Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2007 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Ter zitting heeft verweerder grond e laten vallen.
4. Eiser heeft (samengevat) het volgende aangevoerd. Volgens eiser zijn grond a en b niet meer actueel. Dat hij eerder niet op de juiste wijze is binnengekomen en niet uit eigen beweging is vertrokken betekent niet dat hij zich nu aan het toezicht zal onttrekken. Over grond c en d heeft eiser aangevoerd dat hij niet actief frustreert, in die zin dat hij zich actief van zijn paspoort heeft ontdaan. Bovendien beschikt eiser over een kopie van zijn paspoort, waarop ook zijn juiste identiteitsgegevens staan. Dit leidt volgens eiser tot de conclusie dat de maatregel moet worden opgeheven of dat moet worden volstaan met een lichter middel. Bovendien is volgens eiser uitzetting op korte termijn niet aan de orde omdat de Algerijnse autoriteiten in de meeste gevallen niet meewerken.
5. De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat grond a onvoldoende feitelijk is toegelicht in de maatregel. De rechtbank wijst er daarbij op dat met de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) de (oude) zware gronden a en b van artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000 zijn samengevoegd in (één nieuwe) grond a. (Voetnoot 1) Dat betekent dat voor grond a niet (langer) kan worden volstaan met enkel de toelichting dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Daarbij moet nu namelijk ook worden toegelicht dat eiser zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat een toelichting daarover bij deze grond in de maatregel ontbreekt. Ook de rechtbank stelt vast dat die toelichting bij deze grond in de maatregel ontbreekt. Dat betekent dat grond a niet aan de maatregel ten grondslag kan worden gelegd.
6. De rechtbank is echter van oordeel dat voldoende is toegelicht dat (de drie betwiste) gronden b, c en d zich feitelijk voordoen. Allereerst heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser op 11 maart 2026 een terugkeerbesluit is opgelegd en hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten, waaraan hij niet heeft voldaan. Dat heeft eiser niet betwist en daarmee is grond b feitelijk juist. Deze grond kan ook nu nog aan de maatregel ten grondslag worden gelegd. Daarnaast is in de maatregel toegelicht dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd, geen aantoonbare activiteiten heeft ondernomen om daaraan te komen en gebruik heeft gemaakt van verschillende aliassen. Daarmee zijn gronden c en d voldoende feitelijk toegelicht. Dat eiser tijdens het meest recente vertrekgesprek heeft verklaard over een kopie van zijn paspoort te beschikken, maakt dat niet anders. Zoals verweerder terecht opmerkt, beschikte eiser ten tijde van de inbewaringstelling immers niet over documenten en heeft hij ook niets gezegd over een kopie van een paspoort. Overigens blijft dan staan dat hij niets heeft gedaan om aan een (vervangend of origineel) exemplaar te komen. Een kopie van zijn paspoort is bovendien geen officieel document waarmee hij zijn gestelde identiteit en nationaliteit kan aantonen. Dit klemt te meer nu in de maatregel ook staat toegelicht dat eiser zich heeft bediend van meerdere aliassen. De enkele betwisting daarvan door eiser is onvoldoende om niet van die feitelijke toelichting uit te gaan. Dat hij nu heeft verklaard dat hij een kopie van een paspoort aan het IOM (in verband met eventueel vrijwillige terugkeer) zou willen overleggen, doet er evenmin aan af dat hij eerder onjuiste en tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden b, c en d daarom feitelijk juist en kunnen deze aan eiser worden tegengeworpen. Samen met de niet betwiste gronden p, r en s en de toelichting daarbij zijn deze terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegd en samen voldoende om deze maatregel te kunnen dragen, omdat daaruit een onderduikrisico voortvloeit.
7. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten volstaan met het een lichter middel. Verweerder heeft dat voldoende toegelicht in de maatregel. Voorop staat het onderduikrisico, zoals dat uit de gronden volgt. Er is verder rekening gehouden met eisers medische situatie en de rechtbank is niet gebleken van andere (persoonlijke) omstandigheden die maken dat de vreemdelingenbewaring voor eiser onevenredig bezwarend is (geworden). Daarbij is ook het volgende van belang.
8. Vast staat dat eiser moet terugkeren naar Algerije. Hij heeft gezegd dat hij er geen probleem mee heeft om naar Algerije terug te keren en dat ook wil. Eiser heeft echter geen (reis)documenten, zodat verweerder voor zijn terugkeer afhankelijk is van een laissez-passer (lp) van de Algerijnse autoriteiten. Maar dit, samen met het feit dat dit mogelijk lang duurt, maakt nog niet dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije op dit moment ontbreekt en eiser daarom niet in bewaring kon worden gesteld of niet langer kan blijven. Dat zicht ontbreekt niet in algemene zin (Voetnoot 2) en ook niet in eisers specifieke geval. Hij heeft niet concreet gemaakt of onderbouwd dat dit anders is. De enkele algemene opmerking van eiser dat de Algerijnse autoriteiten vaak niet meewerken en het lang kan duren, is niet genoeg voor de conclusie dat nu al moet worden gezegd dat hij niet binnen een redelijke termijn kan terugkeren naar Algerije. (Voetnoot 3) Dat proces kan hij overigens mogelijk versnellen door mee te (blijven) werken aan terugkeer. Daarnaast is van belang dat verweerder voldoende voortvarend aan eisers terugkeer naar Algerije werkt. Eiser is namelijk op 9 juni 2026 in bewaring gesteld op de asielgrondslag (artikel 59b) vanwege zijn asielaanvraag. Nadat hij op 14 juni 2026 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, is de bewaringsmaatregel omgezet. Op 16 juni 2026 is met eiser een vertrekgesprek gevoerd en op 17 juni 2026 is de lp-aanvraag doorgestuurd naar de afdeling DIA van DT&V. Ter zitting is toegelicht dat de lp-aanvraag op korte termijn aan de Algerijnse autoriteiten zal worden verstuurd. Er zijn op dit moment geen indicaties dat Algerije geen lp voor eiser zal verstrekken binnen een redelijke termijn na indiening van de lp-aanvraag.
9. De rechtbank overweegt tot slot dat ook de ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet tot de conclusie leidt dat deze tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23 juni 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.