Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:16112

Op 11 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.49447, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:16112. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.49447
Datum uitspraak:
11 June 2026
Datum publicatie:
15 June 2026

Indicatie

BNT – beroep niet tijdig – regulier – gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49447

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B.W.C. van Geet)

en

de minister van Asiel en Migratie(Voetnoot 1) verweerder.

Procesverloop

Procesverloop

Eiser heeft op 22 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verblijf bij zijn echtgenote [referent] (referent).

Bij uitspraak van 11 november 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van 22 oktober 2024 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van acht weken dan wel twintig weken een besluit op de aanvraag te nemen (ECLI:NL:RBDHA:2024:18527).

Op 25 maart 2025 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.

Bij uitspraak van 10 juli 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van 25 maart 2025 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen twee weken een besluit op de aanvraag te nemen (ECLI:NL:RBDHA:2025:12440).

Op 9 oktober 2025 heeft eiser het huidige beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.

Verweerder heeft op 27 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. (Voetnoot 2) Uit deze jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.

2. In haar uitspraak van 10 juli 2025 heeft de rechtbank het tweede beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000.

3. Eiser heeft het derde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag ingesteld op 9 oktober 2025. Verweerder heeft nog altijd geen besluit genomen op de aanvraag. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.

4. Verweerder hanteert per 15 januari 2024 het ‘first-in first-out’(fifo)-principe om de verwerking van nareisaanvragen efficiënter, eerlijker en voorspelbaarder te maken. De aanvraag van eiser wordt volgens dit principe naar verwachting in augustus 2026 in behandeling genomen. Verweerder verzoekt de rechtbank daarom primair om het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag pas in behandeling te nemen op het moment dat verweerder de gelegenheid heeft gehad om de aanvraag in behandeling te nemen. Subsidiair verzoekt verweerder om een zo ruim mogelijke beslistermijn op te leggen.

5. Gelet op de bestaande beslispraktijk vindt verweerder een beslistermijn van twintig weken redelijk. Daarbij verzoekt verweerder om de rechterlijke dwangsom in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 mei 2025 (Voetnoot 3) vast te stellen op € 100 per dag, met een maximum van € 7.500.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde beslistermijn van twee weken waarbinnen verweerder een besluit bekend dient te maken. De rechtbank heeft in haar eerste uitspraak op het beroep al een redelijke nadere beslistermijn gesteld. Daar komt bij dat sinds het vollopen van de

rechterlijke dwangsom wederom geruime tijd is verstreken en verweerder nog geen besluit

op de aanvraag heeft genomen. Bovendien is na het indienen van het verweerschrift tot deze uitspraak meer dan zes maanden verstreken. De rechtbank draagt verweerder daarom op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.

7. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 50 aan eiser verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank merkt in dit verband op dat uit de eerder aan verweerder opgelegde dwangsom vooralsnog een onvoldoende prikkel is gebleken, nu een besluit op de aanvraag is uitgebleven.

8. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 moet vergoeden en om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

? verklaart het beroep gegrond;

? vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

? draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;

? bepaalt dat verweerder wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag aan eiser een dwangsom van € 50 (vijftig euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);

? bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 (honderdvierennegentig euro) moet vergoeden;

? veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van B. Biyikli, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoot

Voetnoot 1

Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Voetnoot 2

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RVS:2025:2337.