressieve stemming en PTSS komen overeen met de uitkomsten van de vragenlijsten en de bij het psychiatrisch onderzoek geobserveerde beeld van een sombere, aangeslagen man met nachtelijke herbelevingen en ernstige slaapstoornissen welke ook in de heteroanamnese van naaste bevestigd worden.
5. Samenvatting, beantwoording vraagstelling en conclusie
(…)
Zijn psychiatrische voorgeschiedenis in Somalië is blanco. In Nederland heeft hij kortdurend psychische zorg bij de huisarts van het GZA gehad (M01) bestaande uit eenmalig een voorschrift van angst-dempende medicatie, een kortdurend voorschrift van (off-label) slaapmedicatie en contacten bij de praktijkondersteuner GGZ, gericht op post-traumatische stress klachten. Het huisartsendossier vermeldt het voornemen te verwijzen naar de specialistische GGZ i.v.m. verdenking op een posttraumatische-stressstoornis echter is deze verwijzing om onbekende reden niet tot stand gekomen.
Betrokkene vermeldt bij anamnese intrusieve symptomen bestaande uit: zich opdringende
ongewenste herinneringen, nachtmerries, herbelevingen en sterke emotionele en lichamelijke reacties (variërend van hartkloppingen tot krachtverlies en verlammingsverschijnselen) als gevolg van traumatische gebeurtenissen die hij beschrijft te hebben meegemaakt in detentie in Polen. In het bijzonder betreft dit een herinnering aan het omgooien van een stapelbed waarin hij lag door de gewapende bewakers, de dreiging van gebruik van hun vuurwapen en het herhaaldelijk door schreeuwend gewapende bewakers worden gewekt in de nacht. Betrokkene droomt over de bewakers, hoort hun stemmen en schrikt wakker in de nacht. Hij heeft een sterke emotionele reactie bij het zien van zaken die hem aan Polen doen denken (bijvoorbeeld een Pools autokenteken). Er is sprake van vermijding van gedachten en gevoelens die herinneringen aan Polen oproepen en hij trekt
zich mede om er niet over te hoeven praten terug uit sociaal contact. Hij rapporteert negatief veranderde stemming en cognities (‘er is iets mis met mij’, ‘de wereld is gevaarlijk’) en er is sprake van uitgesproken hyperarousal, o.a. schrikachtigheid, prikkelbaarheid en zeer forse in- en doorslaap problemen.
Bovenstaande klachten passen bij posttraumatische-stressstoornis en worden ook bevestigd in de PCL-5 vragenlijst.
Zijn gerapporteerde slaapproblemen zijn ernstig en omvatten naast in- en doorslaapproblemen, nachtmerries en uit bed komen en rondlopen in de nacht, eenmaal tot aan snelweg, waar hij zich niet van bewust is.
Voorts rapporteert betrokkene een sombere stemming, interesseverlies, verminderde eetlust met gewichtsverlies, een gebrek aan energie en gestoorde concentratie, passend bij een depressie. Deze klachten komen ook naar voren in de BSI en PHQ-9 vragenlijsten.
Zijn klachten gaan gepaard met duidelijk verminderd functioneren, waarbij er sprake is van
uitgesproken terugtrekgedrag uit sociale contacten. Betrokkene mijdt omgang met anderen deels om te vermijden te spreken over traumatische ervaringen, deels om niet geconfronteerd te hoeven worden met de stagnatie van zijn asielprocedure, en deels vanuit verminderde energie als onderdeel van depressieve klachten.
De voortdurende onzekerheid over een mogelijke gedwongen terugkeer naar Polen, waar betrokkene herhaling van eerdere omstandigheden vreest, onderhoudt de klachten.
Bij het psychiatrisch onderzoek wordt een sombere man gezien met een vlak affect, die aangeslagen vertelt over traumatische gebeurtenissen met voelbaar hoge lijdensdruk. Hij bagatelliseert de ernst van zijn depressieve klachten en zijn verminderde interesse en zelfzorg, welke ook te observeren zijn bij het onderzoek. Hij oogt vermoeid, hij drinkt niets en slaat eten af.
De psychische klachten kunnen worden geclassificeerd worden volgens de DSM-V als een
posttraumatische-stressstoornis (PTSS) en een depressie. De ernst van de slaapklachten
verantwoordt aanvullende classificatie van een slaap gerelateerde stoornis – insomnia – met nachtelijk gedrag dat zowel zou kunnen passen bij dissociatieve klachten als onderdeel van PTSS als bij somnambulisme (slaapwandelen).
Betrokkene rapporteert geen chronische lichamelijke ziekten en heeft geen medicatie op voorschrift. Hij beschrijft klachten van het linkerbeen bestaande uit pijnklachten, verminderde kracht en sensibiliteitsstoornissen die betrokkene relateert aan een fractuur in het verleden. Daarnaast rapporteert hij dagelijks hoofdpijn, hartkloppingen, maagklachten en voorbijgaande episodes met krachtverlies en/of verlammingsverschijnselen die hij sterk linkt aan herinneringen aan gebeurtenissen in Polen. Naar onderliggende oorzaken voor deze klachten is geen aanvullend onderzoek verricht om onderliggend somatisch lijden uit te sluiten. Het door betrokkene gelegde sterke verband tussen het optreden van de lichamelijke klachten en herinneringen aan Polen zijn een aanwijzing dat deze lichamelijke klachten mogelijk te begrijpen zijn als depressie- en angstequivalenten.
(…)
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij gelet op de inhoud van de iMMO-rapportage niet aan Polen kan worden overgedragen omdat dit van onevenredige hardheid zou getuigen. Eiser loopt het risico om als ‘Dublin-terugkeerder’ in detentie te geraken en dit dient te worden voorkomen gelet op de eerdere traumatisch ervaringen van eiser.
6. Verweerder heeft zich, ook na kennisname van de iMMO-rapportage, op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Polen kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Tevens stelt verweerder zich op het standpunt dat uit de iMMO-rapportage volgt dat sprake is van psychische problematiek, maar dat niet blijkt dat de medische voorzieningen in Polen niet toereikend of toegankelijk zouden zijn, dan wel dat Nederland de meest aangewezen lidstaat is om een behandeling te ondergaan. Verweerder heeft ook aangegeven dat niet is gebleken dat de feitelijke overdracht tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor de gezondheid van eiser zal leiden, waarbij verweerder heeft opgemerkt dat eiser kennelijk geen behandeling voor zijn psychische klachten ondergaat.
7. De rechtbank overweegt allereerst dat het door de rechtbank ambtshalve verrichte onderzoek naar de gezondheidssituatie van eiser ziet op de vraag of de overdracht aan Polen moet worden verboden op grond van artikel 4 van het Handvest en niet ziet op de vraag of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag van eiser onverplicht te behandelen. De rechtbank overweegt verder dat het door de rechtbank ambtshalve verrichte onderzoek naar de gezondheidssituatie van eiser ook niet ziet op de vraag of de medische voorzieningen in Polen toereikend of toegankelijk voor eiser zullen zijn na ene mogelijke overdracht of op de vraag of Nederland de meest aangewezen lidstaat is om eiser te behandelen.
8. De rechtbank heeft het iMMO in de onderhavige procedure als deskundige benoemd omdat de rechtbank wil weten of er een reëel en voorzienbaar risico bestaat dat de overdracht van eiser aan Polen zodanige negatieve gevolgen heeft voor de gezondheidssituatie van eiser, dat deze overdracht in strijd met artikel 4 van het Handvest moet worden geacht. Ook voor zover ten aanzien van Polen zou moeten worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kan een ernstige verslechtering van de gezondheid van eiser namelijk op zichzelf een 4 Handvest-schending opleveren. Deze beoordeling staat dus los van de vraag of sprake is van systeemfouten in de opvang en asielprocedure die de zogenoemde ‘Jawo-grens’ bereiken omdat het gaat om de beoordeling van de mogelijke gevolgen van de overdracht als zodanig.
9. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:19325) over deze beoordeling de navolgende prejudiciële vragen aan het Hof gesteld:
(…)
I Dient artikel 4 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, artikel 27, eerste lid, van Verordening 604/2013 en artikel 43, eerste lid onder a en b, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat een derdelander slechts kan worden overgedragen in het kader van Verordening 604/2013 en Verordening 2024/1351 wanneer het uitgesloten is dat de weerslag van het overdrachtsbesluit een reëel en bewezen risico inhoudt dat deze derdelander wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van dat artikel 4 van het Handvest en dat artikel 4 van het Handvest zich er daarom tegen verzet dat de bevoegde nationale autoriteit, waaronder begrepen de rechterlijke autoriteit, de weerslag van het overdrachtsbesluit op de gezondheidstoestand van deze derdelander alleen in aanmerking neemt om te onderzoeken of de derdelander in staat is om te reizen?
II Dienen artikelen 1 en 4 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, artikel 27, eerste lid, van Verordening 604/2013 en artikel 43, eerste lid onder a en b, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit controleert, verplicht is om, zo nodig ambtshalve, vast te stellen dat de overdracht op grond van Verordening 604/2013 en Verordening 2024/1351 absoluut verboden is en niet kan worden opgeschort indien uit objectieve gegevens blijkt dat de opschorting van de overdracht op zichzelf een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand, dan wel onverenigbaar moet worden geacht met de menselijke waardigheid?
(…)
10. Deze procedure is door het Hof geregistreerd als C-675/25, Abrazov. Op 18 april 2026 zijn afschriften van de schriftelijke opmerkingen van Nederland, Finland en de Europese Commissie aan de rechtbank betekend met de mededeling dat de rechtbank van het verdere verloop van de procedure op de hoogte zal worden gehouden.
11. De rechtbank moet eerst beoordelen of de overdracht moet worden verboden op grond van artikel 4 van het Handvest. De rechtbank ziet gelet op de inhoud van de iMMO-rapportage aanleiding om de behandeling van het beroep in de onderhavige procedure aan te houden totdat het Hof de vragen van de rechtbank in de procedure C-675/25, Abrazov heeft beantwoord. Nadat het Hof deze vragen heeft beantwoord, zal de rechtbank zich nader beraden of verweerder BMA om een advies over de overdracht moet verzoeken.
12. Indien verweerder vanwege de door eiser op 9 maart 2026 en 19 maart 2026 overgelegde stukken aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiser alsnog inhoudelijk te behandelen of indien eiser gelet op deze stukken een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM indient en dit tot vergunningverlening leidt, verzoekt de rechtbank om partijen hiervan op de hoogte te stellen.
13. Beslist wordt als volgt.