Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:17158

Op 25 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.33780, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:17158. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.33780
Datum uitspraak:
25 June 2026
Datum publicatie:
25 June 2026

Indicatie

Bewaring, 59a, Kroatië, AMBV, geen lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.33780

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. H. Postma),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring (Voetnoot 1) die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid van de Vw (Voetnoot 2). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. (Voetnoot 3)

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. De minister heeft eiser op 16 juni 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. (Voetnoot 4) Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. (Voetnoot 5)

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Postma. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMBV (Voetnoot 6) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring stellen. (Voetnoot 7) Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 8) Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.  (Voetnoot 9) De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. (Voetnoot 10)

De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMBV en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de AMBV;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;

p. zich niet heeft gehouden aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Voortraject

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMBV. Op 19 mei 2025 hebben de Nederlandse autoriteiten een overnameverzoek ingediend bij de autoriteiten van Kroatië. Dit verzoek is op 15 juli 2025 door Kroatië aanvaard. Op 30 juli 2025 heeft eiser een overdrachtsbesluit ontvangen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. De minister heeft de overdrachtstermijn op 16 september 2025 verlengd tot 18 maanden. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

7. De rechtbank stelt vast dat eiser alleen de gronden d en e betwist. De andere gronden die door de minister in de maatregel zijn opgenomen, zijn inhoudelijk niet betwist en de rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden onrechtmatig aan eiser zijn tegengeworpen. Alleen die gronden zijn al voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de gronden d en e daarom onbesproken.

Lichter middel

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.

8.1.

De minister heeft in de maatregel uitgelegd dat eerder lichtere middelen zijn toegepast, namelijk het voeren van vertrekgesprekken en de meldplicht, maar dat deze niet hebben geleid tot een zelfstandig vertrek van eiser aan Kroatië. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de medische omstandigheden van eiser kenbaar en voldoende zijn betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft er in de maatregel op gewezen dat in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is en dat, als deze zorg niet voldoende kan worden geboden, eiser kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.

8.2.

Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarend handelen en zicht op overdracht

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Daarbij wordt opgemerkt dat er op 17 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden, er op 18 juni 2026 een vluchtaanvraag is gedaan en op 22 juni 2026 opnieuw een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. De minister heeft ter zitting toegelicht dat er voor eiser op 24 juni 2026 om 14:35 uur een vlucht naar Kroatië staat gepland.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoot

Voetnoot 1

Hierna: bewaring.

Voetnoot 2

Vreemdelingenwet.

Voetnoot 3

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 4

Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 5

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 6

Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voetnoot 7

Zie artikel 44 van de AMBV, artikel 59a, eerste lid, van de Vw en artikel 5.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).

Voetnoot 8

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Voetnoot 9

Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMBV en artikel 59c, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 10

Dit volgt uit artikel 59c, tweede lid, van de Vw.