Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1998 en de Syrische nationaliteit te hebben. Op 17 april 2025 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft de Bulgaarse autoriteiten op 22 mei 2025 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. (Voetnoot 1) Op 23 mei 2025 hebben de Bulgaarse autoriteiten dit verzoek afgewezen omdat eiser in Bulgarije op 7 maart 2023 subsidiaire bescherming heeft gekregen. Daarop is eiser opgenomen in de nationale procedure.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). In dat artikel staat dat een asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Omdat eiser in Bulgarije internationale bescherming geniet gaat verweerder ervan uit dat hij een sterkere band heeft met dat land dan met Nederland. Het gegeven dat de echtgenote van eiser en hun minderjarige kind in Nederland in de opvang verblijven en nog in afwachting zijn van het besluit op hun asielaanvraag maakt dit niet anders. Ook acht verweerder zich niet verplicht om de aanvraag van eiser gezamenlijk te behandelen met de aanvragen van zijn echtgenote en kind. Verweerder stelt verder dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat eiser geen omstandigheden heeft gesteld die erop wijzen dat terugkeer naar Bulgarije een schending zou opleveren van artikel 3 EVRM (Voetnoot 2) zodat er geen reden is om af te zien van overdracht van eiser aan dat land. Verweerder heeft niet ambtshalve getoetst aan reguliere verblijfsgronden omdat deze mogelijkheid in deze omstandigheden op grond van artikel 3.6a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is uitgesloten.
4. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken van het beginsel dat aanvragen van gezinsleden gelijktijdig behandeld worden. Eiser erkent dat hij weliswaar geen gezinslid is van een asielvergunninghouder, maar stelt dat dit komtomdat verweerder er zo lang over doet om op de asielaanvragen van zijn echtgenote en minderjarige kind te beslissen. Ten tweede voert eiser aan dat verweerder het belang van het kind in het bestreden besluit niet heeft meegewogen, terwijl dat wel had gemoeten. Het belang van het kind moet immers een eerste overweging vormen bij alle handelingen of beslissingen in verband met het kind. Eiser verwijst naar de ‘Practical guide on the best interests of the child in the framework of international protection’ van het Asielagentschap van de Europese Unie. Eiser stelt dat hij een zeer betrokken vader is, dat hij een omgangsregeling heeft met het kind waarbij hij vier à vijf dagen per maand voor hem zorgt, en dat de moeder van het kind heeft verklaard dat zij van eiser wil scheiden en het kind aan hem wil afstaan. Het is volgens eiser in deze omstandigheden in het belang van het kind dat de omgangsregeling voortgezet kan worden en dat eiser dus in Nederland mag verblijven. Het standpunt van verweerder dat het gezinsleven ook in Bulgarije uitgeoefend kan worden miskent volgens eiser dat de moeder en het kind belang hebben bij een behandeling van hun asielaanvragen in Nederland.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de goede procesorde het toelaat dat op de ochtend van de zitting nader ingediende stukken door eiser bij de beoordeling van het beroep worden betrokken. Het betreft foto’s, verklaringen in het Arabisch voorzien van een machinevertaling en een medisch dossier van eiser van 9 pagina’s. De gemachtigde van eiser legt ter zitting uit dat door een fout van een collega van haar kantoor deze stukken pas kort voor de zitting aan het digitale dossier zijn toegevoegd. De stukken zijn bedoeld als nadere onderbouwing van de eerder door de gemachtigde (tijdig) ingediende beroepsgronden.
6. De goede procesorde is erop gericht dat partijen en ook de rechtbank op tijd op de hoogte zijn van de inhoud van de procedure, zich daarop kunnen voorbereiden en over en weer kunnen reageren. (Voetnoot 3) De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting uitgenodigd om eventuele nieuwe stukken niet later dan een werkdag voor de zitting, dus uiterlijk op woensdag 22 april 2026, in te dienen. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat het meenemen van de overgelegde foto’s niet in strijd is met de goede procesorde omdat zowel de rechtbank als verweerder hiervan zonder moeite snel kennis hebben kunnen nemen en de goede voortgang van de procedure ook niet op een andere wijze wordt belemmerd. Dit geldt echter niet voor de door eiser overgelegde Arabische verklaringen en het medische dossier. Deze verklaringen zijn voorzien van een onbegrijpelijke en kennelijk onvolledige machinevertaling. Het medische dossier is relatief uitgebreid en het is niet duidelijk op welke wijze dit een van de twee beroepsgronden inhoudelijk ondersteunt. De rechtbank overweegt hierbij ook dat er op grond van wat de gemachtigde van eiser heeft aangevoerd geen verschoonbare reden is waarom deze stukken zo laat aan het digitale dossier zijn toegevoegd. De rechtbank oordeelt daarom dat de goede procesorde zich verzet tegen de toelating van deze stukken. Zij beoordeelt alleen de beroepsgronden die op 1 september 2025 zijn ingediend en de op 23 april 2026 ingediende foto’s. Zij laat de door de gemachtigde van eiser ingediende verklaringen en medische stukken van 23 april 2026 buiten beschouwing.
Beoordeling van de beroepsgronden
7. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiser onafhankelijk van zijn echtgenote en kind, op een later tijdstip, zijn asielverzoek heeft ingediend. Nadat zijn vrouw en kind in Nederland asiel hadden aangevraagd, heeft eiser nog vijf of zes maanden in Bulgarije verbleven om te werken en zoals hij heeft verklaard ‘zaken af te ronden’. Pas daarna is hij ook naar Nederland gereisd en heeft daar asiel aangevraagd. De rechtbank beschouwt het feit dat eisers asielaanvraag niet gelijktijdig en in samenhang met die van zijn echtgenote en kind is behandeld een gevolg van zijn eigen handelen. Er bestaat voor verweerder geen verplichting om de aanvragen van gezinsleden gezamenlijk te beoordelen. Wel is het zo dat het uitgangspunt van verweerder is dat de aanvragen van gezinsleden zoveel mogelijk gezamenlijk worden behandeld om scheiding van directe gezinsleden zoveel mogelijk te voorkomen. Verweerder heeft in het bestreden besluit uitgebreid toegelicht waarom in dit geval van dit uitgangspunt is afgeweken. Hij wijst bovendien terecht op het feit dat eiser en zijn gezinsleden internationale bescherming genieten in Bulgarije en zij desgewenst dus gezamenlijk in Bulgarije kunnen verblijven. De rechtbank oordeelt daarom dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de vader is van een minderjarig kind dat, samen met zijn moeder – de echtgenote van eiser - rechtmatig verblijf heeft in Nederland in afwachting van het besluit op zijn asielaanvraag. Verweerder is niet op de hoogte van de omgangsregeling die eiser stelt te hebben met zijn zoon. Het bestaan van deze omgangsregeling is ook niet met stukken onderbouwd. De rechtbank begrijpt dat eiser belang hecht aan de omgang met zijn zoon, ongeacht of deze omgang gestoeld is op een formeel vastgelegde omgangsregeling. Uit wat eiser op zitting heeft verklaard begrijpt de rechtbank dat de moeder de verzorging van het kind weliswaar wil overdragen aan eiser, maar dat zij wel bij de opvoeding betrokken wil blijven. De vraag is of het belang van het kind verweerder in deze omstandigheden verplicht om eiser toe te staan (langer) in Nederland te verblijven. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit niet het geval is. Uit wat eiser heeft verklaard en de overgelegde stukken blijkt dat zowel eiser als zijn echtgenote en kind een verblijfsrecht hebben in Bulgarije. Hun recht op het uitoefenen van gezinsleven is dus niet in gevaar. Ook indien de echtgenote en het kind van eiser ervoor kiezen om de uitkomst van hun asielprocedure in Nederland af te wachten bestaat voor eiser –na een overdracht aan Bulgarije – de mogelijkheid om op basis van het vrije verkeer van personen binnen de Europese Unie (fysiek) contact te houden met zijn zoon. Door op deze omstandigheden te wijzen heeft verweerder in het bestreden besluit de belangen van het kind voldoende en voldoende kenbaar meegewogen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Eiser heeft de rechtbank verzocht alleen uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening, dit verzoek toe te wijzen en het beroep aan te houden tot definitief op de asielaanvraag van de echtgenote en het minderjarige kind van eiser is beslist, opdat het gezin zoveel mogelijk samen kan blijven. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de mogelijkheid voor eiser om het gezinsleven met zijn zoon (en zijn echtgenote) uit te oefenen, ook als hij wordt overgedragen aan Bulgarije, ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep aan te houden.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 1 juni 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.