Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:17320

Op 3 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.48137 V, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:17320. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.48137 V
Datum uitspraak:
3 June 2026
Datum publicatie:
26 June 2026

Indicatie

Verzet, verzet gegrond, geldigheid ingebrekestelling, beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.48137 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant] , opposant (Voetnoot 1), tevens eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: [gemachtigde]),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 januari 2026 in het geding tussen

opposant

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 30 januari 2026 waarin de rechtbank het verzoek van opposant om verweerder te veroordelen in de proceskosten afgewezen.

2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 30 januari 2026 terecht is geoordeeld dat het verzoek van opposant om proceskostenvergoeding moet worden afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De uitspraak van 30 januari 2026

5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft verweerder veroordeeld tot het betalen van het griffierecht, maar heeft het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen omdat de door opposant verstuurde ingebrekestelling via de elektronische weg is ingediend, en dit conform artikel 2.15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet is toegestaan tenzij door het bestuursorgaan kenbaar is gemaakt dat deze weg is geopend. Omdat dat hier niet in het geval is, heeft de rechtbank overwogen dat de ingebrekestelling van opposant op 2 september 2025 niet geldig is verstuurd, en hem daarom geen proceskostenvergoeding toekomt.

Is er sprake geweest van een geldige ingebrekestelling?

6. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat de ingebrekestelling van 2 september 2025 niet op een geldige wijze is verstuurd. Opposant wijst in dit verband op de ontvangstbevestiging van verweerder 10 september 2025, waarin staat vermeld dat een ingebrekestelling geldig kan worden verstuurd door middel van veilig mailen. Opposant heeft de ingebrekestelling via ‘ZIVVER’, dus door middel van veilig mailen, aan verweerder verstuurt. Hij begrijpt dan ook niet hoe de rechtbank tot het oordeel heeft kunnen komen dat hem geen proceskostenvergoeding toekomt, te meer niet nu de rechtbank wel heeft geoordeeld dat verweerder aan opposant tegemoet is gekomen voorafgaand aan de intrekking van het beroep.

7. Deze verzetsgrond slaagt. Uit het dossier blijkt dat deingebrekestelling van 2 september 2025 via veilig mailen is verstuurd. De ingebrekestelling is dan ook rechtsgeldig.

8. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 30 januari 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzoek kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, moest worden afgewezen. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

9. Het verzet is gegrond en de partijen zijn in de gelegenheid gesteld ter zitting gehoord te worden. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.

10. Op 2 oktober 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘nareis’. Op 16 oktober 2025 heeft verweerder alsnog op de mvv-aanvraag van verzoeker beslist. Bij bericht van 18 november 2025 heeft verzoeker het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.

11. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoeker is tegemoetgekomen door alsnog een beslissing te nemen op de mvv-aanvraag, dat verzoeker om die reden het beroep heeft ingetrokken en dat verzoeker proceskosten heeft gemaakt. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek om proceskostenvergoeding toe te wijzen.

12. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5. Het indienen van een verzetschrift levert 0,5 punt op met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,5. Toegekend wordt € 700,50,-.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het verzet gegrond;

verklaart het beroep gegrond;

veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 700,50,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen de uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.

Als een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan deze een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.