RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. F. Boone),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw (Voetnoot 1) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 22 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 17 juni 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 23 juni 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 23 juni 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser stelt onder verwijzing naar artikel 59, tweede lid, Vw dat de maatregel van bewaring niet langer dan vier weken mocht duren. Deze termijn is verstreken op 9 juni 2026 aangezien er geen verlenging heeft plaatsgevonden. Daarnaast wijst eiser erop dat hij als gevolg van zijn psychiatrische problematiek nog niet gehoord is op zijn asielaanvraag. Volgens verweerder zou de asielprocedure worden voortgezet wanneer eiser meer aanspreekbaar is. Onder deze omstandigheden is duidelijk dat de afhandeling van de asielaanvraag niet binnen de termijn van vier of zes weken zou lukken. Het had op de weg van verweerder gelegen om onderzoek te doen en een MediFirst-advies op te vragen om te beoordelen of eiser gehoord kan worden binnen afzienbare termijn en onder welke voorwaarden. Bij een negatief advies had verweerder de maatregel moeten opheffen. Verweerder had dit advies voortvarend moeten vragen. Op 20 mei 2026 is administratief nagegaan of eiser ingepland kan worden voor een gehoor. Op die datum had ook een medisch advies moeten liggen. De maatregel van bewaring is vanaf die datum onrechtmatig geworden.
4. In reactie op de beroepsgronden heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel van bewaring per 10 juni 2026, namelijk na het verstrijken van bovengenoemde termijn op 9 juni 2026, onrechtmatig is. Verweerder heeft de maatregel op 22 juni 2026 opgeheven en schadevergoeding aangeboden voor de 13 dagen die eiser onrechtmatig in bewaring heeft gezeten.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring al vanaf 20 mei 2026 onrechtmatig is geworden. Anderzijds heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de maatregel van bewaring vanaf 10 juni 2026 onrechtmatig is geworden. Daartoe geldt het volgende. Verweerder dient binnen de maximale bewaringstermijn voldoende voortvarend te werk te gaan. Hierbij is van belang dat de voorbereiding van de beslissing op de asielaanvraag, waaronder het plannen van een gehoor, niet alleen afhankelijk is van de beschikbaarheid van mensen en middelen aan de zijde van verweerder, maar ook van de vreemdeling zelf. In het geval van eiser blijkt uit het dossier dat zijn psychische toestand wisselend is geweest. Gelet op dit wisselende ziektebeeld en de onvoorspelbaarheid van het verloop van dat psychische beeld heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de volledige termijn tot 9 juni 2026 benut kon worden voor de gehoopte (mogelijkheid van de) verdere behandeling van de asielaanvraag. Verweerder moet aldus de gelegenheid hebben (gehad) om de beschikbaarheid van eiser af te wachten en zo mogelijk een gehoor te organiseren. Zoals door verweerder is erkend, had verweerder uiterlijk op 9 juni 2026 een voornemen uit moeten brengen. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, is de maatregel van bewaring met ingang van 10 juni 2026 onrechtmatig geworden.
6. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring was met ingang van 10 juni 2026 onrechtmatig. De ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring vanaf een eerder moment onrechtmatig was. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 13 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 13 x € 120 = € 1.560.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser
tot een bedrag van € 1.560, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van
deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.