RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2007, V-nummer: [V-nummer] , eiseres I
en
[eiseres 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010, V-nummer: [V-nummer] , eiseres II
beiden met de Eritrese nationaliteit,
hierna tezamen te noemen: eiseressen
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Overwegingen
Overwegingen
2.1
Referente heeft namens eiseressen op 11 augustus 2022 aanvragen ingediend voor een mvv in het kader van nareis. Eiseressen beogen verblijf bij hun gestelde moeder [referente] (referente) die de Eritrese nationaliteit heeft en op 16 juni 2022 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2.2
Referente heeft tevens een aanvraag ingediend voor haar zoon [naam] . Deze aanvraag is op verzoek van referente afgesplitst behandeld en inmiddels ingewilligd.
3. De minister heeft de aanvragen in het primaire besluit afgewezen omdat eiseressen hun identiteit en de familierechtelijke relatie met referente niet aannemelijk hebben gemaakt. De minister legt daaraan ten grondslag dat de documenten die door eiseressen zijn overgelegd onvoldoende zijn. Ook zijn de aanvragen afgewezen omdat de achterblijvende vader van eiseressen niet beschikbaar is om de benodigde toestemmingsverklaring te ondertekenen. Het door de minister aangeboden DNA-onderzoek, ten behoeve van het vaststellen van de identiteit en de familierechtelijke relatie met zowel referente als de achterblijvende vader, heeft niet plaatsgevonden omdat de vader in Eritrea verblijft en heeft gesteld dat hij niet kan uitreizen naar de diplomatieke post in Ethiopië ten behoeve van het onderzoek.
4.1
Eiseressen voeren in beroep het volgende aan. De minister heeft ten onrechte de familierechtelijke relatie tussen eiseressen en referente niet aannemelijk geacht. Niet wordt ingezien waarom de geboorteakte van [eiseres 2] door de minister niet in positieve zin wordt meegewogen ten aanzien van haar identiteit en de familierechtelijke relatie. De minister heeft ten aanzien van de identiteit van [eiseres 1] bewijsnood aangenomen. Het is daarom ondeugdelijk gemotiveerd waarom haar identiteit en de familierechtelijke relatie met referente niet aannemelijk zou zijn.
4.2
De minister heeft volgens eiseressen ook ten onrechte de familierechtelijke relatie tussen hen en de achterblijvende vader niet aannemelijk geacht. De minister heeft niet betwist dat de naam van de vader op zowel de geboorteakte als de doopakte van [eiseres 2] staat vermeld. De minister heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom de familierechtelijke relatie niet aannemelijk is gemaakt. Eiseressen doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De minister is in het kader van de toestemmingsverklaring ten onrechte niet ingegaan op de verwijzing van referente naar het dossier van de zoon van referente waarin soortgelijke documenten zijn ingediend en er in kopie een identiteitsdocument is ingediend met een handtekening van de achterblijvende ouder. Subsidiair stellen eiseressen dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om een alternatief aan te bieden, zoals DNA-onderzoek in Eritrea of een gehoor om de familierechtelijke relatie aan te tonen. Eiseressen verwijzen in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 3 november 2023 (Voetnoot 1).
4.3
Ten slotte stellen eiseressen zich op het standpunt dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden.
Beoordeling door de rechtbank
5.1.1
De rechtbank overweegt als volgt. De minister moet in nareiszaken, tenzij een vreemdeling zijn deel van de samenwerkingsplicht overduidelijk niet is nagekomen, een integrale beoordeling maken van alle overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen. Hij betrekt daarbij ook alle andere relevante elementen van het desbetreffende geval. De eisen die de minister aan het geleverde bewijs stelt, moeten evenredig zijn aan die elementen. Bovendien geldt dat de minister gemotiveerd moet beoordelen of een vreemdeling het voordeel van de twijfel verdient. Met name het belang van betrokken minderjarige kinderen speelt hierbij een belangrijke rol. In Eritrese nareiszaken moet de minister verder rekening houden met de informatie in het ambtsbericht over de beschikbaarheid van Eritrese documenten. Zo mag hij het ontbreken van geboorteakten in beginsel niet tegenwerpen en het ontbreken van schooldocumenten alleen met een deugdelijke en specifieke motivering. Wel mag de minister een plausibele en op de persoon toegespitste verklaring verlangen als een vreemdeling stelt helemaal geen identiteitsdocumenten te bezitten. (Voetnoot 2)
5.1.2
Bij nareis van een minderjarig kind dient de achterblijvende biologische ouder toestemming te geven voor het vertrek van het kind naar Nederland. De vreemdeling moet de familierechtelijke relatie tussen het minderjarige kind en diens achterblijvende ouder aantonen met officiële documenten. Kan de vreemdeling dat niet, dan krijgt hij de gelegenheid om de reden(en) hiervan kenbaar te maken en andere bewijsmiddelen ten aanzien van die familierechtelijke relatie te overleggen. Als die andere bewijsmiddelen voldoende bewijswaarde hebben, dan biedt verweerder in beginsel nader onderzoek naar de familierechtelijke relatie, bijvoorbeeld DNA-onderzoek, aan.
5.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister conform voorgaand beleid heeft gehandeld. De rechtbank zal dat hieronder uitleggen.
5.3
Het standpunt van eiseressen dat de minister ten onrechte de overgelegde documenten niet in positieve zin heeft meegewogen ten aanzien van de identiteit van [eiseres 2] en de familierechtelijke relatie volgt de rechtbank niet. De minister heeft zich daarbij naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat een geboorteakte geen identiteitsbewijs is en dat het feit dat de naam van de vader wordt genoemd in de namenreeks op de geboorteakte van [eiseres 2] een aanwijzing is, maar op zichzelf niet volstaat om onmiddellijk uit te gaan van een familierechtelijke relatie tussen [eiseres 2] en de gestelde vader. De minister stelt niet ten onrechte dat voor een vaststelling van de familierechtelijke relatie een ondubbelzinnige vermelding van de vader als ouder op het geboortecertificaat is vereist. Die vermelding ontbreekt in dit document. Dat de naam van de gestelde vader in de namenreeks van het kind staat, betekent niet automatisch dat hij juridisch als vader moet worden erkend. Zonder een expliciete aanduiding van de vader als ouder in het document is er daarom onvoldoende grond om de familierechtelijke band onmiddellijk aan te nemen. De minister heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat de overgelegde doopaktes ook onvoldoende zijn om de identiteit van eiseressen en hun familierechtelijke relatie met referente en de gestelde vader vast te stellen. Een doopakte is geen identiteitsbewijs of geboortebewijs.
5.4
De rechtbank constateert dat eiseressen vervolgens van de minister het voordeel van de twijfel hebben gekregen omdat de minister hun verklaringen voor de ontbrekende documenten aannemelijk acht. Het uitblijven van echt bevonden, officiële documenten ter vaststelling van de identiteit en de familierechtelijke relatie kon eiseressen volgens de minister in mindere mate worden aangerekend. De minister heeft daarom de procedure voor een DNA-onderzoek opgestart om de relatie tussen eiseressen en referente en tussen eiseressen en de gestelde achterblijvende vader aannemelijk te maken. Eiseressen hebben echter laten weten dat het niet mogelijk is voor de achterblijvende vader om uit te reizen voor nader onderzoek op de diplomatieke post buiten Eritrea omdat het uitreizen niet zonder gevaren is. De vader heeft een vrouw en kinderen in Eritrea en wil niet het risico lopen dat hij niet naar hen terug kan reizen. Op de zitting heeft referente bevestigd dat dit nog steeds de situatie is. De rechtbank overweegt hierover dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat niet is gebleken van een absolute onmogelijkheid voor de gestelde vader om Eritrea uit te reizen om de diplomatieke post in Ethiopië (of elders) te bezoeken. De gestelde vader heeft de Ethiopische nationaliteit en de stelling dat hij na een bezoek aan Ethiopië niet meer Eritrea zou kunnen inreizen is niet onderbouwd door eiseressen. Dat de gestelde vader niet meewerkt aan een DNA-onderzoek en het tekenen van een toestemmingsverklaring op de diplomatieke post in Ethiopië komt daarmee voor risico van eiseressen. Gelet hierop is de identiteit van eiseressen noch de identiteit van de gestelde achterblijvende vader, noch de familierechtelijke relatie met beide ouders middels het daarvoor nodige DNA-onderzoek vast komen te staan en ontbreekt ook de voor afgifte van de gevraagde mvv’s benodigde toestemmingsverklaring van de vader. Met een enkele verwijzing naar de belangen van eiseressen is naar het oordeel van de rechtbank ook niet aangetoond dat er sprake is van schrijnende omstandigheden waarin aanleiding moet worden gezien om over de noodzaak van een toestemmingsverklaring heen te stappen.
5.5
Het beroep van eiseressen op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar de zaak van hun gestelde broer, slaagt naar het oordeel van de rechtbank ook niet. De zaak van de gestelde broer, de zoon van referente, is niet vergelijkbaar met de situatie van eiseressen. Zoals de gemachtigde van de minister ter zitting heeft toegelicht was er in die zaak een paspoort aanwezig waarmee de identiteit van de zoon van referente vastgesteld kon worden. Daarnaast was een toestemmingsverklaring niet vereist omdat de zoon niet langer minderjarig was. Van vergelijkbare gevallen kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken.
5.6
Anders dan in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 3 november 2023 waar eiseressen naar verwijzen, is de rechtbank in deze zaak van oordeel dat de minister met het aanbod van het uitvoeren van een DNA-onderzoek voldoende mogelijkheid aan eiseressen heeft geboden om de identiteit en familierechtelijke relatie te onderbouwen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is niet gebleken dat er sprake is van een absolute onmogelijkheid voor de vader om naar Ethiopië te reizen en DNA af te geven en een toestemmingsverklaring te ondertekenen op de diplomatieke post. Het standpunt van eiseressen dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om een alternatief aan te bieden volgt de rechtbank dan ook niet.
5.7
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het beroep op schending van de hoorplicht bij deze stand van zaken niet kan slagen. Eiseressen hadden hun aanvraag onvoldoende onderbouwd met stukken. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift al blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Gezien bovenstaande overwegingen en de inhoud van het bezwaarschrift is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft afgezien van het horen in de bezwaarfase. Van schending van de hoorplicht is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.