Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:16640

Op 8 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL24.19478, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:16640. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL24.19478
Datum uitspraak:
8 June 2026
Datum publicatie:
19 June 2026

Indicatie

Derdelander Oekraïne zaak. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit mogen opleggen. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.19478

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. W. van Hoof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 28 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Inleiding en procesverloop

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) (Voetnoot 1) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit. (Voetnoot 2)

4. Op 7 februari 2024 heeft de minister eiser een terugkeerbesluit opgelegd en aan hem medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

5. Op 28 juli 2025 heeft de minister aan eiser een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – mede door middel van het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen – aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had in Nederland. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken. (Voetnoot 3)

6. Eiser heeft het beroep gehandhaafd en zijn beroepsgronden aangevuld.

7. Als reactie hierop heeft de minister een verweerschrift ingediend.

8. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, NL25.43019, op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid

9. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 daarom inhoudelijk beoordelen.

10. Nu de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van zijn proceskosten, omdat het besluit prematuur is genomen. (Voetnoot 4) De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 24.

Prematuur terugkeerbesluit

11. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 ook nog prematuur is, omdat zijn rechtmatig verblijf pas eindigde op 4 september 2025. Voor die tijd kan volgens eiser geen terugkeerbesluit genomen worden. Daarvoor verwijst hij naar artikel 6 van richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn), waaruit volgt dat een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft nog geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd.

12. Uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van 19 december 2024 (Voetnoot 5) volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.

13. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit niet prematuur opgelegd. Uit voormeld arrest van het Hof volgt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 door de minister rechtmatig is, wat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is bevestigd in haar uitspraken van 23 april 2025. (Voetnoot 6) Het verblijf van eiser was daardoor vanaf die datum illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat deze bevriezingsmaatregel betekende dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dat betekent dus niet dat de tijdelijke bescherming onder de RTB tot 4 september 2025 werd verlengd. De beroepsgrond slaagt niet.

Toezeggingen en het vertrouwensbeginsel

14. Eiser is verder van mening dat er toezeggingen zijn gedaan door de Nederlandse overheid dat de groep derdelanders met een tijdelijk verblijfsvergunning in Oekraïne hetzelfde moet worden behandeld als Oekraïners en derdelanders met een permanent verblijfsvergunning in Oekraïne. Daardoor mocht eiser erop vertrouwen dat hij van tijdelijke bescherming zou genieten voor de maximale duur van de RTB.

15. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 (Voetnoot 7) geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. Daarmee heeft de Afdeling geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel daarmee niet aan de orde is. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 (na de beantwoording van de prejudiciële vragen in het arrest Kaduna en Abkez), onder verwijzing naar de uitspraak van 17 januari 2024, overwogen dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen. Ook de rechtbank ziet geen grond om anders te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM

16. Voorts wijst eiser erop het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM). Hij wijst erop dat hij al vanaf april 2022 in Nederland woont en werkt. Eiser heeft perspectief in Nederland, vrienden en een relatie. Hij levert verder een bijdrage aan deze samenleving en draagt sociale lasten af. Daardoor heeft hij rechten opgebouwd om in ieder geval tot het einde van de oorlog in Oekraïne in Nederland te mogen blijven.

17. De rechtbank overweegt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven. Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat hieronder moet worden begrepen dat er ook geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld als daarmee een inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander. (Voetnoot 8)

18. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiseres op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking voor een verblijfsrecht. De Terugkeerrichtlijn ziet uitsluitend op de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders en niet op de verkrijging van verblijfsrechten. Wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven dan wel zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.

19. Wel moet de minister dus bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening houden met het privéleven van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat in dit geval voldoende gedaan. Eiser is in het voornemen van 4 juni 2025 uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om redenen naar voren te brengen waarom zou moeten worden afgezien van het terugkeerbesluit. De minister heeft ten aanzien van de persoonlijke situatie van eiser, zoals naar voren gebracht in de zienswijze, in het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 terecht overwogen dat eiser een aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM kan indienen. In beroep wordt verwezen naar dezelfde persoonlijke situatie. De minister heeft zich vervolgens in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat het privéleven van eiser dat hij gedurende zijn verblijfsperiode hier heeft opgebouwd, niet in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat de minister volgens het Hof bevoegd is om het tijdelijk verblijf te beëindigen, zoals reeds is overwogen. Verder gaat het niet om langdurig verblijf en waren de aan eiser gegeven rechten op grond van de RTB tijdelijk van aard en moet dit geacht worden voor hem ook duidelijk te zijn geweest. De beroepsgrond slaagt niet.

Individuele belangenafweging

20. Verder stelt eiser dat de minister heeft nagelaten om een individuele belangenafweging te maken.

21. De rechtbank is met de minister van oordeel dat voor een individuele belangenafweging in deze procedure geen plaats is. De tijdelijke bescherming is immers op 4 maart 2024 van rechtswege afgelopen, zoals reeds is overwogen. Daardoor hoefde de minister ook geen op een betrokkene toegespitste beoordeling te maken die verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfstitel. De beroepsgrond slaagt niet.

SIS-registratie

22. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat zijn SIS-registratie moet worden opgeheven overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/186012 voeren de lidstaten in het SIS signaleringen in van onderdanen van derde landen aan wie een terugkeerbesluit is opgelegd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en om de tenuitvoerlegging van terugkeerbesluiten te ondersteunen. Wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, wordt onverwijld een signalering inzake terugkeer in het SIS ingevoerd. De rechtbank stelt vast dat deze bepaling lidstaten verplicht om iedere vreemdeling met een terugkeerbesluit te signaleren in het SIS. Dat heeft verweerder dan dus ook terecht gedaan. De rechtbank merkt nog op dat de SIS-registratie verdwijnt nadat eiser heeft voldaan aan zijn terugkeerplicht. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de in het terugkeerbesluit gestelde termijn terugkeren naar Pakistan.

24. Omdat de niet-ontvankelijkheidverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2023 het gevolg is van de vervanging van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1)

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juli 2025 ongegrond; en

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

8 juni 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.

Voetnoot 2

Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.

Voetnoot 3

Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1829).

Voetnoot 4

Volgt uit het Kaduna en Abkez arrest van het Hof, zie de voorgaande voetnoot.

Voetnoot 5

Zie voetnoot 3.

Voetnoot 6

ECLI:RVS:2025:1828, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1830.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RVS:2024:32.

Voetnoot 8

ECLI:EU:C:2022:913.