Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:16643

Op 19 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.9136, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:16643. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.9136
Datum uitspraak:
19 June 2026
Datum publicatie:
19 June 2026

Indicatie

Dublin Duitsland. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.9136

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R. van Dooren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1

De minister heeft met het besluit van 3 maart 2026 de overdrachtstermijn tot 18 maanden verlengd.

1.2

De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk heeft en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 1) In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

Procesbelang

5. De minister stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van procesbelang en verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 februari 2019 (Voetnoot 2). Volgens de minister volgt hieruit dat voor het aannemen van procesbelang nodig is dat de gemachtigde weet dat eiser nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met eiser contact heeft over het verdere verloop van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. De enkele omstandigheid dat gemachtigde heeft laten weten dat hij nog contact heeft met eiser is daarom onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van procesbelang, aldus de minister.

6. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 1 juli 2024 (Voetnoot 3) (r.o. 2.7) moet de bestuursrechter voorzichtig omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. Dit vanwege het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming. De Afdeling heeft in deze uitspraak ook overwogen dat een vreemdeling belang heeft bij zijn (hoger) beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat er nog contact wordt onderhouden met de vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij daar geen belang meer bij heeft.

7. Hoewel de mededeling van de gemachtigde van 10 maart 2026 dat hij nog contact onderhoud met eiser summier is, is de rechtbank van oordeel dat dat in dit geval voldoende is om ervan uit te gaan dat eiser nog belang heeft bij deze procedure. Daarbij wijst de rechtbank erop dat die mededeling dateert van na de MOB-melding, eiser en zijn gemachtigde zich hebben afgemeld voor de zitting (en dus niet zonder bericht niet zijn verschenen zoals in de door de minister aangehaalde uitspraak) en er verder geen concrete aanknopingspunten zijn die de conclusie rechtvaardigen dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming of geen belang meer heeft.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

8. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat zijn directe familieleden in Nederland verblijven en dat zij zijn enige sociale steun zijn. Daarom is het van cruciaal belang voor eisers welzijn en integratie om niet van hen gescheiden te worden. Ook heeft eiser een duurzame relatie opgebouwd in Nederland en is hij van plan om te trouwen. Overdracht aan Duitsland zal eiser volledig van zijn familie en partner scheiden, wat zal resulteren in ernstige psychische gevolgen.

9. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.

10. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland onevenredig hard is. Eiser heeft de gestelde psychische problemen die zouden ontstaan na overdracht aan Duitsland niet met (medische) documenten onderbouwd. Eiser heeft zijn relatie niet aannemelijk gemaakt. Het is onduidelijk op welke familieleden eiser doelt en hij heeft niet nader geconcretiseerd waarom het hebben van familie in Nederland zou zorgen dat overdracht aan Duitsland zou getuigen van onevenredige hardheid. Overigens merkt de rechtbank nog op dat eisers betoog in beroep niet aansluit bij zijn eerdere verklaringen met betrekking tot zijn familie en gestelde partner. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland onevenredig hard is. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

19 juni 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

ECLI:NL:RVS:2019:579.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RVS:2024:2662.