RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.L. Saija),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.15469) te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Eiseres heeft een Sierra Leoonse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2005. Zij heeft haar asielaanvraag in Nederland op 8 november 2025 ingediend.
1.2.
Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 13 augustus 2025 via Spanje het Dublingebied is ingereisd terwijl dit niet mocht. Op 8 december 2025 heeft Nederland aan Spanje verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Spanje heeft dit verzoek op 15 december 2025 op dezelfde grondslag aanvaard.
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
3. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Er is sprake van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar een uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17709. Eiseres is hetzelfde overkomen, verweerder heeft haar persoonlijke ervaringen na overdracht onvoldoende meegenomen. Eiseres verwijst verder naar het AIDA rapport, Update 2025, met name pagina’s 108 en 109. Verweerder had toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Voor het overige verwijst eiseres naar haar zienswijze die als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Beoordeling door de rechtbank
Verwijzing naar de zienswijze
4. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op de zienswijze ingegaan. Voor zover eiseres enkel verwijst naar haar zienswijze zonder toe te lichten op welke punten het bestreden besluit volgens haar onjuist of onvolledig is en waarom, kan dit niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft onder meer in de uitspraken van 25 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5661) en van 1 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2492), geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
5.2.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat eiseres bij overdracht aan Spanje geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Spanje overleggen of verklaringen afleggen over haar eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Spanje. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).
5.3.
Eiseres heeft ter ondersteuning van haar standpunt dat ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel verwezen naar het AIDA-rapport van april 2025, met name pagina’s 108 en 109. In de hiervoor (r.o. 5.1.) genoemde uitspraken van 25 november 2025 en van 1 mei 2026 heeft de Afdeling dit AIDA-rapport betrokken en geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangsituatie voor asielzoekers in Spanje dan de eerdere AIDA-rapporten. Daarmee impliceert de Afdeling dat uit het AIDA-rapport van april 2025 niet blijkt dat er in het opvangsysteem in Spanje sprake is van tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de Afdeling. Uit pagina 109 van het AIDA-rapport volgt juist dat de Dirección General de Atención Humanitaria in januari 2019 instructies gaf om ervoor te zorgen dat asielzoekers die volgens de Dublin-verordening zijn teruggestuurd, gegarandeerd toegang hebben tot opvang. Het Opvanghandboek werd overeenkomstig aangepast. Uit het voorgaande volgt dat eiseres niet aan de hand van objectieve landeninformatie concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt die erop wijzen dat Dublinclaimanten bij overdracht aan Spanje vanwege de opvangsituatie daar in het algemeen een reëel risico lopen om in een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige situatie terecht te komen.
5.4.
Verweerder heeft zich verder naar het oordeel van de rechtbank terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres ook met haar verklaringen over wat zij zelf in Spanje heeft meegemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij na overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Zo heeft eiseres in het gehoor verklaard dat ze in Spanje geen problemen heeft ondervonden en dat ze alleen in Nederland wil blijven omdat ze hier zwanger is geraakt en niet weet waar de vader van het kind zich op dit moment bevindt. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat eiseres na overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met voormelde bepalingen. Dat eiseres hetzelfde is overkomen als de vreemdelingen in de uitspraak van 19 september 2025, volgt de rechtbank gezien de door haar afgelegde verklaringen niet. Verder wordt de stelling van eiseres dat haar persoonlijke ervaringen onvoldoende zijn meegewogen door verweerder niet gevolgd, nu niet duidelijk is om welke verklaringen het zou gaan.
5.5.
Indien eiseres zich na overdracht aan Spanje, onverhoopt, geconfronteerd zou zien met problemen (bijvoorbeeld bij het verkrijgen van opvang of zorg), geldt dat zij zich hierover dient te beklagen bij de Spaanse (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Spaanse autoriteiten haar niet willen of kunnen helpen of dat klagen in Spanje onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Onevenredige hardheid
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Wat eiseres heeft aangevoerd, is al beoordeeld in het kader van de vraag naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.