Op 12 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.18341 en NL25.18467, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:14989. De plaats van zitting was Arnhem.
Indicatie
Turks associatierecht, ondernemingsplan, diploma-eis, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
zaaknummers: NL25.18341 en NL25.18467
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaken tussen
[eiser], v-nummer [nummer 1], eiser
[eiseres]
, v-nummer: [nummer 2], eiseres
samen: eisers
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid als zelfstandige op grond van het verdrag tussen de Europese Unie en Turkije. De minister heeft ook de aanvraag van eiseres en de minderjarige kinderen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij eiser afgewezen. Eisers zijn het niet eens met deze afwijzingen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluiten van de minister om de aanvragen af te wijzen in stand kunnen blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor een mvv met als doel arbeid als zelfstandige of met het doel verblijf als familie- of gezinslid. (Voetnoot 1) Eisers krijgen geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. De minister heeft de aanvragen van eisers met de besluiten van 31 juli 2024 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 20 maart 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
2.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
De bestreden besluiten
3. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Eiser heeft bij zijn aanvraag geen volledig, met alle vereiste stukken onderbouwd ondernemingsplan overgelegd, waardoor geen advies kon worden gevraagd aan de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) over de vraag of met de arbeid van eiser als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Het door eiser ingediende ondernemingsplan biedt onvoldoende inzicht in zijn kennis en vaardigheden en bevat geen op de regio toegespitste markt- en concurrentieanalyse. Daarnaast heeft eiser zijn gestelde werkervaring in de betreffende sector onvoldoende onderbouwd met objectief verifieerbare stukken. Ook heeft eiser zijn vakinhoudelijke expertise niet aangetoond. Eiser heeft deze gebreken in de bezwaarfase niet hersteld.
3.1.
De minister heeft de aanvraag van eiseres en haar minderjarige kinderen afgewezen, omdat de referent (eiser) niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Eiser is geen Nederlander, beschikt niet over een verblijfsvergunning, is geen gemeenschapsonderdaan en kan geen rechten ontlenen aan het Turks Associatiebesluit. Daarnaast is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om van het beleid af te wijken.
Had de minister het ondernemingsplan direct moeten doorsturen aan de minister van EZK?
4. Eiser betoogt dat de minister het ondernemingsplan direct had moeten doorsturen aan de minister van EZK en zich had moeten onthouden van een eigen beoordeling. Eiser wijst erop dat onder het oude beleid alle aanvragen werden doorgestuurd. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een brief van directoraat-generaal Ondernemen en Innovatie, waaruit deze beleidswijziging blijkt. (Voetnoot 2) Daarnaast voert eiser aan dat de minister van EZK in het verleden in gevallen met een summier ondernemingsplan positief heeft geadviseerd. Volgens eiser dient een ondernemingsplan daarom steeds te worden doorgestuurd, ook indien de minister het ondernemingsplan summier acht. Tot slot betoogt eiser dat het niet doorsturen van de aanvraag een procedurele beperking vormt in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije (de standstillbepaling), welke beperking volgens vaste rechtspraak niet is toegestaan. (Voetnoot 3)
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet gehouden is om iedere aanvraag - ook wanneer deze is voorzien van een zeer summier onderbouwd ondernemingsplan - ter beoordeling door te sturen aan de minister van EZK. De minister verwijst hierbij terecht naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). (Voetnoot 4) Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat, zoals ook uit eerdere rechtspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt, de eis om een volledig onderbouwd ondernemingsplan te overleggen niet in strijd is met de standstillbepaling. (Voetnoot 5) Daarnaast heeft eiser met een verwijzing naar de brief van het directoraat-generaal Ondernemen en Innovatie onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in het verleden beleid is gevoerd op grond waarvan alle aanvragen, ongeacht of zij waren voorzien van een onderbouwd ondernemingsplan, aan de minister van EZK werden doorgestuurd. Deze zittingsplaats van de rechtbank heeft eerder geoordeeld dat dit niet kan worden afgeleid uit de overgelegde brief van het directoraat-generaal Ondernemen en Innovatie. (Voetnoot 6) De rechtbank ziet geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen. Eiser heeft zijn stelling ook niet op andere wijze onderbouwd. Het enkele feit dat in het verleden in sommige gevallen een positief advies is uitgebracht, ondanks het ontbreken van een deugdelijk onderbouwd ondernemingsplan, maakt niet dat de minister gehouden is om iedere aanvraag door te sturen. De minister had het ondernemingsplan dan ook niet zonder meer aan de minister van EZK moeten doorsturen. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister het overgelegde ondernemingsplan onvolledig achten?
5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het overgelegde ondernemingsplan onvoldoende is onderbouwd. Volgens eiser betekent het standpunt van de minister dat het ondernemingsplan onvoldoende of summier is, niet dat daarin stukken ontbreken of dat vereiste onderdelen niet zijn opgenomen. Eiser verwijst in dit verband naar paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000), waarin is opgenomen welke informatie moet worden aangeleverd, maar niet is gespecificeerd in welke mate deze informatie moet worden uitgewerkt. Ten aanzien van het standpunt van de minister dat eiser zijn diploma’s niet heeft overgelegd, stelt eiser dat dit niet verplicht is en hem niet kan worden tegengeworpen. Uit paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 volgt dat de diploma-eis voor Turkse vreemdelingen, zoals eiser, facultatief van aard is. Het hanteren van een diploma-eis, zoals de minister sinds korte tijd doet, is volgens eiser in strijd met de standstillbepaling. Daarnaast voert eiser aan dat het ondernemingsplan is opgesteld door een onafhankelijke deskundige van [naam adviesbureau] B.V. en dat de minister diens deskundigheid ten onrechte in twijfel trekt. Tot slot betoogt eiser dat de minister zich had moeten onthouden van een inhoudelijk oordeel over de door eiser overgelegde stukken en gegevens. De minister dient uitsluitend te controleren of alle relevante stukken en gegevens zijn aangeleverd, alvorens deze ter advisering worden doorgestuurd naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het door eiser overgelegde ondernemingsplan onvolledig is. De enkele omstandigheid dat het ondernemingsplan is opgesteld door een deskundige, betekent niet dat dit plan daarmee ook volledig en toereikend is onderbouwd. Voor zover eiser heeft betoogd dat de minister de deskundigheid van de onafhankelijke deskundige ten onrechte in twijfel trekt, volgt de rechtbank dit betoog niet. Zoals de minister terecht in het verweerschrift heeft opgemerkt, is eiser in het bestreden besluit tegengeworpen dat het ondernemingsplan niet voldoet aan de daaraan gestelde vereisten, zonder dat de deskundigheid van de door eiser ingeschakelde deskundige in twijfel is getrokken.
5.1.1.
De minister mocht van eiser verlangen dat hij een volledig, met stukken onderbouwd ondernemingsplan overlegt. Daarbij geldt dat de minister zich zoveel mogelijk dient te onthouden van een inhoudelijk oordeel over de door eiser overgelegde stukken en gegevens. Het is de rechtbank niet gebleken dat de minister bij het nemen van het besluit verder is gegaan dan een beoordeling van de volledigheid en de mate van onderbouwing van het ondernemingsplan. De minister mocht beoordelen of de overgelegde stukken, waaronder het ondernemingsplan, de onderdelen bevatten zoals opgenomen in paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000. In dit kader mocht de minister beoordelen of het ondernemingsplan een markt- en concurrentieanalyse bevat die voldoende is toegespitst op de voorgenomen onderneming en niet slechts bestaat uit een algemene beschrijving van marktontwikkelingen. Ook mocht de minister beoordelen of de locatieanalyse niet te algemeen is. De minister heeft eiser in dit verband mogen tegenwerpen dat hij uitgebreide informatie heeft overgelegd over de globale Nederlandse markt, die niet is toegespitst op de regio Nootdorp waar eiser zijn diensten wil aanbieden. Daarnaast ontbreekt een uitgewerkt en onderbouwd prijsbeleid, waaronder inzicht in gehanteerde tarieven en kostenstructuur en heeft eiser zijn doelgroep niet onderbouwd met bijvoorbeeld concrete (in omvang en tijd) intentieverklaringen van potentiële klanten. Dat de minister deze aspecten aan eiser heeft tegengeworpen, acht de rechtbank, gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling, toelaatbaar. (Voetnoot 7) De minister heeft zich hierbij op het standpunt mogen stellen dat eisers onderneming (opgericht op 22 augustus 2022), inmiddels lang genoeg bestaat om in staat te kunnen zijn de gevraagde stukken te overleggen.
5.1.2.
De rechtbank volgt ook de door eiser gegeven uitleg van de diploma-eis in paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 niet. De minister heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat uit die paragraaf van de Vc 2000 volgt dat buitenlandse diploma’s dienen te zijn voorzien van een Nuffic- of SBB (Voetnoot 8)-waardering en dat voor Turkse vreemdelingen uitsluitend het overleggen van een afschrift van een getuigschrift van een Nederlandse opleiding facultatief is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het ontbreken van diploma’s bij een aanvraag zoals die van eiser aan de aanvrager mag worden tegengeworpen en dat de diploma-eis niet in strijd in met de standstillbepaling. (Voetnoot 9) Verder stelt de rechtbank vast dat eiser niet alleen is tegengeworpen dat hij geen diploma’s heeft overgelegd, maar ook dat hij zijn werkervaring en vakinhoudelijke expertise niet met objectief verifieerbare stukken heeft onderbouwd. Zo heeft eiser zijn gestelde werkervaring niet onderbouwd met referenties, arbeidsovereenkomsten en/of andere bewijsstukken waaruit de aard, duur en inhoud van de verrichte werkzaamheden blijken. Het door eiser overgelegde arbeidsoverzicht van het Ministerie van Sociale zaken van Turkije biedt hiervoor onvoldoende inzicht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het overgelegde ondernemingsplan onvolledig is. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister de mvv-aanvraag van eiseres en haar minderjarige kinderen afwijzen?
6. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen mvv heeft verleend aan haar en haar minderjarige kinderen. De minister heeft deze aanvragen niet toegewezen omdat de aanvraag van eiser (referent) niet is ingewilligd. Eiseres betoogt dat de minister de besluitvorming had moeten aanhouden, nu beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag van referent en nog niet vaststaat dat niet alsnog aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de mvv-aanvragen van eiseres en haar minderjarige kinderen terecht heeft afgewezen. Vaststaat dat eiseres en haar minderjarige kinderen een mvv hebben aangevraagd met het verblijfsdoel verblijf bij familie-of gezinslid, waarbij eiser referent is. Nu de aanvraag van eiser is afgewezen, voldeden eiseres en haar minderjarige kinderen niet aan de voorwaarden voor inwilliging van hun mvv-aanvraag. De rechtbank heeft reeds onder 4.1. en 5.1.2. geoordeeld dat de minister de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen aanleiding hoefde te zien om de besluitvorming aan te houden in afwachting van de uitkomst van het beroep van eiser. Het enkele feit dat tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser beroep was ingesteld, betekent niet dat de minister gehouden is de beoordeling van de daarvan afhankelijke mvv-aanvragen aan te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de afwijzingen van de aanvragen in stand blijven. De minister hoeft de proceskosten van eisers daarom niet te vergoeden. De minister hoeft ook het door eisers betaalde griffierecht niet te vergoeden.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoot
Voetnoot 1
In de zin van artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000).
Voetnoot 2
Brief “Toetsing door AgNL van Turkse zelfstandigen” van de directeur Ondernemerschap van het directoraat-generaal Ondernemen en Innovatie van 4 november 2011.
Voetnoot 3
Eiser verwijst naar HvJEU 20 september 2007, C-16/05, ECLI:EU:C:2007:530, Tum & Dari en ABRvS 6 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6595.
Voetnoot 4
ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:734.
Voetnoot 5
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 8 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17215, r.o. 4.1, in hoger beroep bevestigd met ABRvS 5 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:428 en ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:734.
Voetnoot 6
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 14 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10524, in hoger beroep bevestigd met ABRvS 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3732, r.o. 1.1.
Voetnoot 7
ABRvS 4 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1505, r.o. 2.2.
Voetnoot 8
Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.
Voetnoot 9
ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:734, r.o. 5.3 en 7.