RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. E.L.I. Disseveld).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk de samenwerkingsverplichting niet geschonden. Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte de identiteit van eiser ongeloofwaardig geacht en heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Gambia geen reëel risico op ernstige schade loopt vanwege een incident met zijn werkgever. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Zij hebben de ochtend van de zitting laten weten de zitting niet te zullen bijwonen.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Gambiaanse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2006. Eiser had in Gambia familieproblemen, die te maken hebben met zijn oom. Daardoor is hij bij zijn oom weggegaan en bij een man ingetrokken. Deze man was ook zijn werkgever. Hij wilde seksuele handelingen met eiser uitvoeren, wat eiser heeft geweigerd. Dat heeft geresulteerd in een gevecht, waarbij de buurjongen van eiser tussenbeide is gekomen en door de werkgever van eiser is gestoken met een mes of een fles. Eiser denkt dat deze buurjongen aan de verwondingen is overleden en dat eiser wordt beschuldigd van zijn dood. Hierdoor vreest eiser bij terugkeer voor de politie en de ouders van de buurjongen.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. eiser is aangevallen door zijn werkgever, waarbij de buurjongen van eiser slachtoffer is geworden omdat hij tussenbeide kwam.
De minister acht het eerste asielmotief deels geloofwaardig. Daarbij heeft de minister de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht, maar de identiteit niet. Eiser heeft niet met de overgelegde documenten zijn identiteit aannemelijk kunnen maken en de verklaringen van eiser over zijn identiteit zijn tegenstrijdig en inconsistent. Het tweede asielmotief is geloofwaardig bevonden. Volgens de minister kan eiser niet worden aangemerkt als vluchteling en loopt hij ook geen reëel risico op ernstige schade. Dat eiser uit Gambia komt, is hiervoor onvoldoende. Daarnaast acht de minister de vrees van eiser voor de familie van zijn buurjongen en voor de politie niet aannemelijk.
Heeft de minister de samenwerkingsverplichting geschonden?
5. Eiser betoogt dat de minister de samenwerkingsverplichting heeft geschonden. Bureau Documenten heeft namelijk de geboorteakte van eiser onderzocht en geconcludeerd dat het document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Eiser heeft het rapport van het onderzoek van 24 oktober 2024 pas bij het voornemen van 30 januari 2026 ontvangen. Dat is volgens eiser in strijd met artikel 51 van de Vw 2000. Door de zeer late verstrekking van het rapport kon eiser zich niet goed voorbereiden op een betwisting daarvan en een contra-onderzoek.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de samenwerkingsverplichting niet geschonden. Eiser heeft namelijk zowel bij de zienswijze als tijdens de beroepsprocedure de mogelijkheid gehad om een contra-expertise tegen de bevindingen van Bureau Documenten te laten uitvoeren. Niet is gebleken dat daartoe stappen zijn ondernomen. Daarbij komt dat de minister tijdens de zitting terecht heeft gewezen op het feit dat eiser al tijdens het nader gehoor is geconfronteerd met de bevindingen van Bureau Documenten en dus ook naar aanleiding van het gehoor een contra-expertise had kunnen aanvragen. De verwijzing van eiser naar artikel 51 van de Vw 2000 mist naar het oordeel van de rechtbank relevantie en het is de rechtbank onduidelijk wat eiser met deze verwijzing heeft willen betogen. Nu eiser en zijn gemachtigde niet bij de zitting aanwezig waren, is deze onduidelijkheid ook niet weggenomen.
Mocht de minister de identiteit van eiser ongeloofwaardig achten?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn identiteit onterecht ongeloofwaardig acht. Daarbij heeft de minister een onjuiste conclusie getrokken met betrekking tot het echt bevonden paspoort, namelijk de conclusie dat als het brondocument (in dit geval de geboorteakte) niet echt is, dat dan het paspoort frauduleus is verkregen. Latere twijfel over een brondocument kan namelijk een echt bevonden authenticiteitsbewijs niet ondermijnen zonder positief onderzoek naar het paspoort zelf, en dat heeft de minister niet gedaan.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft de minister, onder andere, gesteld dat geen waarde gehecht kan worden aan het, door de Koninklijke Marechaussee, echt bevonden paspoort. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij voor het verkrijgen van dit paspoort zijn geboorteakte heeft overgelegd. De geboorteakte van eiser is onderzocht door Bureau Documenten met als resultaat dat dit met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus is verkregen. Doordat aan het paspoort een niet-echt bevonden geboorteakte ten grondslag ligt, heeft de minister terecht onvoldoende waarde gehecht aan het paspoort ter onderbouwing van eisers identiteit. Dat Bureau Documenten het paspoort zelf niet heeft onderzocht, doet daar niet aan af. De minister heeft namelijk de verklaringen van eiser over het paspoort en de wijze waarop deze verkregen is, tegenstrijdig mogen vinden. Ook heeft de minister terecht gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn geboortedatum.
Mocht de minister eisers vrees bij terugkeer naar Gambia niet aannemelijk achten?
7. Eiser betoogt dat de minister onterecht stelt dat zijn vrees, gelet op het geloofwaardig geachte asielmotief, niet aannemelijk is. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij, omdat hij geen seksuele handelingen wilde verrichten, werd aangevallen door zijn werkgever, maar dat zijn buurjongen tussen hen in stond waardoor hij geraakt werd. De buurjongen is aan zijn verwoningen overleden en eiser wordt daarvan beschuldigd door de politie en de familie van de buurjongen. Deze kern is door de minister geloofwaardig geacht, waarmee sprake is van seksuele dwang, strafrechtelijke vervolging en familiale represailles. Dat is ten onrechte niet herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.
7.1.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Gambia te vrezen heeft vanwege het incident met zijn werkgever. Eiser weet namelijk niet of zijn buurjongen is overleden en heeft ook niet getracht dit te achterhalen. Ook heeft eiser niet getracht te achterhalen of en waarom hij gezocht zou worden. Daarnaast heeft eiser verklaard dat er veel getuigen waren van de aanval op de buurjongen, waardoor de minister terecht heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser verdacht wordt van de dood van zijn buurjongen, als de buurjongen daadwerkelijk is overleden. Tot slot wijst de minister er niet ten onrechte op dat eiser na zijn vlucht terug is gereisd naar Gambia voor het aanvragen van een paspoort. Het valt niet in te zien dat eiser terug zou gaan naar een land waar hij gezocht zou worden en dat hij vervolgens bij de autoriteiten een paspoort aanvraagt. Met betrekking tot de seksuele dwang stelt de minister terecht dat niet wordt ingezien dat eiser, als heteroseksuele man, zou worden vervolgd vanwege verzet tot seksuele dwang of geaardheid. Het is de rechtbank daarbij onduidelijk wat eiser heeft willen betogen met zijn punt over het Vluchtelingenverdrag. Dit betoog is ook niet onderbouwd. Deze onduidelijkheid is daarnaast niet weggenomen, omdat eiser en zijn gemachtigde niet bij de zitting zijn verschenen waardoor de rechtbank hierover geen duidelijkheid heeft kunnen vragen. De beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.