RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Procesverloop
Verweerder heeft op 21 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 5 juni 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 2000.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 mei 2026 (in de zaak NL26.23474) (Voetnoot 1) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 mei 2026.
4. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Hiertoe voert hij aan dat door de DT&V (Voetnoot 2) is medegedeeld dat de Marokkaanse autoriteiten niet bereid zijn om een LP (Voetnoot 3) te verstrekken en evenmin hem op een (kopie) van zijn verlopen paspoort te laten reizen.
5. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen (Voetnoot 4), of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. De stelling van eiser dat de DT&V tegen hem gezegd zou hebben dat de Marokkaanse autoriteiten niet meewerken aan het verstrekken van een LP en dat eiser niet op een verlopen paspoort kan reizen, vindt geen steun in het verslag van het vertrekgesprek van 18 mei 2026. De rechtbank stelt vast dat het LP-traject van eiser nog loopt en dat verweerder regelmatig rappelleert. Uit de voortgangsrapportage van 2 juni 2026 volgt dat verweerder dit laatstelijk op 15 mei 2026 nog heeft gedaan.
6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.