Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:17535
Op 23 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is AWB 26/8640, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:17535. De plaats van zitting was Middelburg.
Indicatie
Asiel. Dublin Bulgarije. Geen gronden. Bahaddar-toets. Beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer] ,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
In het besluit van 26 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Bulgarije daarvoor verantwoordelijk is op grond van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
1. Het inleidend beroepschrift is namens eiser ingediend door een advocaat. Deze advocaat heeft zich vervolgens aan de zaak onttrokken. Eiser is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een nieuwe advocaat in de arm te nemen. Er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld.
2. Het beroepschrift van eiser bevat geen gronden. De rechtbank heeft hem op 28 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om alsnog de gronden van het beroep in te dienen binnen een termijn van vijf werkdagen. Er zijn geen gronden ontvangen. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is. Via het e-mailadres waarnaar het verzoek van 28 mei 2026 is verstuurd, heeft eiser eerder namelijk wel met de rechtbank gecorrespondeerd. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
3. Met deze vaststelling kan niet worden volstaan, omdat op grond van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494) moet worden beoordeeld of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden die onmiskenbaar tot het oordeel leiden dat overdracht van eiser aan Bulgarije in strijd zou zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het verbod op onmenselijke en vernederende behandeling). Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in deze zaak niet gebleken.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.