Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:15396

Op 2 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.30705, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:15396. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.30705
Datum uitspraak:
2 June 2026
Datum publicatie:
8 June 2026

Indicatie

Turkste vreemdeling is in 2006 ongewenst verklaard en heeft in 2024 verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring. Artikel 1F staat vast. Eiser voldoet niet aan artikel 6.6, vierde lid, onder b en d, van de Vb. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, beroep gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.30705

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Gürses),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N.E. Joseph).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser tot opheffing van zijn ongewenstverklaring. Eiser is het niet eens met de afwijzing van dit verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser krijgt dus gelijk. Dit betekent dat de minister een besluit nemen op het bezwaar van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

3. Eiser heeft op 19 april 2024 een verzoek ingediend tot opheffing van zijn ongewenstverklaring. De minister heeft dit verzoek met het besluit van 6 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van het verzoek gebleven.

4. Eiser heeft op 9 juli 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op 3 februari 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

5. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Voorgeschiedenis en totstandkoming van het bestreden besluit

Eerdere procedures

6. Eiser is geboren op [geboortedag] 1967 en is van Turkse nationaliteit. Eiser heeft op 23 januari 2001 een asielaanvraag ingediend, welke aanvraag is afgewezen op grond van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. De misdrijven waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden zijn terroristische activiteiten in Turkije door de militaire vleugel van Dev Sol waarvan eiser drie jaren deel heeft uitgemaakt. Bij uitspraak van deze rechtbank, deze zittingsplaats, van 24 februari 2005 is geoordeeld dat aan eiser terecht artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, maar dat artikel 3 van het EVRM ontoereikend is gemotiveerd. Deze uitspraak is door Afdeling (Voetnoot 1) bevestigd op 27 april 2005.

7. Eiser is op 31 januari 2006 vrijwillig met de Internationale Organisatie

voor Migratie (lOM) naar Turkije teruggereisd. In de IOM verklaring verklaart eiser dat hij Nederland vrijwillig verlaat en in verband daarmee - voor zover thans van belang - zijn verzoek om toelating als vluchteling en/of verlening van de vergunning tot verblijf intrekt.

8. Bij besluit van 2 maart 2006 is eisers asielaanvraag van 23 januari 2001 wederom afgewezen. Het ingestelde beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 9 mei 2007 niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep.

9. Eiser is op 22 mei 2006 ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat aan eiser artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is bij beschikking van 22 maart 2012 ongegrond verklaard. Dit besluit is in rechte komen vast te staan bij uitspraak van deze rechtbank van 25 januari 2013.

Huidige procedure

10. Eiser heeft op 19 april 2024 verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring. Verder heeft eiser verzocht om de signalering op te heffen in het (N)SIS. Voor zover nodig dient het verzoek te worden gelezen als een verzoek tot opheffing van het inreisverbod. Ter onderbouwing van zijn verzoek om opheffing heeft eiser diverse stukken overgelegd om te onderbouwen dat er geen sprake meer is van gevaar voor de openbare orde.

Het bestreden besluit

11. De minister heeft dit verzoek afgewezen omdat eiser niet tien jaren buiten Nederland is geweest en er geen bijzondere feiten en omstandigheden zijn die opheffing rechtvaardigen. Daarmee voldoet eiser niet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 6.6, vierde lid, onder b en d, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Alleen al hierom kan eisers verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring niet worden ingewilligd. De minister heeft verder gemotiveerd dat eiser ten tijde van het opleggen van de ongewenstverklaring een ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormde en dus aan het Unierechtelijke openbare ordecriterium voldeed. (Voetnoot 2) De afwijzing van het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ook is geen sprake van schending van artikel 3 en artikel 8 van het EVRM en bestaat geen aanleiding voor toepassing van artikel 4:84 van de Awb.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader

12. Op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan de minister een vreemdeling ongewenst verklaren, onder andere als deze vreemdeling – kort gezegd – veroordeeld is voor strafbare feiten of wanneer deze vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De ongewenstverklaring kan vervolgens op grond van artikel 68 van de Vw op aanvraag worden opgeheven, indien de vreemdeling voor een periode van tien jaar of meer onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en geen van de gronden als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Vw zich hebben voorgedaan.

13. De voorwaarden voor opheffing van de ongewenstverklaring zijn verder uitgewerkt in artikel 6.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

14. Op grond van artikel 6.6, eerste lid, onder b, wordt de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Vw, ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging terzake van enig misdrijf is onderworpen, en deze vreemdeling, indien hij ongewenst is verklaard wegens andere misdrijven dan bedoeld in onderdeel a, na de ongewenstverklaring tenminste vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven.

15. Op grond van artikel 6.6, tweede lid, van het Vb wordt in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, de aanvraag ingewilligd nadat de daar bedoelde vreemdeling tenminste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven, indien zwaarwegende belangen zich naar het oordeel van Onze Minister verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren.

16. Op grond van artikel 6.6, vierde lid, van het Vb zijn de gegevens, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, die de vreemdeling verstrekt in ieder geval:

(…)

b. een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft gehouden;

(…)

d. een schriftelijke verklaring, afgegeven door de terzake bevoegde autoriteiten van het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is.

Oordeel van de rechtbank

Artikel 6.6, vierde lid, van het Vb

17. Eiser voert aan dat hij wel voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 6.6, vierde lid, van het Vb. Eiser begrijpt niet waarom de minister nog steeds het standpunt handhaaft dat eiser niet tien jaren buiten Nederland is geweest en er geen bijzondere feiten en omstandigheden zijn. Eiser is op 31 januari 2006 vrijwillig teruggekeerd met het IOM en woont sindsdien met zijn gezin in Turkije. Hij heeft samen met zijn echtgenote en twee kinderen al die jaren in [plaats] gewoond en runt een succesvol bedrijf. Eiser heeft er nooit aan gedacht om een kopie van zijn oude paspoorten te overleggen. In de periode van 6 juli 2007 tot 29 juni 2012 heeft eiser niet over een paspoort beschikt. Het paspoort over de periode van 29 juni 2012 tot 29 juni 2017 heeft hij moeten inleveren. Zijn verblijf in Turkije kan hij wel op een andere manier aantonen. Eiser verwijst daartoe naar een gerechtelijke registratieverklaring van 28 juli 2024 en een verklaring van een bevoegde instantie over zijn grensregistratie van 7 augustus 2024 over periode van 1 januari 2009 tot en met 7 augustus 2024.

18. In geschil is of eiser over de periode 6 juli 2007 tot en met 16 mei 2017 voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 6.6, vierde lid, onder b en d, van het Vb. Vaststaat dat eiser over deze periode geen paspoort dan wel een kopie van een paspoort heeft overgelegd. Daarom wordt niet voldaan aan artikel 6.6, vierde lid, onder b, van het Vb. De rechtbank overweegt voorts dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser evenmin voldoet aan artikel 6.6 vierde lid, onder d, van het Vb. Eiser heeft wel een schriftelijke verklaring van het directoraat-generaal Strafregisters en Statistieken van de Republiek Turkije van 1 december 2023 en de Justitiële documentatie van 14 november 2024 overgelegd waarin staat dat eiser geen strafrechtelijke registratie heeft. Eiser heeft hiermee niet hebt aangetoond dat hij sinds 30 januari 2006 alleen in Turkije heeft verbleven. Op de zitting heeft de minister namelijk toegelicht dat het overleggen van (een kopie van) een verlopen grensoverschrijdingsdocument zoals bedoeld in artikel 6.6, vierde lid, onder b, van het Vb, is vereist om te kunnen onderbouwen in welke landen eiser is geweest sinds zijn vertrek uit Nederland en van welk land eiser een verklaring nodig heeft zoals bedoeld in artikel 6.6, vierde lid, sub d, van het Vb. Daarom zijn de hiervoor genoemde verklaringen van 1 december 2023 en 14 november 2024 onvoldoende om aan te nemen dat eiser zich tijdens zijn verblijf buiten Nederland niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is.

19. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenswerpen dat eiser niet voldoet aan de vereisten van artikel 6.6, vierde lid, onder b en d, van het Vb

Het Unierechtelijke openbare-ordecriterium

20. De rechtbank stelt voorop dat eiser Nederland in januari 2006 heeft verlaten en dat de ongewenstverklaring aan eiser is opgelegd bij besluit van 22 mei 2006. De aan eiser opgelegde ongewenstverklaring staat in rechte vast. Omdat de ongewenstverklaring is opgelegd voor 24 december 2010 - de uiterste datum waarop de Terugkeerrichtlijn (Voetnoot 3) geïmplementeerd had moeten zijn - is de ongewenstverklaring aan te merken als een inreisverbod voor onbepaalde tijd, waarvan de gevolgen in beginsel niet langer jegens de vreemdeling mochten worden gehandhaafd dan vijf jaar nadat hij het grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten, tenzij die vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, openbare veiligheid of de nationale veiligheid. (Voetnoot 4) Eiser valt daarom alsnog onder de Terugkeerrichtlijn.

21. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiser nog altijd een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 68 van de Vw, in samenhang gelezen met artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. De toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag ten aanzien van eiser staat in rechte vast, zoals bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2005. Volgens de minister is nog altijd sprake van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving zoals bedoeld in de arresten van het HvjEU zoals genoemd in rechtsoverweging 11. In dit geval weegt het zwaar dat eiser zich nimmer heeft gedistantieerd van de aan eiser verweten gedragingen, die naar hun aard en omvang als

zwaarwegend en schokkend worden aangemerkt. De ernst van de misdrijven, die tot toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag heeft geleid, en het feit dat eiser geen enkele vorm van verantwoording of spijt heeft getoond, rechtvaardigen dat eisers aanwezigheid in de EU een actuele bedreiging vormt voor fundamentele waarden, waaronder de bescherming van de internationale rechtsorde. Het enkele feit dat eiser na zijn vertrek uit Nederland niet opnieuw met justitie in aanraking zou zijn gekomen, is in dat licht onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Ook het beroep op de gestelde maatschappelijke integratie in Turkije en het ontbreken van een strafblad in de afgelopen jaren, doet daar niet aan af. De door eiser gestelde persoonlijke omstandigheden, waaronder het voeren van een gezinsleven in Turkije, het hebben van werk en het gestelde dat hij geen strafblad heeft sinds 2006, worden bij de beoordeling betrokken, maar kunnen in het licht van de ernst van de 1F-grond onvoldoende gewicht in de schaal leggen.

22. Eiser voert aan dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser thans een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging zou vormen voor de openbare orde. Hij begrijpt niet waarop de minister het standpunt baseert dat uit zijn houding niet zou blijken dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen. Eiser vraagt zich af waarop deze aannames zijn gebaseerd en uit welke gedragingen zou blijken dat eiser geen verdriet heeft getoond. Uit eisers verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring blijkt in ieder geval niets van deze aannames. Eiser voegt daaraan toe dat hij wel degelijk verantwoordelijkheid heeft genomen en spijt heeft van wat er in die tijd is gebeurd. Hij heeft zich uitdrukkelijk

gedistantieerd van de verweten gedragingen. Het verdriet en de emotionele belasting hebben mede geleid tot zijn beslissing om terug te keren naar Turkije. Eiser is ten onrechte niet gehoord en had dit nader kunnen toelichten in een hoorzitting.

23. De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De verwijzing van de minister naar het feit dat eiser geen spijt of berouw heeft getoond vindt de rechtbank onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat eiser nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele warden. Het had op de weg van de minister gelegen om eiser hierover te horen, zodat eiser dit had kunnen toelichten. Uit de beoordeling blijkt evenmin hoe het tijdsverloop sinds de 1F-gedragingen is betrokken en op welke wijze de minister heeft onderzocht wat eiser sinds zijn vertrek uit Nederland in 2006 heeft gedaan. Dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag in rechte vaststaat, en dat het hierbij gaat om ernstige misdrijven waarvoor eiser geen spijt of berouw heeft getoond is daartoe onvoldoende. De rechtbank oordeelt dat het standpunt van de minister, dat nog steeds sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, niet berust op een deugdelijke motivering. Er is op onjuiste wijze toepassing gegeven aan het toetsingskader van het arrest van het Hof van Justitie van 2 mei 2018, in de zaken K. en H.F., ECLI:EU:C:2018:296, rechtsoverweging 66.

24. Gelet op wat onder 23 is geconcludeerd, komt de rechtbank niet meer toe aan eisers betoog dat de minister geen deugdelijke evenredigheidsbeoordeling heeft verricht en de vraag of handhaving van de ongewenstverklaring in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Conclusie en gevolgen

25. Zoals onder 23 geconcludeerd is in het besluit onvoldoende gemotiveerd dat eiser nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.

26. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen op het bewaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, waarbij hij de door eiser aangevoerde omstandigheden zorgvuldig onderzoekt en vervolgens kenbaar bij de te maken beoordeling betrekt en motiveert wat dit betekent voor de vraag of eiser nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Daarbij dient de minister ook de in beroep aangevoerde omstandigheden te betrekken die volgens eiser maken dat hij, gelet op de door het Hof in punt 66 van het arrest K. en H.F. voorgeschreven beoordeling, niet langer een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De minister dienst eiser te horen in het kader van een zorgvuldige besluitvorming.

27. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Zij stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1)

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

­ vernietigt het bestreden besluit;

­ draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

­ veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk - Salomons, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Voetnoot 2

zoals bedoeld in de arresten Z. Zh. en I.O. van 11 juni 2015, en K. (C-331/16) en H.F. (C-366-16) van 2 mei 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie

Voetnoot 3

Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven

Voetnoot 4

Arrest van het Hof van Justitie van 19 september 2013, ECLI:EU:C:2013:569, Filev en Osmani en de uitspraken van de Afdeling van 30 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2538 en van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:622