Procesverloop
Procesverloop
De minister heeft op 1 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 april 2026 (in de zaak NL26.18025) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Over hetgeen eiser heeft aangevoerd, dat er in de kern op neerkomt dat de minister onzorgvuldig en onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser, terwijl eiser heeft aangegeven dat hij zo snel mogelijk naar Marokko wil terugkeren, overweegt de rechtbank als volgt.
Het voortvarendheidsvereiste
5. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez passer (lp), laatstelijk op 23 april 2026. Dat door eiser overgelegde stukken zoals een schoolcertificaat niet mee zijn gezonden aan de Marokkaanse autoriteiten en dat de minister niet heeft geïnformeerd of de wel doorgezonden kopie van een paspoort door de Marokkaanse autoriteiten is ontvangen maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister hiermee onzorgvuldig handelt. De minister heeft in zijn verweerschrift van 8 mei 2026 toegelicht dat het onderzoek dat de Marokkaanse autoriteiten verrichten op basis van vingerafdrukken/dacty gebeurt. De door eiser aangevoerde omstandigheden, te weten dat hij mee zou werken aan zijn uitzetting en daartoe stukken heeft overgelegd, maken niet dat de minister in deze zaak meer of andere handelingen had dienen te verrichten dan hij heeft gedaan. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister voor wat betreft de afgifte van een lp afhankelijk is van de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten en hier
in beperkte mate invloed op kan uitoefenen. De rechtbank overweegt verder dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat deze werkwijze niet tot het gewenste resultaat zal leiden, te meer niet nu de Marokkaanse autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Verder heeft de minister op 9 april 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De omstandigheid dat sindsdien geen vertrekgesprek is gevoerd met eiser leidt niet tot de conclusie dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Het onderzoek loopt en eiser kan te allen tijde zelf verzoeken om een vertrekgesprek als hij iets wil bespreken met de regievoerder. Gelet op voornoemde uitzettingshandelingen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de minister de uitzetting van eiser voldoende zorgvuldig en voortvarend ter hand neemt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.