RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Drenth),
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 28 december 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. (Voetnoot 1)
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 2) In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiseres betoogt dat de minister voor Frankrijk niet uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat sprake is van ernstige tekortkomingen in de Franse opvang- en asielprocedure. Eiseres vreest bij overdracht geen opvang te krijgen, in vreemdelingenbewaring te worden geplaatst en uiteindelijk te worden teruggestuurd naar Eritrea. Eiseres voert aan dat een overdracht aan Frankrijk in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Frankrijk. Dit is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). (Voetnoot 3) Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen of dat overdracht aan Frankrijk zal leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. De enkele opmerking dat eiseres vreest zonder opvang te raken of in vreemdelingenbewaring te worden geplaatst, is daarvoor onvoldoende. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres zich bij eventuele problemen kan wenden tot de Franse autoriteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Franse autoriteiten haar niet kunnen of willen helpen.
4.2.
Voor zover eiseres betoogt dat zij een risico loopt op refoulement, omdat zij vreest te worden teruggestuurd naar Eritrea, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de uitspraken van het Hof van Justitie (Voetnoot 4) en de Afdeling (Voetnoot 5) volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.1 heeft geoordeeld, is hiervan geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Frankrijk een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement inhoudt. De vrees voor dit risico kan eiseres in Frankrijk aankaarten. Frankrijk heeft door het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiseres daar in behandeling wordt genomen.
Had de minister artikel 17 van de Dublinverordening moeten toepassen?
5. Eiseres betoogt dat de minister haar asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moet trekken. Zij voert aan dat rechtsbijstand in Frankrijk niet is gegarandeerd, zij de Franse taal niet spreekt en stress ervaart. Daarnaast voert zij aan dat zij als alleenstaande jonge vrouw vatbaar is voor mensenhandel.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk zou leiden tot onevenredige hardheid. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres daar niet in is geslaagd. De omstandigheid dat zij de Franse taal niet spreekt, stress ervaart en een alleenstaande jonge vrouw is maken niet dat overdracht aan Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt. Ook de enkele stelling dat rechtsbijstand in Frankrijk niet is gegarandeerd maakt dit niet anders. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister voor Frankrijk uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bovendien heeft eiseres deze omstandigheden niet onderbouwd.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.