Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:13529

Op 26 May 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.18858, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:13529. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.18858
Datum uitspraak:
26 May 2026
Datum publicatie:
26 May 2026

Indicatie

Dublin Frankrijk. Zorgvuldigheidsgebrek, beroep gegrond, bestreden besluit vernietigd, rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.18858

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

mede namens haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3], V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] en [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.M. Straver),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, mevr. Bensmail als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat het beroep gegrond is, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiseres uiteindelijk ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 1) In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft hierop niet tijdig gereageerd. Dat staat gelijk aan het aanvaarden van het verzoek.

Loopbrief

5. Eiseres voert aan dat de loopbrief niet aan het dossier is toegevoegd en pas bij het bestreden besluit door de minister is overgelegd. Deze brief is relevant voor de berekening van de termijn voor het indienen van het terugnameverzoek. De minister had deze brief in de fase voorafgaand aan de besluitvorming aan eiseres moeten verstrekken. Daarmee is sprake van een gebrek.

6. De rechtbank stelt vast dat de minister de loopbrief bij bekendmaking van het bestreden besluit aan het dossier heeft toegevoegd. Uit het besluit blijkt dat de loopbrief dateert van 1 december 2025, evenals de asielaanvraag van eiseres. De minister heeft op 9 januari 2026 tijdig een terugnameverzoek bij Frankrijk gedaan. Hoewel het op de weg had gelegen van de minister om al in de besluitvormingsfase de loopbrief over te leggen en niet pas bij het bestreden besluit ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiseres door de gang van zaken in haar belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.

Standaard voornemen

7. Eiseres voert aan dat de minister gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen. De belangen van de minderjarige kinderen zijn ten onrechte niet gemotiveerd betrokken in het voornemen. Hierdoor is sprake van onzorgvuldige besluitvorming.

8. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Weliswaar is het voornemen in meer algemene bewoordingen gesteld, maar hierin is wel opgenomen wat de minister van plan is te gaan beslissen, namelijk het niet in behandeling nemen van eiseres haar asielaanvraag en de voorgenomen overdracht aan Frankrijk. Vervolgens is eiseres in de gelegenheid gesteld om in haar zienswijze hierop te reageren. In het besluit gaat de minister in op de relevante elementen, verklaringen en de zienswijze van eiseres. En dat besluit ligt nu ter toetsing voor. De rechtbank zien dan ook geen aanleiding het besluit wegens een tekortschietende voorbereiding te vernietigen. De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

9. Eiseres voert aan dat uit AIDA-rapporten vanaf 2018 blijkt dat er een tekort aan opvangplekken is, waardoor dit als een structurele tekortkoming dient te worden gezien. De situatie verbetert niet. Ook verwijst eisers naar het laatste AIDA-rapport update 2024, pagina 141, waaruit volgt dat mensen die een opvolgende aanvraag indienen geen opvang krijgen en Frankrijk opvang weigert wanneer dat mogelijk is.

10. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Frankrijk bevestigd in de uitspraken van 30 augustus 2024 (Voetnoot 2) en 27 november 2025 (Voetnoot 3). Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Frankrijk niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.

11. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Frankrijk sprake is van structurele, ernstige opvangproblemen. Voor zover Frankrijk in voorkomende gevallen geen opvangvoorzieningen biedt bij een opvolgende aanvraag, verwijst de rechtbank naar de Afdelingsuitspraak van 27 februari 2024 (Voetnoot 4) waarin de rechtbank wordt bevestigd in het oordeel dat dit niet in strijd is met artikel 20, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn. Gelet op artikel 20, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn worden dergelijke beslissingen tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen individueel, objectief en onpartijdig genomen en met redenen omkleed. Het beroep van eiseres op het AIDA-rapport, update 2024, maakt dat niet anders. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 juli 2025 (Voetnoot 5) geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024 heeft betrokken. Indien eiseres in Frankrijk toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen in de opvang of anderszins, kan zij hierover klagen bij de Franse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Franse autoriteiten voor eiseres niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.

Arrest Tarakhel

12. Eiseres doet een beroep op het arrest Tarakhel (Voetnoot 6). Hiertoe voert eiseres aan dat Frankrijk al meerdere jaren kampt met grote tekortkomingen in het bieden van opvang. Gelet op eiseres haar situatie, namelijk dat zij alleenstaande moeder is van drie minderjarige kinderen is en dat zij eerder gedwongen in de prostitutie heeft moeten werken om haar gezin te voorzien, moeten zij en haar kinderen worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar. De minister had daarom individuele garanties aan de Franse autoriteiten moeten vragen.

13. De rechtbank overweegt het volgende. In het arrest Tarakhel heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 (Voetnoot 7) volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van de betreffende bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. (Voetnoot 8)

14. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat er in het geval van eiseres sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest Tarakhel. Anders dan de betrokkenen in het arrest Tarakhel, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij en haar drie minderjarige kinderen als bijzonder kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Dat eiseres een alleenstaande moeder is met drie minderjarige kinderen is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Wat betreft de opvangsituatie heeft de rechtbank in overweging 11 al geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk geen sprake is van structurele, ernstige opvangproblemen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister om individuele garanties had moeten vragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

15. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hierbij verwijst eiseres naar hetgeen hierna aangevoerd met betrekking tot het horen en de belangen van haar minderjarige kinderen.

16. De rechtbank oordeelt als volgt. Voor zover eiseres betoogt dat de omstandigheden die zijn aangevoerd over het horen en de belangen van haar minderjarige kinderen moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dvo moet worden toegepast, wijst rechtbank op onderstaande overwegingen, waarin hierover wordt geoordeeld. Verder is niet gesteld of gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan overdracht aan Frankrijk alsnog van onevenredige hardheid zou getuigen. De minister mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Frankrijk onevenredig hard is. De beroepsgrond slaagt niet.

Belangen van de minderjarige kinderen

17. Eiseres stelt dat de minister de belangen van haar drie minderjarige kinderen zwaarder had moeten laten wegen. De belangen van de kinderen zijn niet op juiste wijze vastgesteld. Er is in het bestreden besluit niet concreet vastgesteld wat in het belang, welzijn, veiligheid en ontwikkeling is van de kinderen. Eiseres kon in Frankrijk haar kinderen niet in levensonderhoud voorzien en zij werden door de autoriteiten aan hun lot overgelaten. Hierdoor zag eiseres zich genoodzaakt om in de prostitutie te werken.

18. De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangen van de drie minderjarige kinderen voldoende kenbaar in het bestreden besluit heeft meegewogen. In het bestreden besluit is namelijk overwogen dat het in het belang is van de kinderen om samen hun moeder te blijven en dat niet is gebleken dat overdracht aan Frankrijk zal leiden tot het schaden van het welzijn van de kinderen of hun sociale ontwikkeling. Andere zwaarwegende belangen zijn niet gesteld of gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

Horen van het oudste minderjarige kind

19. Eiseres voert aan dat de minister haar oudste zoon van 8 jaar in de gelegenheid had moeten stellen om zijn mening mondeling kenbaar te maken. Door dat niet te doen heeft de minister artikel 6, derde lid, van de Dvo in samenhang met artikel 12 van het IVRM geschonden. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 augustus 2025 (Voetnoot 9) heeft de Afdeling geoordeeld dat, ondanks dat er geen absolute verplichting bestaat tot het rechtstreeks horen van begeleide minderjarigen, in elk afzonderlijk geval moet worden beoordeeld of het in het belang is van de minderjarige om gehoord te worden. Gelet op het feit dat de oudste zoon wat had willen zeggen, had de minister hem deze gelegenheid moeten geven. Daarbij merkt eiseres op dat de Afdeling heeft geoordeeld dat dit niet altijd schriftelijk moet. In deze situatie is mondeling horen het meest en best passend. Verder wijst eiseres op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 31 maart 2026 (Voetnoot 10). Het gaat daar weliswaar om een zaak in het kader van vreemdelingenbewaring, maar in overwegingen 14 en 16 wordt ook verwezen naar het familierecht en het procesreglement. Naast dat de minister de oudste zoon niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn mening kenbaar te maken, heeft de minister ook niet gemotiveerd waarom hiervan is afgezien.

23. De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting heeft de minister erkend dat de oudste zoon in de gelegenheid had moeten worden gesteld om zijn mening kenbaar te maken. De minister heeft op de zitting aangeboden de zoon alsnog schriftelijk zijn mening naar voren te laten brengen. Volgens eiseres volstaat dit niet en zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de oudste zoon (in een kindvriendelijke setting) gehoord moet worden.21. Hoewel de minister ter zitting heeft aangeboden om de oudste zoon alsnog zijn mening schriftelijk kenbaar te laten maken, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een gebrek bevat en daarmee niet zorgvuldig is voorbereid. De minister heeft het oudste kind in de fase voorafgaand aan het bestreden besluit namelijk niet in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Anders dan eiseres aanvoert, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025 niet dat artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Dvo en artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag de oudste zoon mondeling gehoord had moeten worden. De Afdeling heeft namelijk overwogen dat er geen absolute verplichting bestaat om een begeleide minderjarige vreemdeling altijd rechtstreeks te horen. Het in de gelegenheid stellen om gehoord te worden ziet dus niet noodzakelijkerwijs op mondeling horen. In de door eiseres aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 31 maart 2026 ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, nu dit een uitspraak betreft in het kader van vreemdelingenbewaring, waarbij aan het kind zelfstandig een maatregel van bewaring is opgelegd. 22. Nu het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid ziet de rechtbank daarin aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.

24. Zoals eerder overwogen heeft de minister op de zitting aangeboden om de oudste zoon alsnog schriftelijk zijn mening kenbaar te laten maken. Nu eiseres op de zitting van dit aanbod geen gebruik heeft willen maken ziet de rechtbank aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

25. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit. Wegens dit gebrek verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. Dit betekent dat de minister de aanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiseres en haar kinderen mag overdragen aan Frankrijk.

26. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 2 april 2026;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan de gemachtigde van eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

26 mei 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

ECLI:NL:RVS:2024:3552.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RVS:2025:5715.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RVS:2024:788.

Voetnoot 5

ECLI:NL:RVS:2025:3623.

Voetnoot 6

Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RVS:2015:3806.

Voetnoot 8

ECLI:NL:RVS:2020:223.

Voetnoot 9

ECLI:NL:RVS:2025:3901.

Voetnoot 10

ECLI:NL:RBDHA:2026:7646.