Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:12942

Op 6 May 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.22208, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:12942. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.22208
Datum uitspraak:
6 May 2026
Datum publicatie:
21 May 2026

Indicatie

Bewaring, beroep, grondslag van de maatregel, maatregel van bewaring, lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.22208

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Grondslag van de maatregel

1. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Ten aanzien van de a-grond betoogt eiser dat zijn identiteit in belangrijke mate vaststaat. De personalia van eiser zijn namelijk bekend en eiser heeft hierover verklaringen afgelegd. Tevens heeft eiser aangegeven dat hij zijn identiteitsdocumenten kan laten overleggen dan wel opnieuw kan aanvragen. Onder deze omstandigheden ontbreekt de noodzaak om eiser in bewaring te stellen met het oog op identiteitsvaststelling. Ten aanzien van de b-grond betoogt eiser dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk is voor het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Hiertoe voert eiser aan dat hij reeds een asielaanvraag heeft ingediend en bereid is daaraan medewerking te verlenen.

2. Voor toepassing van de a-grond geldt als vereiste dat de bewaring noodzakelijk is voor het vaststellen van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Hiervan is sprake wanneer de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid vaststaat, en wanneer (ten minste) twee zware dan wel twee lichte gronden, of een zware en een lichte grond kunnen worden tegengeworpen (zie artikel 5.1c, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb).

3. Naar het oordeel van de rechtbank is de a-grond terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Eiser heeft namelijk geen identificerende documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit, waardoor deze – anders dan eiser zelf betoogt – met onvoldoende zekerheid vaststaan. Dat eiser voorafgaand aan zijn inbewaringstelling verklaringen heeft afgelegd over zijn identiteit en nationaliteit, betekent nog niet dat deze daarmee ook met voldoende zekerheid vaststaan. Verder heeft verweerder onder meer de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd, omdat deze zich feitelijk voordoen (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829). Uit het rechtbankdossier blijkt dat eiser niet in het bezit is van een (geldig) reisdocument. Verweerder heeft hier naar het oordeel van de rechtbank terecht de conclusie aan verbonden dat eiser daarmee Nederland niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd. De enkele, niet onderbouwde stelling van eiser dat hij Europa met het vliegtuig is ingereisd, acht de rechtbank onvoldoende. De zware grond 3a is daarom feitelijk juist en daarmee dus terecht aan eiser tegengeworpen. Ten aanzien van de zware grond 3b stelt de rechtbank vast dat ook deze grond feitelijk juist is. Zoals volgt uit de toelichting in de maatregel van bewaring heeft eiser geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf bij de korpschef, waarmee hij zich heeft onttrokken aan het toezicht op vreemdelingen. Dit wordt door eiser niet betwist. De zware grond 3b is daarom dus ook terecht aan eiser tegengeworpen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de a-grond terecht aan de bewaring ten grondslag gelegd.

4. Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de maatregel eveneens op de b-grond van artikel 59b van de Vw kunnen baseren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals de uitspraak 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2852), volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen.

5. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3. vastgesteld dat verweerder de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Uit deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hiermee is, zoals in rechtsoverweging 4. is overwogen, dus ook gegeven dat bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag van eiser. Dat eiser heeft aangegeven bereid te zijn om mee te werken, maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de b-grond terecht aan de bewaring ten grondslag gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

Maatregel van bewaring

6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

7. Eiser betwist alle zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiser voert hiertoe aan dat verweerder niet heeft aangetoond dat er sprake is van illegale binnenkomst in Nederland. Verder betoogt eiser dat het niet melden bij de korpschef onvoldoende is om te concluderen dat hij zich heeft onttrokken aan het toezicht. Ook meent eiser dat hij verklaringen heeft afgelegd over dat hij zijn documenten zal verkrijgen, en hieruit niet geconcludeerd kan worden dat hij niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit. Nu eiser zich in een lopende asielprocedure bevindt acht eiser dat ook de laatste zware grond hem niet kan worden tegengeworpen, nu de verplichting tot terugkeer niet op hem van toepassing is. Met betrekking tot de lichte gronden voert eiser aan dat het niet naleven van verplichtingen zelfstandige betekenis mist omdat het is afgeleid van de zware gronden. Verder zou eiser wel een vaste verblijfplaats hebben bij zijn vriendin in Rotterdam en eigen middelen van bestaan hebben door inkomsten uit werkzaamheden in Spanje. Volgens eiser heeft verweerder deze gronden niet nader onderzocht en voldoende gemotiveerd.

8. Zoals onder rechtsoverweging 3. is overwogen, heeft verweerder de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. De zware gronden 3a en 3b, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bestreden gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

9. Eiser betwist dat verweerder ten onrechte niet heeft volstaan met het opleggen van een lichter middel. Uit de maatregel van bewaring volgt niet dat een lichter middel, waaronder een meldplicht, dan wel verblijf bij partner of borgstelling, overwogen is door verweerder. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder het risico op onttrekking aan het toezicht onvoldoende individueel gemotiveerd heeft en de motivering grotendeels berust op standaardoverwegingen. De vriendin van eiser is woonachtig in Nederland en eiser heeft ook familieleden in Nederland en in andere lidstaten binnen de Europese Unie. Verder heeft eiser een verblijfadres in Spanje. Daarnaast heeft eiser verklaard bereid te zijn medewerking te verlenen. Volgens eiser is er sprake van een onevenredige belangenafweging nu verweerder tekortgeschoten is door deze omstandigheden niet mee te nemen in de besluitvorming.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Uit het proces-verbaal van de ophouding, voorafgaand aan de maatregel van bewaring, volgt dat eiser het adres van zijn vriendin op dat moment niet wist en niet kon delen. Verder is niet gebleken dat eiser een afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf in Spanje heeft. Dit laatste heeft verweerder nog actief onderzocht en gebleken is dat eiser geen verblijfsrecht heeft in Spanje. Bovendien wijst de rechtbank in dit kader op het feit dat eiser zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken. Gelet op het voorgaande hoefde verweerder dan ook geen lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

11. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felic, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.