Overwegingen
De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eiseres heeft voldoende aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiseres daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
Voor aanvragen die zijn ingediend vóór 28 maart 2025 geldt een beslistermijn van 90 dagen na indiening daarvan. De minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden.3 De minister heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
4. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op
1. ECLI:NL:RBDHA:2025:15253.
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 ECLI:NL:RVS:2025:5787.
zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.4
Is het beroep van eiseres ontvankelijk?
5. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 17 juni 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit.5 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiseres dus ontvankelijk.
Is het beroep van eiseres gegrond?
6. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
7. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.6 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7
8. De minister heeft op 9 maart 2026 een verweerschrift ingediend, waarin hij heeft verzocht om een nadere beslistermijn van zestien weken. Hiertoe heeft hij aangegeven dat de aanvraag van eiseres inmiddels is toegewezen aan een behandelaar en dat aan eiseres per brief van 4 maart 2026 herstel verzuim is geboden om de aanvraag compleet te maken. De minister heeft in het verweerschrift tevens aangegeven voornemens te zijn om nader onderzoek, in de vorm van een gehoor, te verrichten.
9. De minister heeft de rechtbank op 21 mei 2026 schriftelijk laten weten dat eiseres de gevraagde informatie op 20 april 2026 heeft aangeleverd. De minister heeft ook aangegeven nog altijd voornemens te zijn om een gehoor af te nemen en blijft daarom bij zijn eerdere verzoek om een termijn van zestien weken op te leggen. Deze termijn is volgens de minister passend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen.
10. De rechtbank ziet in de uitleg van de minister aanleiding om een langere beslistermijn dan twee weken op te leggen. De rechtbank is echter van oordeel dat de gevraagde termijn van zestien weken te lang is. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister de periode van 20 april 2026 tot en met 21 mei 2026 onbenut heeft gelaten om voortgang te maken met de besluitvorming. Om recht te doen aan zowel het belang van eiseres bij een duidelijke beslistermijn als het belang van de minister om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen, legt de rechtbank een nadere beslistermijn op van twaalf weken. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.
4 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
5 ECLI:NL:RVS:2021:774.
6 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
7 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
11. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.8 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Mede onder invloed van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State van 31 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1792, hanteert deze zittingsplaats van de rechtbank bij opvolgende beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet langer het hogere tarief van € 250,-, met een maximum van € 37.500,-. Dit is slechts anders indien de rechtbank een sterke prikkel voor de minister nodig acht om tot een besluit op de aanvraag te komen. Daarvan is in deze zaak geen sprake.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen twaalf weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan moet hij een dwangsom betalen.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. De rechtbank volgt de minister niet in diens standpunt dat de zaak van “zeer licht” gewicht is, als gevolg waarvan een wegingsfactor van 0,25 zou moeten worden toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).