Overwegingen
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 25 september 2025 ingediend.
1.2.
Op 4 december 2025 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit terugnameverzoek op 9 december 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
3. Eiser voert in de eerste plaats aan dat het bestreden besluit niet voldoet aan het motiverings- zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. Ook is het bestreden besluit in strijd met artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, artikel 17 van de Dublinverordening en artikel 4 van het Handvest genomen. De asielprocedure in Duitsland bevat volgens eiser namelijk systeemfouten. Ook is eiser na een asielverzoek van 12 november 2022, door diverse omstandigheden, pas in 2025 overgedragen aan Duitsland. De Dublinverordening heeft als doelstelling om verzoeken snel te behandelen en de Nederlandse Vw hanteert als uitgangspunt 21 maanden om een beslissing op een asielverzoek te nemen. Verweerder had dit mee moeten wegen. Eiser is van mening dat hij destijds onterecht naar Duitsland is overgedragen. Toen eiser naar Duitsland is overgedragen (als Dublinclaimant) moest hij daar noodgedwongen een asielverzoek indienen. Nu heeft Duitsland op grond van dat asielverzoek de Dublinclaim geaccepteerd. Uit de verklaringen van eiser blijkt ook dat hij uit meerdere AZC’s is weggestuurd in Duitsland, waarmee het recht op opvang door Duitsland is geschonden. Ook lijdt eiser aan astma en moest hij voor zijn eigen medicatie betalen in Duitsland, dit had potentieel ernstige gevolgen voor zijn gezondheid. De vrouw en vijf kinderen van eiser verblijven al jaren onder moeilijke omstandigheden in Turkije, zonder dat eiser iets voor ze kan betekenen. Ten slotte is de claim geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening, het is eiser niet bekend of zijn asielaanvraag in Duitsland is afgewezen.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiser daartegen heeft aangevoerd.
Eerdere overdracht naar Duitsland
5. Het besluit dat op 8 maart 2023 is genomen, op grond waarvan de asielaanvraag van eiser niet in Nederland in behandeling is genomen en eiser naar Duitsland is overgedragen, heeft formele rechtskracht gekregen. De rechtbank heeft over dit besluit geoordeeld en was op dat moment ook al bekend met het feit dat de procedure langer heeft geduurd. De rechtbank heeft gewacht met het doen van een uitspraak in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). Na deze uitspraak kon eiser pas na een nieuw claimakkoord van Duitsland worden overgedragen aan Duitsland. Verweerder heeft dit in deze procedure niet mee hoeven wegen, nu deze procedure ziet op een nieuwe asielaanvraag.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, en 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
6.2.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Duisland.
Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet met landeninformatie aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten op het gebied van opvang en zorg, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM.
6.4.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser ook met zijn verklaringen over wat hij zelf in Duitsland heeft meegemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft weliswaar aangevoerd dat hij in Duitsland uit meerdere AZC’s is weggestuurd en van opvang verstoken is geweest, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat eiser na overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met voormelde bepalingen. De ervaringen van eiser gaan niet over de situatie dat hij als Dublinclaimant aan Duitsland zal worden overgedragen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64). Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu uit de stukken niet blijkt dat hij eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Duitsland. Ter zitting heeft verweerder er aanvullend op gewezen dat ook uit de informatie van de Dienst Terugkeer & Vertrek niet blijkt dat eiser als Dublinclaimant is overgedragen aan Duitsland. Daarnaast heeft eiser aangevoerd hij voor zijn eigen medicatie moest betalen in Duitsland, maar dit heeft eiser verder niet onderbouwd met documenten. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij als gevolg van deze gebeurtenissen nog steeds problemen ondervindt. Uit het door eiser overgelegde medische dossier blijkt wel dat eiser astma heeft. Eiser heeft hiermee alleen niet aannemelijk gemaakt dat hij in Duitsland geen toegang zou hebben tot medische zorg of dat deze zorg ontoereikend zou zijn.
6.5.
De Duitse autoriteiten hebben met het uitdrukkelijke claimakkoord gegarandeerd dat het verzoek van eiser om internationale bescherming zal worden behandeld. Indien eiser zich na overdracht aan Duitsland, onverhoopt, geconfronteerd zou zien met problemen (bijvoorbeeld bij het verkrijgen van opvang of zorg), geldt dat hij zich hierover dienen te beklagen bij de Duitse (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen of dat klagen in Duitsland onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Daarnaast ziet de Dublinprocedure enkel op de verantwoordelijkheidsbepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Hoewel het begrijpelijk is dat het voor eiser lastig is om niets voor zijn familie te kunnen betekenen, ziet deze procedure ook niet op de omstandigheden van het gezin van eiser in Turkije.
6.6.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de Duitse autoriteiten hun internationale verplichtingen ten aanzien van eiser nakomen, en dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die erop wijzen dat bij zijn overdracht aan Duitsland het tegendeel het geval zal zijn en dat hij om die reden een reëel risico loopt om in Duitsland in een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige situatie terecht te komen. Gelet hierop heeft verweerder terecht gesteld dat hij niet op grond van artikel 3, tweede lid, derde alinea, van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, en heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, eerste gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) aan zich te trekken. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
7.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
7.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Wat eiser heeft aangevoerd, is al beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.