Beoordeling door de rechtbank
4. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer vreest voor de algemene onveilige situatie in Syrië. Verder heeft eiser verklaard dat een neef van hem in 2013 of 2014 twee mensen van een andere familie heeft gedood, waarna eisers oom door deze familie is ontvoerd en gedood. Eiser vreest bij terugkeer daarom voor bloedwraak van deze familie.
5. Het relaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Bloedwraak op eisers oom.
6. De minister vindt beide asielmotieven geloofwaardig. De minister vindt dat eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag is en dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt. Volgens de minister is in heel Syrië sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De informatie die eiser heeft overgelegd over de situatie in Syrië leidt niet tot een andere conclusie. Eiser heeft volgens de minister geen individuele, risico-verhogende omstandigheden naar voren gebracht. Verder vindt de minister dat niet valt in te zien dat eiser bij terugkeer naar Syrië te vrezen heeft voor bloedwraak. Eisers familie heeft sinds 2013/2014 geen andere negatieve gevolgen ondervonden van de andere familie en eiser heeft verklaard dat hij persoonlijk nooit iets van deze familie heeft vernomen. Bovendien is eiser pas in april 2021 uit Syrië gevlucht en heeft hij verklaard dat de directe aanleiding voor zijn vertrek de algemene oorlogssituatie in Syrië en de macht van Al Nusra was.
7. Eiser verzoekt om de zienswijze als volledig herhaald en ingelast te beschouwen.
8. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering in het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.
9. Eiser voert aan dat hij in de zienswijze wel is ingegaan op het asielmotief bloedwraak. De informatie over de conflicten tussen burgers in Al-Dana is specifiek opgenomen met het oog op dit individuele asielmotief. Een nadere toelichting leek niet nodig, omdat het asielmotief geloofwaardig is bevonden. Uit eisers verklaringen blijkt dat zijn vrees voor bloedwraak voortkomt uit de huidige onveilige humanitaire situatie. Er is zeer weinig bekend over het onderwerp bloedwraak/vendetta/vereffenen van oude schulden in het post-Assad tijdperk, maar het is wel een reëel probleem, ook voor terugkeerders. Eiser verwijst ter onderbouwing naar diverse nieuwsartikelen.
10. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Syrië te vrezen heeft in verband met bloedwraak. Eiser heeft na de gebeurtenissen nog ruim zeven jaar zonder dat hij persoonlijk problemen heeft ondervonden in Syrië verbleven en heeft bovendien blijkt uit zijn verklaringen dat de bloedwraak voor hem niet de directe aanleiding was om uit Syrië te vertrekken. Eisers verklaring op de zitting dat bloedwraak nooit verjaart, leidt niet tot een ander oordeel. Met deze verklaring heeft eiser nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk nog te vrezen heeft in verband met de gebeurtenissen in 2013/2014. Eiser heeft ook met de overgelegde informatie niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt in verband met de bloedwraak. Dat bloedwraak en vetes in (delen van) Syrië voorkomen, is daarvoor niet voldoende.
Algemene situatie (15c-situatie)
11. Eiser vindt dat in Syrië sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. (Voetnoot 2) Eiser wijst ter onderbouwing op landeninformatie van de World Health Organisation van 4 mei 2026 met betrekking de humanitaire omstandigheden in Syrië en op nieuwsberichten over geweldsincidenten in Syrië en in het herkomstgebied van eiser. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat de uitspraak van de Afdeling, (Voetnoot 3) waarnaar eiser in de zienswijze heeft verwezen, slechts betrekking heeft op Jemen. De minister gaat er met deze overweging volgens eiser aan voorbij dat de Afdeling in deze uitspraak ingaat op de relevante elementen van het toetsingskader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.
12. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de situatie in Syrië kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. (Voetnoot 4) Uit het recente Algemeen Ambtsbericht van Syrië van januari 2026 blijkt bovendien dat het aantal geweldsincidenten flink is gedaald. Ook het aantal burgerdoden is eind 2025 afgenomen in vergelijking met het begin van dat jaar. Deze dalende trend van geweldsincidenten vond ook plaats in Idlib (Voetnoot 5), waar eiser vandaan komt. Eiser heeft in de zienswijze en in beroep geen recente landeninformatie overgelegd die tot een ander oordeel kan leiden. De overgelegde informatie van het Hawar News Agency van 4 maart 2026 ziet op een aantal geweldsincidenten waarbij burgerslachtoffers zijn gevallen. De rechtbank merkt daarbij op dat dit informatie betreft over incidenten in een beperkte periode (24 uur), waardoor geen ander beeld wordt geschetst van de algemene situatie in Syrië. De rechtbank volgt de minister gelet hierop in de conclusie, dat in Syrië geen sprake is van een zodanige mate van willekeurig geweld dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in het gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade.
13. De rechtbank is verder van oordeel dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het AAB Syrië van mei 2025 - en bevestigd in het AAB van januari 2026 - blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. Hoewel humanitaire omstandigheden in zijn algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling, spelen de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat de motivering van de minister op dit punt voldoende deugdelijk is en acht deze in lijn met de uitspraak van de Afdeling waarnaar eiser verwijst.
14. Eiser voert aan dat de minister in het kader van het terugkeerbesluit had moeten toetsen aan het non-refoulementbeginsel. De minister kon niet volstaan met de enkele verwijzing naar verouderde informatie. Uit het EUAA (Voetnoot 6)-rapport blijkt volgens eiser niet dat de humanitaire situatie in Idlib minder ernstig is dat in andere delen van Syrië.
15. De beroepsgrond slaagt niet. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 10, 12 en 13 heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister kon daarom een terugkeerbesluit opleggen.