uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op geboren op [geboortedag] 1977, van Turkse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel wedertoelating.
1.2.
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 13 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 april 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Yildiz als Tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Daaraan legt de minister ten grondslag dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor wedertoelating op grond van artikel 3.92 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat Nederland het meest aangewezen land is voor haar. Ten aanzien van artikel 8 van het EVRM (Voetnoot 1) stelt de minister zich op het standpunt dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in Nederland. Ook bestaat geen aanleiding om op grond van privéleven verblijf toe te staan, nu eiseresslechts kort in Nederland heeft gewoond en al 41 jaar in Turkije verblijft, waar zij is opgegroeid, onderwijs heeft gevolgd en over haar sociale netwerk beschikt. Gelet daarop wordt haar binding met Turkije sterker geacht dan met Nederland, zodat zij niet aan Nederland is gebonden voor haar privéleven.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres voert aan dat zij opnieuw tot Nederland dient te worden toegelaten. Zij heeft van 1977 tot 1983 rechtmatig in Nederland verbleven. Daarna is zij als minderjarige met haar ouders naar Turkije verhuisd. Dit gebeurde onder het gezag van haar ouders. Zij heeft nooit afstand gedaan van haar wens om naar Nederland terug te keren. In dat kader betoogt eiseres dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Nederland niet het meest aangewezen land voor haar zou zijn. De beoordeling of Nederland het meest aangewezen land is, vergt meer dan een optelsom van het aantal jaren dat in een ander land is verbleven. Dat geldt te meer nu zij als kind is vertrokken onder het gezag van haar ouders, nooit afstand heeft gedaan van haar wens om terug te keren en nog steeds wezenlijke persoonlijke banden met Nederland onderhoudt. Ook voert eiseres aan dat de minister haar belangen in het kader van haar privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM niet kenbaar heeft meegewogen in het bestreden besluit. Ten slotte voert eiseres aan dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord tijdens de bezwaarprocedure.
4. Op grond van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die:
voor het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft gehad en wiens aanvraag is ontvangen voor het negenentwintigste levensjaar, of;
voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, en voor wie Nederland naar het oordeel van de minister het meest aangewezen land is.
Het oordeel van de rechtbank
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres voor haar negentiende levensjaar gedurende een ononderbroken periode van tenminste vijf jaren rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich op dit punt beperkt tot de vraag of Nederland voor eiseres het meest aangewezen land is.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat Nederland voor eiseres niet het meest aangewezen land is. De minister heeft dit standpunt voldoende gemotiveerd en daarbij alle door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden betrokken. Zo heeft de minister van belang mogen achten dat eiseres in Nederland slechts de kleuterschool heeft doorlopen en inmiddels al 41 jaar niet meer in Nederland heeft verbleven, terwijl zij al die jaren in Turkije heeft gewoond. Eiseres heeft daar het grootste deel van haar schoolopleiding gevolgd, is er gehuwd en heeft er een gezin gevormd. Daarnaast beschikt zij daar over haar familie en sociale netwerk en heeft zij er langdurig verbleven. De minister heeft er terecht op gewezen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres sterke banden met Nederland heeft. De gestelde contacten met haar verzorger, vrienden en kennissen in Nederland zijn niet geconcretiseerd of onderbouwd. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat eiseres sinds haar vertrek in 1983 nog naar Nederland is teruggekeerd of de Nederlandse taal beheerst. Dat zij als minderjarige geen keuze had om in Nederland te blijven en altijd de wens heeft gehad om naar Nederland terug te keren, betekent niet dat Nederland voor haar het meest aangewezen land is. De minister heeft in dit verband kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiseres sinds haar vertrek in 1983 op enig moment heeft geprobeerd om naar Nederland terug te keren. Daarbij heeft de minister kunnen meewegen dat de door eiseres gestelde belemmeringen om eerder terug te keren, te weten de ziekte en het overlijden van haar broer en vader in Turkije, zien op de periode 2011 tot en met 2018. Eiseres is echter reeds in 1983 naar Turkije teruggekeerd en heeft in 1995 de meerderjarige leeftijd bereikt.
6. Voor zover eiser heeft betoogd dat de afwijzing van de aanvraag een schending oplevert van artikel 8 van het EVRM, kan dit beroep niet slagen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres voor de uitoefening van haar privéleven niet aan Nederland is gebonden. Zo heeft de minister kunnen overwegen dat eiseres enkele jaren in Nederland heeft gewoond en inmiddels al 41 jaar in Turkije verblijft. De minister heeft er verder op mogen wijzen dat eiseres gedurende die periode in Turkije heeft verbleven, bekend is met de daar geldende cultuur en gebruiken en aldaar een sociaal netwerk heeft van familie en vrienden. Daaruit heeft de minister mogen afleiden dat eiseres sterkere (sociale) banden met Turkije heeft dan met Nederland. Niet is gebleken van zeer bijzondere banden met Nederland op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat eiseres aan Nederland is gebonden. Evenmin heeft zij concreet onderbouwd dat zij meer binding heeft met de Nederlandse dan met de Turkse samenleving. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat de stelling dat eiseres wezenlijke persoonlijke banden in Nederland onderhoudt niet onderbouwd is, waardoor niet is aangetoond dat eiseres zodanig sterke banden met Nederland heeft dat aan eiseres verblijf toekomt op grond van het door artikel 8 van het EVRM beschermde privéleven.
7. Het beroep op schending van de hoorplicht kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin slagen. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiseres in bezwaar geen wezenlijk andere informatie heeft verstrekt dan eerder al was gedaan. Uit het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn, was op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk dat het bezwaar niet tot een ander besluit had kunnen leiden. De minister heeft daarom op goede gronden geoordeeld dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond was als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, Algemene wet bestuursrecht.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.