Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:12954

Op 11 May 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.8164, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:12954. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.8164
Datum uitspraak:
11 May 2026
Datum publicatie:
21 May 2026

Indicatie

Eiser komt uit Venezuela en heeft een aantal jaren in Peru verbleven. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft naar het oordeel de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht om terug te gaan naar Peru omdat niet alle relevante omstandigheden van eiser zijn meegewogen. Ook heeft verweerder niet voldoende gemotiveerd dat Peru veilig is voor hem en hij daar geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Tot slot heeft verweerder niet alle relevante omstandigheden meegewogen bij het opleggen van het terugkeerbesluit

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.8164

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. Van Steijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft naar het oordeel de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht om terug te gaan naar Peru omdat niet alle relevante omstandigheden van eiser zijn meegewogen. Ook heeft verweerder niet voldoende gemotiveerd dat Peru veilig is voor hem en hij daar geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Tot slot heeft verweerder niet alle relevante omstandigheden meegewogen bij het opleggen van het terugkeerbesluit. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft op 3 december 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 februari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, R.A. Caicedo Larrea als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Venezolaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1993. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser kreeg problemen omdat hij in Venezuela aangesloten is geweest bij de oppositiepartij Acción Democrática (Voetnoot 1) van de Venezolaanse regering. Hij heeft verschillende activiteiten verricht voor die partij. Eiser is in Venezuela wegens zijn politieke activiteiten met de dood bedreigd door de colectivos (gewapende groeperingen).

3.1.

Eiser is toen naar Peru vertrokken en heeft daar van 2018 tot mei 2022 verbleven. Hij had daar geen verblijfsrecht, heeft veel met discriminatie te maken gehad en is zelfs ernstig mishandeld. Ook was er sprake van xenofobie in Peru. Het was voor eiser moeilijk om aan werk en een woonruimte te komen. Hij heeft daarom veel moeten wisselen van woonplek en van baan. Eiser heeft hierom Peru verlaten en is naar Venezuela teruggegaan omdat hij hoorde dat de situatie daar was verbeterd. Vervolgens is eiser in oktober 2022 naar Nederland gevlucht omdat hij wordt achtervolgd door het regime waarvan hij een tegenstander is. Bij terugkeer naar Venezuela vreest eiser dat de colectivos hun dreigement alsnog zullen uitvoeren.

3.2.

Eiser stelt dat het voor hem niet mogelijk is om terug te gaan naar Peru omdat hij niet aan de benodigde documenten voor een visum kan komen. Daarbij wil hij ook niet terug naar Peru vanwege de situatie voor Venezolanen daar.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw (Voetnoot 2), omdat verweerder Peru voor eiser als veilig derde land beschouwd. Verweerder acht eisers band met Peru zodanig dat het redelijk is voor eiser om naar dat land toe te gaan. Volgens verweerder is het ook aannemelijk dat eiser opnieuw zal worden toegelaten tot Peru. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat Peru een veilig land is, ook in eisers geval, en dat eiser aldaar niet bedreigd wordt met uitzetting. Verweerder acht het aannemelijk dat eiser in Peru toegang zal hebben tot gezondheidszorg en werkgelegenheid.

4.1.

Verweerder heeft aan eiser tevens een terugkeerbesluit opgelegd en daarbij op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten en dient terug te keren naar Peru. Het toetsingskader

5. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning niet-ontvankelijk worden verklaard als een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land kan worden beschouwd. Voor het tegenwerpen van een veilig derde land moet verweerder eerst beoordelen of de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land, dat het voor hem of haar redelijk is om daar naartoe te gaan.

5.1.

Daarna moet verweerder beoordelen of aannemelijk is dat de vreemdeling in beginsel tot dit land wordt toegelaten. Dit moet hij doen aan de hand van informatie uit algemene bronnen of op basis van verklaringen van de vreemdeling. Vervolgens is het aan de vreemdeling om met tegenbewijs te komen waaruit blijkt dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dit land voor de vreemdeling niet aanwezig zijn. Dit heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) aangevuld met het vereiste dat de vreemdeling inspanningen moet verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten, tenzij van hem of haar niet kan worden verlangd dat hij of zij opnieuw probeert toegang en verblijf in dat land te krijgen.

5.2.

Tot slot moet verweerder beoordelen of de vreemdeling in dit derde land volgens de beginselen genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb (Voetnoot 3) zal worden behandeld.

Heeft eiser toegang tot Peru?

6. Eiser stelt dat hij geen toegang kan krijgen tot Peru. Het is onvoldoende aannemelijk dat hij een visum kan krijgen, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat van hem kan worden verwacht dat hij online contact zoekt met de autoriteiten van zijn land van herkomst. Om een visum voor Peru te verkrijgen heeft eiser namelijk een antecedentenverklaring uit Venezuela nodig, wat (online) contact met de autoriteiten vereist. Eiser stelt dat dit niet van hem kan worden verwacht omdat hij een politiek opposant is en juist is gevlucht voor die autoriteiten. Dit is volgens eiser gebaseerd op een internationaal beginsel in het vluchtelingenrecht. Eiser verwijst in dit verband ook naar het Handbook On Protection Of Stateless Persons van het United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR). Voorts stelt eiser dat verweerder ten onrechte van hem verwacht dat hij een strafbaar feit pleegt of hem wil aanzetten tot het plegen daarvan door van hem te vergen dat hij een toeristenvisum aanvraagt terwijl hij niet beoogt Peru als toerist te bezoeken.

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gegeven dat aan de toelating mogelijk voorwaarden zijn verbonden, niet betekent dat eiser niet opnieuw tot Peru wordt toegelaten. Van eiser mag de nodige inspanning worden verwacht om te voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor Peru. Het is aan eiser om aan te tonen dat hij niet aan de voorwaarden kan voldoen en daarom niet zal worden toegelaten. Uit landeninformatie volgt wel dat het voor Venezolanen vanwege nieuwe wetgeving alleen mogelijk is om Peru in te reizen met een geldig paspoort en een geldig afgegeven visa. (Voetnoot 4) Uit eisers dossier is gebleken dat hij beschikt over een paspoort dat geldig is tot 2032, waardoor dit voor eiser geen belemmering vormt. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat eiser Peru kan binnenkomen met een toeristenvisum. Op zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat eiser ook een visum op humanitaire gronden zou kunnen krijgen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van eiser, in het kader van zijn inspanningsverplichting, mag worden verwacht dat hij (digitaal) de vereiste antecedentenverklaring opvraagt en dat hij hiervoor niet naar Venezuela hoeft te gaan of naar het Venezolaanse consulaat.

6.2.

De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Volgens vaste rechtspraak (Voetnoot 5) mag van eiser de nodige inspanning mag worden verwacht om toegang te verkrijgen tot Peru. De rechtbank volgt verweerder dat eiser niet heeft aangetoond dat hij niet aan de voorwaarden kan voldoen en daarom niet zal worden toegelaten. Eiser kan digitaal een antecedentenverklaring aanvragen, zonder zijn asielwens kenbaar te maken bij de Venezolaanse autoriteiten of aan te geven waar hij zich bevindt of waar hij naartoe wil. Voorts volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder van hem verwacht dat hij een strafbaar feit pleegt. Indien een vluchteling op een bepaald visum een land binnenkomt en vervolgens kenbaar maakt dat hij asiel wil aanvragen, dan komt de strafbaarheid van onrechtmatige binnenkomst te vervallen op grond van het Vluchtelingenverdrag (Voetnoot 6). De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Heeft eiser een zodanige band met Peru, dat van hem redelijkerwijs mag worden gewacht naar dat land te gaan?

7. Eiser stelt dat verweerder niet alle omstandigheden heeft meegewogen in het beoordelen van zijn band met Peru. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2025 (Voetnoot 7), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat verweerder bij het beoordelen van de band van een vreemdeling een redelijkheidstoets moet verrichten, waarbij alle relevante omstandigheden van de vreemdeling dienen te worden meegewogen. Eiser wijst hierbij op het feit dat hij een partner en een jong kindje heeft in Nederland, die allebei inmiddels over de Nederlandse nationaliteit beschikken, terwijl hij in Peru geen familie heeft.

7.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een zodanige band met Peru heeft, dat van hem redelijkerwijs mag worden verwacht naar Peru terug te keren. Op grond van paragraaf C2/6.3 van de Vc (Voetnoot 8) wordt aangenomen dat er een band is met het derde land als er sprake is van eerder verblijf in dat land. Verweerder noemt in dit verband dat eiser van 2018 tot en met mei 2022 in Peru heeft verbleven. Hij heeft daar op verschillende plekken gewoond en heeft er meerdere banen gehad, waarmee eiser in Peru in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien. Ook spreekt eiser de Spaanse taal. Hierdoor wordt zijn band met Peru zodanig geacht, dat het redelijk is voor hem om naar dat land toe te gaan. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de sterkte van eisers banden met Nederland van belang zijn voor de toets in het kader van artikel 8 van het EVRM (Voetnoot 9), maar dat dit niets te maken heeft met de redelijkheidstoets die de Afdeling uitvoert. Verweerder verwijst in het kader hiervan naar een uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021 (Voetnoot 10). Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat hij in dit stadium van de procedure nog geen ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM hoeft uit te voeren.

7.2.

De rechtbank stelt voorop dat uit overweging 2.3 van de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021 volgt dat de reikwijdte van de redelijkheidstoets een plicht voor verweerder omvat om deugdelijk te motiveren dat het redelijk is om van een vreemdeling te verwachten dat deze afreist naar een veilig derde land en daar asiel aanvraagt, daarbij rekening houdend met alle individuele omstandigheden die relevant zijn voor de beoordeling van de band die een vreemdeling heeft met het tegengeworpen veilig derde land. In die zaak diende tevens te worden meegewogen dat de vreemdeling geen familie meer in het derde land had. Het feit dat deze omstandigheid tevens raakt aan het belang van de vreemdeling om zijn of haar gezinsleven in Nederland uit te oefenen, is volgens de Afdeling onvoldoende om die omstandigheid in het kader van de redelijkheidstoets geheel buiten beoordeling te laten.

7.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de reikwijdte van de redelijkheidstoets in deze procedure te nauw heeft opgevat. Verweerder heeft namelijk niet meegewogen dat eiser inmiddels een partner én een kind heeft in Nederland, die allebei over de Nederlandse nationaliteit beschikken, en geen familie meer in Peru. Daarmee heeft verweerder niet alle relevante omstandigheden betrokken in de redelijkheidstoets.

7.4.

De beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft naar het oordeel de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht om terug te gaan naar Peru omdat niet alle relevante omstandigheden van eiser zijn meegewogen.

Is Peru veilig voor eiser?

8. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende bij het bestreden besluit heeft betrokken waarom eiser is vertrokken uit Peru naar Venezuela (terwijl die feiten niet zijn bestreden), dat hij vanuit Venezuela direct naar Nederland is gegaan en dat eiser nooit legaal is geweest in Peru. Daarbij bestrijdt eiser verweerders standpunt dat een mishandeling met bewustzijn verlies als gevolg, niet de grens van artikel 3 van het EVRM bereikt. Bovendien heeft verweerder dit standpunt niet nader gemotiveerd.

8.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat Peru veilig is voor eiser. Volgens verweerder wordt op basis van een aantal informatiebronnen zoals genoemd in artikel 3.37e van het VV (Voetnoot 11) geoordeeld dat Peru een veilig derde land is. Vreemdelingen worden in Peru op grond van de beginselen genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb behandeld. Verweerder stelt zich ook op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser in Peru door discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied zou kunnen functioneren. Overeind blijft dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Peru niet als veilig derde land voor hem kan worden beschouwd. Eiser heeft immers vanaf 2018 tot mei 2022 in Peru verbleven en hij heeft kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Hoewel aannemelijk is geworden dat eiser in Peru als Venezolaan te kampen had met discriminatie, blijkt uit eisers verklaringen volgens verweerder niet dat die discriminatie zo’n grote invloed had dat eiser onmogelijk op

maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Eiser heeft in Peru altijd kunnen werken en in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Hij had toegang tot woonruimte, werk en – op een enkele keer na – gezondheidszorg. Uit eisers verklaringen is niet gebleken dat er sprake is van een situatie die zodanig slecht is dat gesproken kan worden van een schending van artikel 3 van het EVRM.

8.2.

De rechtbank merkt op dat uit IB 2024/59 (Voetnoot 12) blijkt dat Peru voor Venezolanen als veilig derde land kan worden aangemerkt indien zij niet worden bedreigd met uitzetting en naar Peru kunnen terugkeren. Tevens dient in de gehoren extra aandacht te worden gegeven aan de vraag of zij in Peru toegang hadden tot gezondheidszorg en werkgelegenheid en of zij het slachtoffer zijn geworden van discriminatie.

8.3.

De rechtbank constateert dat verweerder eiser kennelijk volgt in zijn stelling dat hij ernstig is mishandeld in Peru en hierdoor buiten westen is geraakt. Verweerder heeft de mishandeling in het bestreden besluit weliswaar opgenomen in de weergave van de zienswijze maar heeft deze omstandigheid niet kenbaar gemotiveerd meegewogen in de beoordeling van de vraag of Peru veilig is voor eiser en ook niet in de beoordeling van de vraag of eiser een refoulementrisico loopt in Peru. De enkele conclusie dat de verklaring van eiser geen schending van artikel 3 van het EVRM oplevert, geldt niet als zodanig. Dit is een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

Had verweerder een terugkeerbesluit aan eiser mogen opleggen?

9. Onder overwegingen 7.4. en 8.3. heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet alle relevante omstandigheden heeft meegenomen in zijn beoordeling van de vraag of Peru als veilig derde land kan worden beschouwd ten aanzien van eiser. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder ook niet alle relevante omstandigheden heeft meegewogen in het kader van het terugkeerbesluit. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank niet een actuele non-refoulement beoordeling gemaakt, zoals volgt uit het arrest Ararat en de rechtspraak van de Afdeling (Voetnoot 13). Ook op dit punt is daarom sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

10.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

10.2.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die kunnen worden vergoed.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 februari 2025;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramondt, rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Later werd dit Mesa de la Unidad Democrática genoemd.

Voetnoot 2

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 3

Vreemdelingenbesluit 2000.

Voetnoot 4

Factsheet Peru als veilig derde land, p. 11.

Voetnoot 5

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480, onder 6, en de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4358, onder 3.1.

Voetnoot 6

Artikel 31 van het Verdrag van Gèneve betreffende de status van vluchtelingen.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RVS:2025:4848, overweging 4.1.

Voetnoot 8

Vreemdelingencirculaire 2000.

Voetnoot 9

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 10

ECLI:NL:RVS:2021:122, overweging 2.2.

Voetnoot 11

Voorschrift Vreemdelingen 2000.

Voetnoot 12

Informatiebericht 2024/59 Beoordeling veilig derde land – Peru.

Voetnoot 13

Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.