RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N.N. Mikolajczyk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister eisers gestelde homoseksualiteit niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en dat daarbij voldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is van Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1986. Eiser verklaart homoseksueel te zijn en daarom gevaar te lopen in Algerije. Eiser verklaart dat hij diverse relaties
heeft gehad met mannen in Algerije en dat hij zijn homoseksualiteit tweeëntwintig jaar verborgen heeft moeten houden. Daarnaast verklaart eiser dat hij is Algerije is mishandeld en verkracht door zeven personen naar aanleiding van een ruzie over geld. Eiser is na dit incident nog een jaar in Algerije verbleven en is toen gevlucht. Eiser vreest vermoord te worden vanwege zijn homoseksualiteit.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Eisers seksuele gerichtheid;
Mishandeling vanwege een geldbedrag.
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister stelt zich over de andere asielmotieven op het standpunt dat eiser deze niet geheel heeft onderbouwd met objectieve documenten (Voetnoot 1), zodat het door de minister verder op geloofwaardigheid is getoetst. De minister vindt dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn homoseksualiteit en de mishandeling, zodat deze ongeloofwaardig zijn. (Voetnoot 2) Volgens de minister zijn de geloofwaardig geachte Algerijnse nationaliteit en zijn herkomst niet voldoende voor een verblijfsvergunning. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.
Heeft de minister de gestelde seksuele gerichtheid en problemen ongeloofwaardig mogen vinden?
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser wijst op zijn achtergrond, zijn cultuur, zijn islamitische geloof, de in het Algerijnse maatschappelijk verkeer geldende opvattingen, zijn onderwijsniveau en het lage niveau van toelichting over homoseksualiteit in Algerije. De omstandigheid dat eiser zich volgens de minister niet bewust was van een ontwikkelingsproces maakt daarom dat de minister desondanks had moeten aannemen dat hij homoseksueel is.
5.1.
Het betoog slaagt niet. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister te weinig is uitgegaan van of anderszins onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De minister heeft in het voornemen expliciet aandacht besteed aan eisers afkomst, zijn levensloop en zijn onderwijsniveau. De minister wijst er terecht op dat hij hoe dan ook van eiser mag verwachten dat hij authentieke verklaringen aflegt. Dit volgt ook uit de toepasselijke Werkinstructie. (Voetnoot 3)
Heeft eiser samenhangend en aannemelijk verklaard over zijn seksuele gerichtheid?
6. Tussen partijen is niet in geding dat eiser dit asielmotief niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De rechtbank bespreekt de besluitvorming hieronder aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. Eiser betoogt dat de minister ten aanzien van het contact tussen hem en zijn buurjongen [persoon A] en [persoon B] ten onrechte verwacht dat sprake is van een relatie, terwijl ook gewoon sprake zou kunnen zijn geweest van seksueel contact. De kern van de zaak is volgens eiser dat hij seks heeft met mannen en dat hij dat essentieel vindt voor zijn persoon. De minister heeft daarom ten onrechte gezocht naar een ontwikkelingsproces. Verder betoogt eiser dat hij ten aanzien van de mishandeling de waarheid heeft verklaard.
7.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn gestelde seksuele gerichtheid. De minister heeft eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat hij wel heeft verklaard over de seksuele ervaringen met [persoon A] en [persoon B], maar dat deze verklaringen oppervlakkig waren. Zo waren eiser en [persoon A] naar eigen zeggen ook buurjongens en klasgenoten waardoor eiser meer over [persoon A] had moeten kunnen verklaren. De minister wijst erop dat hij daarover slechts verklaarde dat het leuk en mooi was met [persoon A] en dat het een langdurige relatie was. Ook heeft de minister eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat hij, toen hem werd gevraagd naar zijn gevoelens voor [persoon A], vooral uiterlijke kenmerken heeft genoemd en onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn emotionele beleving en persoonlijke gevoelens.
7.2.
Verder werpt de minister eiser niet ten onrechte tegen dat eisers verklaringen geen inzage geven in zijn belevingswereld. Uit eisers verklaringen komt impliciet weliswaar naar voren dat hij kennelijk alleen geïnteresseerd was in seks, maar hij heeft dat nooit expliciet verklaard. Dat had wel van eiser verwacht mogen worden. De minister heeft eiser ook niet ten onrechte tegengeworpen dat hij over [persoon B] heel weinig weet te verklaren. Zo weet eiser niet eens zijn achternaam te noemen. De minister werpt eiser verder niet ten onrechte tegen dat hij met betrekking tot [persoon B] alleen over feitelijkheden verklaart, maar niet voldoende over zijn eigen belevingswereld. De omstandigheid dat eiser naar eigen zeggen voornamelijk geïnteresseerd was in seks doet daaraan niet af. Dat had eiser dan moeten verklaren, hetgeen hij niet expliciet heeft gedaan.
De mishandeling en de overige tegenwerpingen van de minister
8. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de mishandeling niet heeft onderbouwd met documenten. Eiser stelt dat de minister de mishandeling alsnog geloofwaardig had moeten achten, maar gaat in beroep niet op het standpunt waarom de verklaringen van eiser over dit asielmotief gaan samenhangend en aannemelijk geheel vormen, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Daarom heeft de minister dit asielmotief ongeloofwaardig mogen achten.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.