Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:14790

Op 1 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.28827, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:14790. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.28827
Datum uitspraak:
1 June 2026
Datum publicatie:
3 June 2026

Indicatie

Asiel Turkije. Eiseres heeft een afgeleide verblijfsvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, maar stelt dat zij in aanmerking komt voor een zelfstandige asielvergunning. Eiseres stelt in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten te staan omdat zij de partner is van een Gülenist. De rechtbank is, anders dan de Afdeling, van oordeel dat de minister op basis van de landeninformatie niet tot de beleidswijziging van 1 december 2023 had kunnen komen. De rechtbank komt op basis van de landeninformatie tot de conclusie dat de minister niet deugdelijk heeft onderbouwd dat er sprake is van een verbetering in de positie van (vermeend) Gülenisten. Daarnaast komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister het asielrelaas en de gegronde vrees van eiseres onvoldoende heeft afgezet tegen de algemene situatie in Turijke zoals blijkt uit de aangehaalde landeninformatie in deze uitspraak. Verder dient de minister nader te onderzoeken wat het risico bij terugkeer is, nu eiseres de echtgenote is van een politieagent die ontslagen is in verband met - en thans weer strafrechtelijk onderzocht wordt voor banden met de Gülenbeweging. De minister heeft ook niet nader onderbouwd wat het feit dat eiseres zes keer van baan heeft moeten wisselen, betekent voor de vraag of zij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.28827

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1989, van Turkse nationaliteit, eiseres

(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. H. van Halteren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag voor bepaalde tijd.

1.1. Eiseres heeft op 27 juni 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 juni 2025 haar aanvraag afgewezen, maar aan eiseres een afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vw (Voetnoot 1) verleend.

1.2. Eiseres is het daar niet mee eens en stelt dat zij in aanmerking komt voor een zelfstandige asielvergunning (Voetnoot 2). Eiseres heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.

1.3. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de beroepsgronden die zij heeft aangevoerd.

2.1. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Asielrelaas

3. Eiseres legt het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag. Eiseres verklaart dat haar man werkzaam was bij de politie en in 2019 is opgepakt op verdenking van lidmaatschap van de Gülenbeweging in Turkije. Haar echtgenoot was in eerste instantie vrijgesproken, maar deze uitspraak is in 2023 vernietigd en zijn zaak wordt momenteel opnieuw onderzocht. Eiseres verklaart in Turkije [functie] in het onderwijs te zijn geweest. Vanwege de activiteiten van haar echtgenoot heeft zij zes keer van baan moeten wisselen tussen 2019 en 2023. Eiseres stelt sociaal te zijn buitengesloten door haar collega’s omdat zij zelf ook als lid van de Gülenbeweging wordt gezien. Eiseres heeft ook contacten gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft. Bij terugkeer vreest eiseres voor de Turkse autoriteiten.

Het bestreden besluit

4. Volgens de minister bestaat het asielrelaas van eiseres uit de volgende relevante elementen:

haar identiteit, nationaliteit en herkomst;

haar problemen door (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülenbeweging.

De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiseres geen gegronde vrees voor vervolging. Het is niet gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. De minister acht geloofwaardig dat zij op haar werk en in sociale kringen problemen heeft ervaren, maar zij heeft volgens de minister niet te vrezen voor aanhouding of vervolging bij terugkeer naar Turkije. Eiseres verklaart namelijk zelf geen problemen te hebben ervaren met de Turkse autoriteiten. Verder blijkt uit een document dat eiseres heeft overgelegd dat haar naam wordt genoemd in het strafproces van haar echtgenoot. Ook blijkt uit dit document dat er geen gegevens over eiseres gevonden zijn. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres daarom afgewezen.

4.1. De minister heeft vanwege de ambtshalve verlening van de afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vw aan eiseres geen voornemen voorafgaand aan het bestreden besluit uitgebracht.

De beoordeling van de rechtbank

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij met haar verklaringen zelfstandige asielmotieven naar voren heeft gebracht waaruit moet worden afgeleid dat zij persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging. Eiseres stelt dat zij als echtgenote van een Gülenist wél in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Het enkele feit dat haar naam wordt genoemd in het onderzoek van haar echtgenoot is daar een indicatie voor. Verder vreest eiseres voor spionnen in asielzoekerscentra in Nederland. Het ligt dan ook in de lijn der verwachtingen dat de negatieve belangstelling ten aanzien van eiseres bij terugkeer naar Turkije herleeft of toeneemt. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de minister met het nieuwe beleid een aanzienlijk zwaardere bewijslast oplegt. Eiseres verwijst in dat verband naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats, van 15 augustus 2024 (Voetnoot 3) en deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 24 oktober 2024 (Voetnoot 4). Uit landeninformatie blijkt dat de vervolging van Gülenisten in Turkije nog steeds extreem willekeurig is. Dat geldt ook voor familieleden van Gülenisten. De minister had op 1 december 2023 dan ook niet kunnen besluiten tot wijziging van het beleid ten aanzien van (vermeende) Gülenisten. (Voetnoot 5)

6. De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de Afdeling (Voetnoot 6) in haar uitspraken van 25 maart 2026 heeft geoordeeld dat de minister tot de beleidswijziging heeft kunnen komen. Daarvoor vindt de Afdeling steun in de landeninformatie over Turkije waaruit blijkt dat de vervolging van Gülenisten in Turkije minder ernstig is geworden na de couppoging van 2016. Op basis van het nieuwe beleid blijft er ook voor eiseres een individualiseringsvereiste gelden. Volgens de minister staat eiseres niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten. Uit de beroepsgronden is dat ook niet gebleken. De bronnen die eiseres aanhaalt onderbouwen de individuele vrees van eiseres niet. Zij zijn ouder dan het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025. Volgens de minister is niet gebleken dat zij een familielid van een hooggeplaatst Gülenist is. Zij heeft weliswaar vaak van baan moeten wisselen, maar is steeds aan nieuw werk gekomen, ook toen de problemen van haar man al aanwezig waren. Dit laat zien dat het niet aannemelijk is dat eiseres in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat eiseres vanwege de strafrechtelijke vervolging van haar man zes keer is overgeplaatst en dat haar collega’s om diezelfde reden geen contact met haar wilden. Eiseres mocht binnen de uitoefening van haar functie als [functie] ook geen overleggen met het Turkse ministerie bijwonen. Verder staat niet ter discussie dat de echtgenoot van eiseres politieman is, er (weer) een strafrechtelijk onderzoek naar hem loopt en dat de naam van eiseres in dit strafrechtelijk onderzoek eerder is genoemd. Ook wordt geloofwaardig geacht dat eiseres in Turkije contact heeft gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft.

7.1. Wat partijen verdeeld houdt, is of eiseres risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Turkije.

Wijziging van het beleid ten aanzien van (vermeende) Gülenisten in Turkije

8. De rechtbank ziet aanleiding zich eerst te buigen over de vraag of de minister over had kunnen gaan tot de beleidswijziging op 1 december 2023. Door deze wijziging geldt niet langer dat bij het ontbreken van geringe indicaties de risico’s bij terugkeer worden beoordeeld in het licht van de “diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten”.

8.1. De minister heeft er ter zitting op gewezen dat de beleidswijziging zijn oorzaak vindt in het feit dat de situatie in Turkije voor (vermeende) Gülenisten weliswaar nog steeds niet gunstig is, maar wel minder slecht dan voorheen. De minister wijst daarbij op de volgende drie aspecten. Er is een getalsmatige daling in het aantal strafrechtelijke vervolgingen van (vermeende) Gülenisten, de vervolging van (vermeende) Gülenisten is minder willekeurig dan voorheen en de rechterlijke macht kijkt strenger naar de strafrechtelijke bewijsvoering in Gülen-zaken. Ter nadere onderbouwing van de rechtmatigheid van de beleidswijziging verwijst de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026. (Voetnoot 7)

8.2. De rechtbank ziet zich aldus meer specifiek voor de vraag gesteld of de minister deugdelijk heeft onderbouwd dat er sprake is van een verbetering in de positie van (vermeende) Gülenisten in Turkije. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De rechtbank verlaat zich daarbij op de navolgende algemene landeninformatie. De rechtbank zal de drie door de minister aangedragen aspecten eerst afzonderlijk bespreken, steeds gevolgd door een tussenconclusie, en eindigen met het oordeel dat uit de landeninformatie niet volgt dat de situatie ten aanzien van (vermeende) Gülenisten beter is geworden.

I. De getalsmatige daling in het aantal vervolgingen van (vermeende) Gülenisten

De intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken

9. Uit de Algemene ambtsberichten Turkije van 2023 en 2025 (hierna: ambtsbericht 2023 en ambtsbericht 2025) volgt dat de intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken onverminderd groot blijft. In het ambtsbericht 2025 staat geschreven:

De Turkse autoriteiten maakten gelijk duidelijk dat hun strijd tegen de Gülenbeweging onverdroten zou doorgaan. Op 21 oktober 2024 deelde Hakan Fidan, de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, mee dat de Turkse regering niet zou verslappen in de bestrijding van de Gülenbeweging. Op dezelfde dag riep het Turkse ministerie van Defensie de volgelingen van Gülen op om zich over te geven aan de Turkse overheid. Begin november 2024 woonde president Erdogan een topbijeenkomst bij van de Organisatie van Turkse Staten in de Kirgizische hoofdstad Bisjkek. Daar zei hij: ‘Onze strijd tegen alle vormen van terrorisme, in het bijzonder tegen FETÖ, zal ononderbroken doorgaan’.” (Voetnoot 8)

9.1.

Uit een rapport van de Finse immigratiedienst volgt dat de Turkse minister van Defensie op 13 december 2023 een persbericht heeft doen uitgaan waarin werd aangegeven dat sinds de mislukte coup 23.971 mensen die betrokken waren bij de Gülenbeweging uit de militaire dienst zijn ontslagen. Daarin staat ook “the fight against FETÖ continues until there is not a single person affiliated with the movement among the personnel of the armed forces” (Voetnoot 9)

9.2.

Tijdens een bijeenkomst op 15 juli 2025 ter herdenking van de militaire coup in 2016 refereerde president Erdogan aan de Gülenbeweging als een virus dat nog niet weg is: “We defeated traitors during the 2013 probes and on July 15, but we have not yet completely removed the FETÖ virus from the body.” (Voetnoot 10)

De aanpak van (vermeende) Gülenisten in de praktijk

10. Volgens cijfers uit juli 2023 van het Turkse Ministerie van Justitie zijn sinds de coup in 2016 bij elkaar 122.632 mensen veroordeeld voor vermeende banden met de Gülenbeweging, waarvan er op dat moment nog 12.108 in de gevangenis zaten. Tegen 67.893 mensen liep in juli 2023 nog een strafrechtelijk onderzoek inzake vermeende banden met de Gülenbeweging. (Voetnoot 11) Volgens cijfers van de Turkse overheid zijn in de periode 2016-2018 als gevolg van banden met de Gülenbeweging 125.678 overheidsdienaren ontslagen. (Voetnoot 12)

10.1.

De UK Home Office schrijft dat er kritiek is op de door de Turkse overheid aangedragen cijfers. Zo geven geraadpleegde experts aan dat uit andere cijfers van de Turkse overheid blijkt dat in de periode 2016 – 2020 meer dan 265.000 mensen zijn veroordeeld voor lidmaatschap van een terroristische organisatie. (Voetnoot 13) De Finse immigratiedienst schrijft dat twee door hen geraadpleegde bronnen het aantal strafrechtelijke onderzoeken naar vermeende Gülenisten sinds 2016 op 2.000.000 schatten. (Voetnoot 14) Volgens een geraadpleegde expert zouden er bij elkaar voorts 400.000 overheidsdienaren zijn ontslagen sinds de militaire coup. (Voetnoot 15)

10.2.

Uit de ambtsberichten 2023 en 2025 volgt dat (vermeende) Gülenisten nog steeds regelmatig op grotere of kleine schaal door de Turkse autoriteiten worden gearresteerd (Voetnoot 16). Ter illustratie wordt onder andere gewezen op een door de Turkse overheid vrijgegeven overzicht van gerichte (landelijke) acties in de verslagperiode 10 januari tot 23 oktober 2023, waarbij in totaal 1.824 personen zijn aangehouden. (Voetnoot 17)

10.3.

Human Rights Watch schrijft in haar jaarverslag over 2024 (Voetnoot 18):

“Thousands of people face detention, investigations and unfair trials on terrorism charges for alleged links with the movement led by deceased US-based cleric Fethullah Gülen (…). Many have faced arbitrary imprisonment with no effective remedy after mass removal from civil service jobs and the judiciary.”

10.4.

In een bericht van het Turkse Ministerie van Justitie van 12 juli 2024 verklaart de minister dat er op dat moment tegen 61.769 mensen een strafrechtelijk onderzoek vanwege FETÖ (Voetnoot 19) loopt en dat bij 23.052 mensen het proces net is begonnen. (Voetnoot 20)

10.5.

In een rapport van 21 januari 2025 schrijft hoogleraar Vande Lanotte dat in Turkije jaarlijks nog steeds enkele duizenden Gülenisten worden vervolgd. (Voetnoot 21)

10.6.

Uit het ambtsbericht 2025 volgt dat de Turkse overheid zich in de loop van de tijd ook is gaan richten op “burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en/of hun familieleden”. Deze personen worden door de Turkse overheid verdacht van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging (Voetnoot 22). Ook hoogleraar Vande Lanotte maakt melding van de verdenking van ‘herstructurering’ (Voetnoot 23). Vande Lanotte beschrijft dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging.

10.7.

Ook de Finse Immigratiedienst maakt melding van ‘herstructuringsoperaties’, gericht tegen personen die bezig zouden zijn met het herstructureren of opnieuw opbouwen van de Gülenbeweging. (Voetnoot 24) Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat het helpen van een Gülenist die in de gevangenis zit, waarschijnlijk het meest gehanteerde criterium is om een nieuw strafrechtelijk onderzoek te starten. (Voetnoot 25) Een andere expert geeft aan dat het merendeel van de personen die verdacht worden van herstructurering al eerder onderzocht waren vanwege banden met de Gülenbeweging. Onder deze personen zitten “family members of those still in prison as well as those individuals, either in Turkey or abroad, whose sentences have not yet been finalized, their family members and their ‘close circle’.” (Voetnoot 26)

10.8.

Op basis van het onderzoek van de Finse Immigratiedienst kunnen daarnaast nog twee andere categorieën mensen in de negatieve belangstelling van de Turkse politie en justitie komen te staan. Dit betreft enerzijds het gebruik van publieke telefooncellen en treft met name militairen (de zogenoemde ‘payphone-investigations’). Volgens een geraadpleegde expert kunnen deze onderzoeken nog heel lang duren omdat er zo’n 90.000 openbare telefooncellen in Turkije zijn. Anderzijds lopen ook personen die na de coup van 2016 de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt een risico op vervolging. Het gaat dan bijvoorbeeld om jongeren die op een Gülenschool hebben gezeten en van wie hun ouders banden met de Gülenbeweging wordt verweten. (Voetnoot 27)

10.9.

Uit de landeninformatie volgt voorts dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse Immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten. (Voetnoot 28) Dit nieuwe onderzoek kan dan eveneens hun vrouwen en kinderen betreffen. (Voetnoot 29) Ook Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan. (Voetnoot 30)

10.10.

De UK Home Office schrijft dat de Turkse overheid actief probeert om vermeende Gülenisten uit het buitenland overgedragen te krijgen. Uit een vertrouwelijk document van de Turkse geheime dienst volgt dat Turkije aan 112 landen heeft gevraagd om de uitlevering van 1.271 Gülenleden en dat op de peildatum 13 juli 2023, 126 van hen ook daadwerkelijk aan Turkije waren overgedragen. (Voetnoot 31)

10.11.

De Turkse overheid laat zich in haar vervolging van (vermeende) Gülenisten, tot slot, niet corrigeren door de rechterlijke macht. Zo legde de overheid een belangrijke uitspraak van het EHRM (Voetnoot 32)van 26 september 2023 naast zich neer. (Voetnoot 33) Ook legt de overheid zich niet neer bij hen onwelgevallige uitspraken van Turkse rechters. Een terugplaatsingsbesluit van de Raad van State ten aanzien van 450 ontslagen rechters en aanklagers werd door president Erdogan onaanvaardbaar genoemd. Naar aanleiding van deze uitspraak stelde de Raad van Rechters en Aanklagers een nieuw onderzoek in bij 387 rechters en aanklagers. (Voetnoot 34)

De getalsmatige daling van het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen

11. Uit de Ambtsberichten van 2023 en 2025 volgt dat er sprake is van een getalsmatige daling in de aantallen strafrechtelijke onderzoeken, vervolgingen en gedwongen ontslagen van (vermeende) Gülenisten ten opzichte van de periode 2020. Ook de rapporten van UK Home Office en de Finse Immigratiedienst spreken van een getalsmatige daling.

11.1.

Deze daling wordt door twee vertrouwelijke bronnen toegeschreven aan het feit “dat de meerderheid van (vermeende) Gülenisten inmiddels strafrechtelijk was vervolgd dan wel uitgeweken naar het buitenland” (Voetnoot 35). Volgens een delegatie van de Europese Unie die Turkije heeft bezocht, is de daling het gevolg van het feit dat de meest zichtbare Gülenisten in de Turkse samenleving al waren ontslagen dan wel strafrechtelijk onderzocht en vervolgd. (Voetnoot 36)

11.2.

UK Home Office geeft als reden voor de getalsmatige daling dat de meeste arrestaties en detenties al hebben plaatsgevonden tijdens de noodtoestand van juli 2016 tot juli 2018. (Voetnoot 37) De Finse immigratiedienst tekent, tot slot, op dat door hen gesproken experts de daling toeschrijven aan “an unprecedented number of people having already been arrested”, en wat betreft de gedwongen ontslagen dat “almost all the civil servants associated with the movement were dismissed under the decree laws”(Voetnoot 38)

11.3.

In het Ambtsbericht van 2023 wordt een vertrouwelijke bron aangehaald die een andere reden geeft voor de daling. Deze bron schrijft de daling toe aan het feit “dat de Turkse regering haar negatieve aandacht had verlegd van de Gülenbeweging naar de Koerdische beweging en de lhbtiq+ gemeenschap”. (Voetnoot 39)

11.4.

De rechtbank stelt vast dat in de ambtsberichten van 2023 en 2025 geen met de daling corresponderende stijging van het aantal vervolgde Koerdische- en/of LHBTI+-mensen in Turkije is waar te nemen.

Tussenconclusie ten aanzien van de getalsmatige daling van het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen.

12. Gelet op de onverminderd grote negatieve aandacht en vastberadenheid van de Turkse overheid jegens de Gülenbeweging en de nog steeds overweldigende cijfers over het aantal strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen op grond van (vermeend) Gülenisme, is de rechtbank van oordeel dat de na de noodtoestand ingezette getalsmatige daling is toe te schrijven aan het getalsmatige gegeven dat inmiddels veel (vermeende) Gülenisten al zijn vervolgd dan wel Turkije zijn ontvlucht. Dit wordt niet alleen door diverse bronnen en experts aangegeven, maar is ook de conclusie van gerenommeerde entiteiten als voornoemde delegatie van de Europese Unie en UK Home Office. De rechtbank gaat dus niet mee in de mogelijkheid dat de daling het gevolg is van het verleggen van de aandacht naar andere groeperingen. Er is slechts één bron die dit naar voren brengt en uit het ambtsbericht 2023 en 2025 blijkt dat daar geen cijfermatige onderbouwing voor is gegeven. Sterker nog, uit alle hierboven aangehaalde landeninformatie blijkt dat de negatieve aandacht jegens (vermeende) Gülenisten in de loop van de tijd juist is verbreed naar nieuwe groepen, zoals mensen die (vermeende) Gülenisten in gevangenschap en/of hun familieleden (financieel) ondersteunen, het zogenoemde verboden ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging, en kinderen van Gülenisten die ten tijde van de coup nog geen 18 jaar oud waren.

II. Minder willekeur in de vervolging van (vermeende) Gülenisten

13. Het ambtsbericht 2025 vermeldt dat vervolgde Gülenisten uit alle geledingen van de maatschappij komen en dat mensen nog steeds relatief makkelijk kunnen worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. (Voetnoot 40)

13.1.

De Finse Immigratiedienst schrijft dat aan de hand van de volgende criteria iemand gelinkt kan worden aan de Gülenbeweging: (Voetnoot 41)

has used or downloaded the ByLock messaging application

has deposited money or possessed a bank or credit card in Bank Asya or used one of its payment terminals

has been denounced anonymously or his or her name appears in secret witness statements

has attended the Gülen movement’s religious gatherings (sohbets)

has served in an executive role or as a member in an association that has been either closed or dissolved during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement

has served in an executive role or as a member in a trade union that has been either closed or dissolved during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement

has been a shareholder, manager or employee in companies and other legal persons, including schools, universities, hospitals, media outlets, publishing houses that have been closed down or seized under the State of Emergency for their alleged ties with the Gülen movement

has subscribed to newspapers or magazines dissolved or seized during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement

has been in possession of copies of the above-mentioned newspapers or magazines or books, CDs or DVDS issued by publishing houses closed, dissolved or seized because of their alleged connections to the Gülen movement

has studied in schools or universities or resided in dormitories closed during the State of Emergency for their alleged connections to the Gülen movement or sent his or her children to these educational institutions

has travelled abroad

has followed certain accounts on social media or shared articles critical of the AKP government

has donated to relief organisations associated with the Gülen movement

has resided in hotels associated with the Gülen movement

has been found to be in possession of a one-dollar (USD) banknote

has cancelled their subscription to the digital TV platform DIGITURK after its decision to end the broadcasting of seven television channels allegedly connected to the Gülen movement

has participated in protests reacting to the Turkish government’s takeover of (Gülen movement linked) the newspaper Zaman and Samanyolu TV or made press statements protesting the government’s actions

has expressed support for the opposition parties or criticised the Turkish government for human rights violations

has been associated with the so-called “restructuring” of the Gülen movement’s structures or, in general, with assisting those associated with the movement financially or otherwise

has made consecutive calls from payphones connected to the activities of the Gülen movement’s members

has a family member who has downloaded the ByLock messaging application

has been mentioned in a ByLock correspondence without their knowing and without using the software themselves

has participated in the Gülen movement’s religious conversations and programs

has authored books published by the Gülen movement’s publishing houses and/or about Fethullah Gülen

has been mentioned in an intelligence report

has been in contact with people influential in the Gülen movement

has participated in a demonstration or written an article critical of the Turkish government

13.2.

UK Home Office benoemt daarnaast nog de volgende criteria: (Voetnoot 42)

Police or secret service reports

Information received from work colleagues or from neighbours

Rapid promotion in the public service or military

13.3.

Volgens Human Rights Watch is de vervolging van (vermeende) Gülenisten “extreem willekeurig en onvoorspelbaar” en is er geen duidelijkheid over de criteria die daarbij door de Turkse autoriteiten worden gehanteerd. Human Rights Watch vermoedt dat deze willekeur het gevolg is van niveauverschillen bij de politie en veiligheidsdiensten op lokaal niveau. In sommige districten zijn de autoriteiten eenvoudigweg goed in staat iedereen op te pakken en in andere niet. (Voetnoot 43) Een voor het ambtsbericht 2025 gesproken vertrouwelijke bron bevestigt de willekeur in vervolging. (Voetnoot 44)

13.4.

Ook door de Finse Immigratiedienst gesproken bronnen benoemen de willekeur bij vervolging van vermeende Gülenisten. Zo spreekt een van de experts van een “all-pervasive sense of randomness with regard to how even a person without any ties to the movement can be subjected to investigation". (Voetnoot 45) Dit laatste wordt door een andere expert beaamd: “For example, just being a friend of a convicted person can be seen as a sign of affiliation with the movement and in these cases, simply meeting a friend can be dangerous.” (Voetnoot 46)Weer een andere expert benoemt de normale achtergrond (ordinary background) van de mensen die door de Turkse autoriteiten zijn vervolgd voor Gülenisme. Volgens deze expert was bijna niemand van de veroordeelden op een eerder moment met justitie in aanraking gekomen. (Voetnoot 47)

13.5.

Ondanks voorgaande willekeur zijn volgens de Finse immigratiedienst ook specifieke categorieën van (vermeende) Gülenisten aan te duiden die in de negatieve belangstelling staan van de overheid. Het gaat daarbij om: (Voetnoot 48)

overheidsdienaren en leden van de veiligheidsdiensten;

individuen die eerder een sepot hebben gekregen dan wel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme;

operaties tegen “herstructureren” van de Gülenbeweging;

individuen die betrokken zijn bij het zogenaamde “payphone investigation”;

individuen die na de coup van 2016 de leeftijd van strafrechtelijke verantwoordelijkheid hebben bereikt;

mensenrechtenactivisten, mensen die het (juridisch) hebben opgenomen voor Gülenisten en critici van de Turkse overheid;

zakenlieden.

13.6.

Het ambtsbericht 2025 spreekt ook over een specifieke groep die in de negatieve aandacht staat. Het gaat daarbij om (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat, zoals cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbare aanklagers. (Voetnoot 49) Zo zijn bij de operaties die tussen 10 januari en 23 oktober 2024 plaatsvonden, in de meeste gevallen militairen, politieagenten en medewerkers van justitie opgepakt. (Voetnoot 50)

13.7.

De Finse immigratiedienst schrijft verder dat strafrechtelijke vervolging van familieleden van (vermeende) Gülenisten nog steeds willekeurig is. Partners, kinderen, broers en zussen lopen daarbij het meeste risico. (Voetnoot 51)

Tussenconclusie ten aanzien van de vraag of er sprake is van minder willekeur in de vervolging van (vermeende) Gülenisten

14. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat nog steeds iedereen die in verband wordt gebracht met de Gülenbeweging door de Turkse autoriteiten het risico loopt op een willekeurige verdenking en strafrechtelijke vervolging inzake (vermeend) Gülenisme. De mate van willekeur manifesteert zich niet alleen bij de vraag wie de autoriteiten in het vizier hebben, maar lijkt ook verband te houden met de vraag of de lokale autoriteiten organisatorisch voldoende in staat zijn om een verdenking om te zetten in concrete vervolgingsacties. Daarnaast volgt uit de landeninformatie dat een aantal categorieën mensen in een gerichte en bijzondere negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staan. Die bijzondere aandacht kan bovengenoemde willekeur evenwel niet wegnemen. Sterker nog, de Turkse overheid laat in woord en gebaar juist zien dat het hen serieus is om iedereen die in hun ogen betrokken is bij de Gülenbeweging aan te pakken.

III. Meer bescherming door de rechterlijke autoriteiten

15. De Europese Commissie schrijft in 2022 dat er serieuze zorgen zijn over de “continued deterioration of the independence of the judiciary” en dat de Turkse overheid deze zorgen niet beantwoordt. (Voetnoot 52)Ook schrijft de Europese Commissie dat “The serious backsliding observed since 2016 continued during the reporting period. Concerns remained, in particular the systemic lack of independence of the judiciary and undue pressure on judges and prosecutors. Particular concerns relating to the judiciary’s adherence to international and European standards increased, in particular in relation to the refusal to implement rulings by the European Court of Human Rights.” (Voetnoot 53)

15.1.

Freedom House schrijft dat “Judicial independence has been severely compromised, as thousands of judges and prosecutors have been replaced with government loyalists since 2016 (…). The Constitutional Court has shown some independence since 2019 but is not free form political influence and often delivers rulings in line with AKP interests” (Voetnoot 54)

15.2.

De United States State Department schrijft in haar rapport van 2022 dat “Observers noted prosecutors and courts often failed to establish sufficient evidence to sustain indictments and convictions in cases related to supporting terrorism, highlighting concerns regarding respect for due process and adherence to credible evidentiary thresholds. In numerous cases, authorities used secret evidence or witnesses to which defense attorneys and the accused had no accesss or ability to cross-examine and challenge in court, particularly in cases related to national security.” (Voetnoot 55)

15.3.

Human Rights Watch schrijft in haar jaarrapport uit 2024 dat president Erdogan en zijn AKP “exert strong control over the media, courts and most state institutions, regularly sidelining or punishing perceived government critics. Political divisions and power struggle within Türkiye top courts and increasing reports of corruption within the state and judiciary have further undermined human rights and the rule of law.”  (Voetnoot 56)

15.4.

Op 26 september 2023 oordeelde het EHRM dat de veroordeling van docent Yuksel Yalçinkaya in strijd was met artikel 6, eerste lid (recht op een eerlijk proces), artikel 7 (het legaliteitsbeginsel) en artikel 11 (vrijheid van vereniging) van het EVRM. (Voetnoot 57) In september 2024 werd Yalçinkaya voor dezelfde feiten door een Turkse rechtbank wederom veroordeeld. Volgens Human Rights Watch met terzijde schuiving van het oordeel van het EHRM. (Voetnoot 58)

15.5.

In het ambtsbericht 2023 wordt melding gemaakt van het feit dat er door het Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie strenger wordt toegezien op het gebruik van strafrechtelijk bewijs in zaken tegen Gülenisten. (Voetnoot 59) Zo heeft het Hof van Cassatie in 2021 geoordeeld dat het gebruik van ByLock alleen kan worden tegengeworpen als bewezen is dat de betrokkene de app daadwerkelijk heeft gebruikt, en niet iemand anders. Het Constitutioneel Hof heeft op 13 februari 2020 bepaald dat het hebben gehad van een rekening bij Bank Asya niet kan niet worden aangemerkt als een activiteit ten behoeve van de Gülenbeweging, tenzij er een instructie vanuit de beweging aan ten grondslag ligt. Verder oordeelde het Hof van Cassatie in januari 2022 dat alledaagse transacties via Bank Asya niet kunnen worden beschouwd als activiteiten ten behoeve van de Gülenbeweging.

15.6.

Verder staat in het ambtsbericht 2025 beschreven dat voormelde eisen aan de bewijsvoering door lagere rechters niet altijd worden gevolgd. (Voetnoot 60)

15.7.

Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat strafrechtelijke vervolgingen op basis van het gebruik van ByLock en/of Asya Bank inmiddels bijna allemaal zijn afgerond. (Voetnoot 61)

15.8.

Verscheidene door de Finse immigratiedienst gesproken bronnen geven aan dat geheime getuigenverklaringen een belangrijk bewijsmiddel zijn in aanklachten tegen Gülenisten. (Voetnoot 62) Deze verklaringen kunnen afkomstig zijn van mensen die zelf verdacht werden van Gülenisme en, in ruil voor vrijlating of strafvermindering dan wel anderszins onder druk, besloten anderen te noemen (dit zijn zogenaamde “spijtoptanten”) (Voetnoot 63). Geheime getuigenverklaringen kunnen ook afkomstig zijn van politieagenten zelf. (Voetnoot 64) Volgens een delegatie van de Europese Unie die Turkije heeft bezocht worden geheime getuigenverklaringen in zaken tegen gewone burgers nog steeds gebruikt. (Voetnoot 65)

15.9.

De Finse Immigratiedienst schrijft ook dat volgens Human Rights Watch en een door hen geraadpleegde advocaat, de Turkse rechtspraak niet eenduidig omgaat met Gülen-zaken. Bij nagenoeg hetzelfde bewijsmateriaal wordt in de ene zaak wel en de andere geen veroordeling uitgesproken. (Voetnoot 66)

Tussenconclusie ten aanzien van de vraag of de rechterlijke autoriteiten meer bescherming biedt.

16. Uit de landeninformatie volgt dat de rechterlijke macht meegaat in strafrechtelijke vervolgingen van (vermeende) Gülenisten. Tegen het politiek vervolgen van (vermeende) Gülenisten an sich wordt dan ook geen rechtsbescherming geboden. Ook heeft de rechterlijke macht het uitgangspunt van gedwongen ontslagen op grond van (vermeend) Gülenisme in stand gelaten.

16.1.

Weliswaar volgt uit het ambtsbericht 2023 dat het Hof van Cassatie en het Constitutioneel Hof strengere eisen stellen aan het strafrechtelijk bewijs ten aanzien van het gebruik van ByLock of Asya Bank, maar uit de landeninformatie blijkt ook dat deze eisen niet altijd door lagere rechters worden gevolgd. Bovendien tast deze aanscherping de vervolging op basis van (vermeend) Gülenisme niet aan en blijven er vele andere bewijsmiddelen over (zie onder 13.1.), waaronder de geheime getuigenverklaringen. De ‘verbetering’ in rechterlijke bescherming, althans zo begrijpt de rechtbank de minister, ziet de rechtbank dan ook niet als een werkelijke verbetering en beschermt in de kern ook niet tegen politieke vervolging inzake (vermeend) Gülenisme an sich.

Is de situatie ten aanzien van (vermeende) Gülenisten in Turkije minder slecht geworden?

17. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de negatieve aandacht van de Turkse overheid voor (vermeende) Gülenisten nog onverminderd groot is en dat deze zich in de loop van de jaren heeft uitgebreid naar nieuwe categorieën die op de radar zijn komen te staan van de Turkse autoriteiten. De getalsmatige daling in het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen is het gevolg van het feit dat veel (vermeende) Gülenisten al zijn vervolgd dan wel Turkije zijn ontvlucht. De vervolging is nog steeds willekeurig, waarbij een aantal groepen extra kans lopen op negatieve aandacht. De rechterlijke macht biedt tegen politieke vervolgingen wegens Gülenisme an sich geen bescherming. De extra waarborgen ten aanzien van het strafrechtelijk bewijs inzake Bylock en Bank Asya zijn bovendien marginaal. Hierbij valt overigens niet uit te sluiten dat het grootste deel van de dossiers waarin ByLock en Bank Asya als initieel bewijsmiddel figureren, inmiddels is afgehandeld.

17.1.

Anders dan de minister komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van een minder slecht beeld voor Gülenisten dan voorheen. Dat de negatieve aandacht een aantal categorieën mensen extra treft – in zoverre is het beeld minder diffuus geworden – maakt het voorgaande niet anders. Deze mensen lopen extra gevaar, alle andere mensen gaan nog steeds gebukt onder dezelfde willekeur.

17.2.

De wijziging van het beleid mist dan ook een deugdelijke motivering. Nu het bestreden besluit op die wijziging is gebaseerd, mist ook het besluit een deugdelijke motivering. Dit klemt temeer nu de minister onder het oude beleid asielaanvragen van (vermeende) Gülenisten in de regel inwilligde, ook bij het ontbreken van geringe indicaties. (Voetnoot 67) Het beroep is dan ook gegrond.

De op eiseres toegesneden motivering in het bestreden besluit

18. De rechtbank is zich bewust van de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 waar ten aanzien van de wijziging van het beleid tot een ander oordeel wordt gekomen. (Voetnoot 68) De rechtbank houdt er dan ook rekening mee dat de minister tegen deze uitspraak in hoger beroep zal willen gaan.

18.1.

De rechtbank hecht er daarom aan voorts nog het navolgende te overwegen nu ook de individuele beslissing gebaseerd op het nieuwe beleid gebreken kent.

18.2.

De rechtbank herhaalt daarom kort hetgeen eiseres aan haar individuele asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Uit het door de minister geloofwaardig geachte asielrelaas komt naar voren dat eiseres de echtgenote is van een politieagent, die bij decreet is ontslagen in verband met banden met de Gülenbeweging. Ook is de echtgenoot (wederom) onderwerp van strafrechtelijk onderzoek in verband met de verdenking van banden met de Gülenbeweging. Als gevolg van het ontslag van de echtgenoot is eiseres door haar werkgever, [werkgever] , zes keer overgeplaatst. Er is ook strafrechtelijk onderzoek gedaan naar eiseres. Eiseres heeft contacten gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft.

18.3.

Eiseres vreest voor negatieve aandacht van de overheid bij terugkeer naar Turkije. Zij is bang te worden beschuldigd van herstructurering. (Voetnoot 69) Ook is eiseres bang als echtgenote van een Gülenist en lid van de Gülenbeweging te worden gezien. Zij vreest bij terugkeer een strafrechtelijke vervolging. Dat zij niet eerder strafrechtelijk is vervolgd, maakt dit niet anders aldus eiseres.

19. De minister dient het asielrelaas en de vrees van eiseres af te zetten tegen wat algemeen bekend is over de situatie van (vermeende) Gülenisten zoals hierboven is weergegeven onder 9. – 11.4, 13. – 13.7 en 15. – 15.9. Dat heeft de minister onvoldoende kenbaar gedaan. De minister had het asielrelaas en de vrees voorts ook in het licht van zijn eigen beleid dienen te beoordelen, te weten dat (vermeende) Gülenisten vanaf 1 juli 2024 zijn aangewezen als risicoprofiel. Uit het bestreden besluit volgt onvoldoende dat de minister dit toetsingskader heeft gevolgd.

20. De rechtbank merkt voorts op dat de minister nader dient te onderzoeken wat het risico bij terugkeer is nu eiseres de echtgenote is van een politieagent die ontslagen is in verband met- en thans weer strafrechtelijk onderzocht wordt voor banden met de Gülenbeweging.

20.1.

Dat volgens de minister, zoals in het verweerschrift onder verwijzing naar het ambtsbericht 2025 is geschreven, niet is gebleken dat de echtgenoot een hooggeplaatste Gülenist is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing dat eiseres als echtgenote geen risico zal lopen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 (Voetnoot 70), meer specifiek r.o. 5.1 en 5.2. Hieruit volgt, kort gezegd, dat onduidelijk is wat onder ‘hooggeplaatste’ Gülenisten moet worden verstaan en dat niet is uitgesloten dat ook familieleden van andere Gülenisten een dergelijk risico lopen.

20.2.

De rechtbank voegt daaraan toe dat ook UK Home Office geen onderscheid maakt tussen familieleden van hooggeplaatste of niet-hooggeplaatste Gülenisten. Volgens dit rapport is het enkel zijn van familielid van een Gülenist voldoende als risicofactor voor vervolging. (Voetnoot 71) De Finse immigratiedienst schrijft voorts dat juist echtgenotes en kinderen doelwit zijn. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft verder aan dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om verschillende familieleden van een Gülenist op willekeurige wijze te vervolgen. Een uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie over de erkenning van het concept “connection (iltisak) to a terrorist organisation” heeft deze willekeur volgens deze expert in de hand gewerkt nu het niet duidelijk is wat deze term inhoudt. (Voetnoot 72)

20.3.

Dat eiseres niet eerder problemen heeft ervaren met de autoriteiten, zoals in het bestreden besluit en het verweerschrift wordt gesteld, kan zonder nadere motivering evenmin worden gevolgd. Weliswaar heeft eiseres dit tijdens het nader gehoor zo verteld maar gelet op de context van het nader gehoor is het daarbij gegaan om de strafrechtelijke vervolging door de overheid. Als overheidsdienaar heeft eiseres wel degelijk negatieve gevolgen ondervonden. Zij is zes keer overgeplaatst in de periode 2019-2023. Anders dan het bestreden besluit stelt, is er vanuit de overheid jegens eiseres dus wel sprake van toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging.

20.4.

Voor zover de minister overigens geen negatieve aandacht in dit verband heeft aangenomen omdat eiseres niet is ontslagen, merkt de rechtbank op dat dit niet nader is onderbouwd. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft aan dat “Family members of people convicted due to their alleged association with the Gülen movement have been discriminated against. Relatives working in the public sector might have lost out on a promotion (…).” (Voetnoot 73). Hieruit volgt dus niet dat enkel bij ontslag sprake is van negatieve aandacht.

21. De rechtbank merkt, tot slot, op dat het bestreden besluit van eiseres niet vooraf is gegaan door een voornemen. Daarmee is het onderzoek in de zaak van eiseres onvoldoende zorgvuldig verlopen.

22. Het beroep is ook om bovenstaande redenen gegrond.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (Voetnoot 74) en het motiveringsbeginsel (Voetnoot 75). Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Het is eerst aan de minister om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van het voorgaande. De minister krijgt hiervoor een termijn van zes weken.

24. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RBDHA:2024:13599.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RBDHA:2024:17345.

Voetnoot 5

WBV 2024/23, Stcrt. 2023, nr. 30427.

Voetnoot 6

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RVS:2026:1607.

Voetnoot 8

AAB Turkije 2025, p. 46.

Voetnoot 9

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 1.

Voetnoot 10

Turkish Minute, 16 juli 2025 Erdogan calls Gülen movement a 'virus Turkey has not yet removed' - Turkish Minute.

Voetnoot 11

UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.

Voetnoot 12

Idem.

Voetnoot 13

Idem.

Voetnoot 14

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’ juni 2024, p. 6.

Voetnoot 15

Idem, p. 9.

Voetnoot 16

AAB Turkije 2023, p. 44 en AAB Turkije 2025, p. 46.

Voetnoot 17

AAB Turkije 2025, p. 47/48.

Voetnoot 18

Human Rights Watch, Türkiye Events of 2024.

Voetnoot 19

Synoniem voor Gülenbweging.

Voetnoot 20

Bijlage bij het AAB Turkije 2025, p. 29.

Voetnoot 21

Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.

Voetnoot 22

AAB Turkije 2025, p. 49.

Voetnoot 23

Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet on-line kunnen vinden.

Voetnoot 24

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 14.

Voetnoot 25

Idem.

Voetnoot 26

Idem, p. 15.

Voetnoot 27

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 16, 17 en 18.

Voetnoot 28

Idem, p. 11 en 12.

Voetnoot 29

Idem, p. 12.

Voetnoot 30

Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.

Voetnoot 31

UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.

Voetnoot 32

Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

Voetnoot 33

AAB Turkije 2025, p. 51. Zie verder onder r.o. 15.4.

Voetnoot 34

Idem.

Voetnoot 35

AAB Turkije 2023, p. 44.

Voetnoot 36

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 7.

Voetnoot 37

UK Home Office, Country policy and information note: Turkey - Gülenists, Octobre 2023, p. 8 en 19.

Voetnoot 38

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8 en 9.

Voetnoot 39

AAB Turkije 2023, p. 44.

Voetnoot 40

AAB Turkije 2025, p. 49.

Voetnoot 41

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 22-24.

Voetnoot 42

UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.

Voetnoot 43

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8.

Voetnoot 44

AAB Turkije 2025, p. 50.

Voetnoot 45

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8.

Voetnoot 46

Idem.

Voetnoot 47

Idem.

Voetnoot 48

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.

Voetnoot 49

AAB Turkije 2025, p. 49.

Voetnoot 50

Idem.

Voetnoot 51

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 41 en 42.

Voetnoot 52

Europese Commissie, Turkey 2022 Report, p. 5.

Voetnoot 53

Idem, p. 5 en 6.

Voetnoot 54

Freedom House, ‘Freedom in the World 2023’, sectie F1.

Voetnoot 55

USDD ‘2022 Country Reports on Human Rights: Turkey’, sectie 1E en UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.

Voetnoot 56

Idem.

Voetnoot 57

EHRM, nr. 15669/20, ECLI:CE:EHCR:2023:0926JUD001566920.

Voetnoot 58

Human Rights Watch, ‘Türkiye, Events of 2024’.

Voetnoot 59

AAB Turkije 2023, p. 45.

Voetnoot 60

AAB 2025, p. 51.

Voetnoot 61

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 25 en 26.

Voetnoot 62

Idem p. 27.

Voetnoot 63

Idem p. 26- 28.

Voetnoot 64

Idem p. 29.

Voetnoot 65

Idem p. 27.

Voetnoot 66

Idem p. 45 en 46.

Voetnoot 67

Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 5.6.

Voetnoot 68

ECLI:N:RVS:2026:1607, r.o. 7.7.

Voetnoot 69

Idem.

Voetnoot 70

ECLI:NL:RVS:2026:1743.

Voetnoot 71

Rapport UK Home Office, okt. 2023 p. 8.

Voetnoot 72

Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 41.

Voetnoot 73

Idem p. 42.

Voetnoot 74

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Voetnoot 75

Artikel 3:46 van de Awb.