Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:13471
Op 20 May 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.22313, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:13471. De plaats van zitting was Arnhem.
Indicatie
Asiel; verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening; onvoldoende gemotiveerd waarom eiser is ondergedoken; gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister tot verlenging van de termijn om eiser aan Kroatië over te dragen (de overdrachtstermijn). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de verlenging van de overdrachtstermijn.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verlenging van de overdrachtstermijn niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij de overdrachtstermijn mocht verlengen op de grond dat eiser is ondergedoken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 13 april 2026 heeft de minister de overdrachtstermijn van eiser verlengd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 1 november 2025 een asielaanvraag ingediend. Op grond van de Dublinverordening heeft de minister vastgesteld dat niet Nederland, maar Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van deze asielaanvraag. De minister heeft Kroatië daarom op 18 december 2025 verzocht om eiser terug te nemen. Kroatië heeft dit verzoek op 30 december 2025 geaccepteerd.
3.1.
De minister heeft de asielaanvraag van eiser vervolgens met het besluit van 24 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit besluit omvat ook een overdrachtsbesluit. Eiser heeft hier beroep tegen ingesteld. Deze zittingsplaats van de rechtbank heeft dit beroep met haar uitspraak van 7 mei 2026 ongegrond verklaard. (Voetnoot 1)
3.2.
Met het bestreden besluit van 20 april 2026 heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd, omdat eiser uit de opvang is vertrokken en niet aan de minister heeft laten weten waarheen. (Voetnoot 2) Volgens de minister is daarmee sprake van onderduiken.
Mocht de minister de overdrachtstermijn verlengen?
4. Eiser betoogt dat de minister de overdrachtstermijn niet mocht verlengen. De minister mag dat alleen doen als een vreemdeling onderduikt, en daarvan is pas sprake als de betrokken vreemdeling zich doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten houdt om een overdracht te frustreren. (Voetnoot 3) Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. Eiser verbleef aanvankelijk in [plaats 1], waar een wekelijkse meldplicht op donderdag geldt. Omdat deze opvanglocatie per 3 april 2026 sloot, is eiser overgeplaatst naar [plaats 2]. Daar geldt een wekelijkse meldplicht op woensdag. Dat wist eiser echter niet, waardoor hij die meldplicht had gemist. Deze heeft hij ook niet op donderdag kunnen inhalen, omdat toen niemand van de beveiligingsdienst aanwezig was. Eiser heeft al die tijd in [plaats 2] verbleven. Pas op de volgende woensdag kon hij weer in [plaats 2] aan de meldplicht voldoen. Toen het hem opviel dat hij geen leefgeld meer ontving, bleek dat eiser uit het systeem van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) was verwijderd en dat zijn verstrekkingen waren stopgezet. Daarom heeft hij zich vervolgens (uit nood) in [plaats 3] moeten melden. Voor zover eiser uit beeld is geweest, was dit voor korte tijd. Bovendien was het einde van de overdrachtstermijn nog niet in zicht en was er nog geen overdracht ophanden, omdat eiser het verzoek om een voorlopige voorziening hangende zijn beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag nog in Nederland mocht afwachten.
4.1.
Het betoog van eiser slaagt. De minister heeft de overdrachtstermijn van eiser ten onrechte verlengd, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij vindt dat eiser was ondergedoken.
4.1.1.
Van ‘onderduiken’ in de zin van de Dublinverordening is sprake als een asielzoeker er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oog om deze overdracht te voorkomen. Dat wordt vermoed het geval te zijn wanneer de vreemdeling zijn woonplaats verlaat zonder de bevoegde autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te stellen én de vreemdeling van tevoren is geïnformeerd over de verplichtingen die in dat kader op hem rusten. (Voetnoot 4)
4.1.2.
De rechtbank begrijpt het bestreden besluit en het verweerschrift zo dat aan de verlenging van de overdrachtstermijn ten grondslag ligt dat eiser zich op 1 april 2026 had moeten melden bij het COa in [plaats 2] en dat niet heeft gedaan. Dat betekent dat de rechtbank moet beoordelen of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser op 1 april 2026 was ondergedoken.
4.1.3.
Op zitting heeft eiser verklaard dat de opvanglocatie van het COa in [plaats 1] zou sluiten op 3 april 2026 en dat hij een week van tevoren een brief kreeg dat hij zou worden overgeplaatst naar een opvanglocatie van het COa in [plaats 2]. Deze brief bevindt zich niet in het dossier. Eiser verklaart dat hij op 27 maart 2026 naar [plaats 2] is vertrokken en dat hij daar vanaf dat moment heeft verbleven. Eiser verklaart ook dat hij bij aankomst in [plaats 2] niet is geïnformeerd over de daar geldende meldplicht op woensdag. De minister heeft deze verklaringen van eiser op zitting niet betwist en in het dossier bevinden zich verder geen stukken met betrekking tot de overplaatsing van eiser naar een andere opvanglocatie, zodat de rechtbank uitgaat van de feiten zoals die door eiser zijn gepresenteerd. Uit de bijlage bij het verweerschrift blijkt vervolgens dat in het interne systeem van de Immigratie- en Naturalisatiedienst over eiser is geregistreerd dat hij de opvanglocatie van het COa op 1 april 2026 zou hebben verlaten. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting verklaard dat dit het missen van de meldplicht zou zijn geweest. Omdat deze datum een woensdag is en in [plaats 1] een meldplicht op donderdag geldt, leidt de rechtbank uit deze registratie af dat van eiser werd verwacht dat hij zich op 1 april 2026 meldde op de opvanglocatie in [plaats 2] en dat eiser deze meldplicht heeft gemist.
4.1.4.
Nog daargelaten dat uit het voorgaande niet duidelijk wordt wanneer eiser formeel is geregistreerd op de opvanglocatie in [plaats 2] (als van een vorm van formele registratie al sprake is geweest) en per wanneer dus voor hem een meldplicht op woensdag gold, volgt uit het voorgaande ook dat eiser niet is geïnformeerd over een wekelijkse meldplicht op woensdag. De minister heeft daar desgevraagd ook geen helderheid over kunnen verschaffen. Gelet op wat onder 4.1.1 is overwogen kan daarom niet worden gezegd dat eiser op 1 april 2026 is ondergedoken in de zin van de Dublinverordening, zodat de minister de overdrachtstermijn niet op die grond mocht verlengen. De stelling van de minister dat eiser zich pas veel later, op 16 en 20 april 2026, weer bij het COa heeft gemeld en zodoende een periode van ongeveer twee weken buiten beeld is geweest, volgt de rechtbank niet. In de eerste plaats heeft de minister het over ‘contactregistraties’ op deze twee data. Dat sluit de feitelijke gang van zaken zoals door eiser is gepresenteerd niet uit. Verder doet dat er feitelijk niet aan af dat eiser in eerste instantie niet is geïnformeerd over de meldplicht op woensdag in [plaats 2] en juist het missen van de meldplicht op 1 april 2026 aan het bestreden besluit ten grondslag ligt.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de verlenging van de overdrachtstermijn niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de minister – gelet ook op wat onder 4.1.4 is overwogen – op zitting niet alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser op 1 april 2026 is ondergedoken. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of om de bestuurlijke lus toe te passen.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk € 934, met een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
Beslissing
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoot
Voetnoot 1
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 7 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10995.
Voetnoot 2
Dat is mogelijk op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
Voetnoot 3
Eiser wijst op ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630 en op HvJEU 19 maart 2019, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), r.o. 62.
Voetnoot 4
HvJEU 19 maart 2019, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), r.o. 56, 61-62 en 70. Vergelijk ook paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000.