RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser, geboren op [geboortedatum],van Libische nationaliteit, V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A. Szirmai),
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J. Kamphuis).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, nadat zijn aanspraken op grond van de Richtlijn Tijdelijke bescherming waren beëindigd. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op 16 april 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Eiser heeft op 2 mei 2026 aanvullende gronden ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Libië problemen heeft ondervonden vanwege zijn stamafkomst. Zo is eiser meermaals gediscrimineerd vanwege zijn etniciteit. Zijn broer is vermist en een ver familielid van hem is vermoord. Eiser vreest bij terugkeer voor ontvoering en de gewapende milities. Ook vreest hij voor de autoriteiten, omdat hij kritiek op hen heeft geuit via een fragment op televisie. Daarnaast geeft eiser aan dat hij voor vrijheid van meningsuiting en tegen discriminatie is. Daarom is hij meer voorstander van het vorige regime (Gaddafi). Eiser voert aan gediscrimineerd, uitgescholden en geschopt te zijn toen hij zijn politieke mening uitte bij de controleposten. Hij vreest voor zijn veiligheid wanneer hij moet terugkeren.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Problemen vanwege stamafkomst; 3. Politieke overtuiging en activiteiten.
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn politieke overtuiging en activiteiten geloofwaardig. Eisers problemen vanwege zijn stamafkomst vindt de minister deels geloofwaardig. De minister vindt het geloofwaardig dat eiser is gediscrimineerd vanwege zijn Tobu-afkomst, dat hij is aangevallen door leden van een andere stam, dat zijn woning is aangevallen en de auto van zijn vader is gestolen door de Haftar-militie. Ook vindt de minister het geloofwaardig dat eisers broer vermist is, maar niet dat hij is ontvoerd door een militie van Haftar. Volgens de minister heeft eiser dit gebaseerd op vermoedens. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat, ook als eisers broer door een Haftar-militie is ontvoerd, eiser niet duidelijk maakt waarom hij zelf ook gevaar loopt om ontvoerd te worden. Tot slot acht de minister het niet aannemelijk dat eiser in de negatieve belangstelling staat, alleen omdat een ver familielid van hem is vermoord die tegenstander van Haftar is.
Zienswijze herhaald en ingelast
5. De rechtbank overweegt dat de enkele stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
6. Eiser voert aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister heeft verricht, in strijd is met het Unierecht. Bovendien is niet gebleken dat de minister bij de beoordeling rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar een uitspraak van deze zittingsplaats (Voetnoot 1) het volgende. De minister heeft eisers asielmotieven beoordeeld en aan het einde van deze beoordeling eisers verklaringen hieromtrent kenbaar in onderlinge samenhang beoordeeld en gewogen. Ook heeft de minister in de beoordeling de persoonlijke omstandigheden van eiser meegenomen. Op basis hiervan heeft de minister geconcludeerd dat de asielmotieven ongeloofwaardig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze werkwijze in eisers concrete geval een integrale beoordeling van het asielrelaas verricht. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de geloofwaardigheidsbeoordeling door de minister in overeenstemming is met het Unierecht. Vermissing broer en moord directeur veiligheidsdienst
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig vindt dat zijn broer is ontvoerd door de Haftar militie. Hoewel de aangifte van de vermissing niet vermeldt dat deze militie zijn broer heeft ontvoerd, is dat verklaarbaar omdat Haftar toen aan de macht was. De aangifte is dus bij hen gedaan. Volgens eiser loopt hij door zijn stamafkomst zelf ook het risico ontvoerd te worden. Daarnaast voert eiser aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig acht dat de vermoorde directeur van de veiligheidsdienst een ver familielid is en eiser daardoor in de negatieve belangstelling staat. Eiser heeft immers een kopie van het familieboekje overgelegd.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zijn standpunt dat het niet aannemelijk is dat eisers broer is ontvoerd door de Haftar militie deugdelijk gemotiveerd net als het antwoord op de vraag of eiser daardoor het risico loopt dat hem dit ook zal overkomen. Verder heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat de vermoorde directeur van de veiligheidsdienst een ver familielid van hem is. De enkele overeenkomst in naam tussen het familieboekje en de verklaring van Buitenlandse Zaken is daartoe onvoldoende. Loopt eiser bij terugkeer naar Libië een risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM?
8. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte niet geloofwaardig vindt dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit het ambtsbericht van juli 2025 (Voetnoot 2) volgt dat Libiërs die terugkeren, een risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en dit is ten onrechte niet bij beoordeling betrokken. Volgens eiser moet de minister alle twijfels wat betreft het risico op een artikel 3 van het EVRM schending wegnemen. Hierbij wijst eiser erop dat niet is gebleken dat vreemdelingen die terugkeren aan een bepaald profiel moeten voldoen om risico te lopen. Bij terugkeer op het Mitiga vliegveld in Tripoli landt eiser in een gebied waar sprake is van een artikel 15c-situatie. De Radaa-militie heeft daar controle op de in- en uitreis. Eiser loopt dan risico op langdurige ondervraging, arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling en buitengerechtelijke executie. Het advies van de UNHCR (Voetnoot 3) is dan ook om geen gedwongen terugkeer naar Libië te laten plaatsvinden. Bovendien maken eisers individuele omstandigheden het risico bij terugkeer voor hem groter. Door zijn opvallende uiterlijk en etniciteit (Tobu) zal hij gezien worden als Gaddafi loyalist. Hierbij wijst eiser erop dat hij zich in een video negatief heeft uitgelaten over Haftar en dat hij deze politieke overtuiging bij terugkeer niet voor zich zal houden. Volgens eiser moeten alle Gaddafi loyalisten een risicoprofiel verkrijgen. Tot slot stelt eiser dat zijn langdurige verblijf in Europa ook een risicoverhogende factor is.
8.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De door eiser aangehaalde video maakt het niet aannemelijk dat hij in de negatieve belangstelling zou staan. De minister heeft terecht gesteld dat eiser niets heeft gezegd in de video waarin negatief wordt gesproken over de Haftar militie. Hierbij betrekt de minister terecht dat eiser lastig te herkennen is op de video en dat het onduidelijk is of de autoriteiten überhaupt op de hoogte zijn van de video. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling dat een langdurig verblijf in het buitenland en het hebben van een donkere huidskleur, los of in onderlinge samenhang, geen gegronde vrees voor vervolging met zich meebrengt. (Voetnoot 4) Eiser heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat hij wegens zijn donkere huidskleur zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden, dat hij onmogelijk kan functioneren op maatschappelijk en sociaal gebied en daardoor sprake is van vervolging. Ook heeft eiser het niet met individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij door zijn langdurige verblijf in Europa in de negatieve belangstelling zou staan.
8.2.
Desondanks is de rechtbank van oordeel dat de minister moet onderzoeken en motiveren of personen met de Libische nationaliteit die terugkeren naar Libië, geen risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Uit de beschikbare landeninformatie, waar eiser terecht op wijst, volgt namelijk dat personen die terugkeren naar Libië. te maken kunnen krijgen met detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie. Dat de informatie uit het ambtsbericht gebaseerd is op slechts één bron en dat er verder weinig informatie bekend is over de situatie waarin personen met de Libische nationaliteit die terugkeren via de luchthaven bij Tripoli, terecht komen, maakt niet dat nu geconcludeerd kan worden dat eiser geen risico loopt bij terugkeer, te meer omdat de bron wel degelijk spreekt over risico’s bij terugkeer. De rechtbank oordeelt dat het in dit geval, mede gezien hetgeen ter terechtzitting is besproken, op de weg van de minister ligt om nader onderzoek te doen naar de risico’s bij terugkeer dan wel nader te motiveren waarom eiser bij terugkeer geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. (Voetnoot 5) Hierbij dient de minister ook te betrekken waarom eiser als lid van de Tobu-stam geen groter risico loopt. Eiser heeft er namelijk terecht op gewezen dat uit WBV 2024/12 blijkt dat de IND deze etnische groep als Gaddafi loyalist beschouwt. (Voetnoot 6) De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de afwijzing van eisers aanvraag in verband met artikel 3 van het EVRM en het daarop gebaseerde terugkeerbesluit, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 (het zorgvuldigheidsbeginsel) en 3:46 (het motiveringsbeginsel) van de Awb. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraag € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.