Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:17537
Op 24 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.15450, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:17537. De plaats van zitting was Arnhem.
Indicatie
Opvolgende aanvraag, geen nieuwe elementen of bevindingen, ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Stap),
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. M. Mikolajczyk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. (Voetnoot 1) Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven omdat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 maart 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan die aanvraag legde eiser ten grondslag dat hij door Al-Shabaab wordt gezocht, omdat hij geweigerd heeft buiten de daarvoor bedoelde procedure een huis op een strategische plek aan haar te verhuren. Al-Shabaab heeft daarna een explosief in eisers huis gegooid, waarna zijn vrouw is overleden. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 26 juni 2025 afgewezen. Dat besluit staat in rechte vast. (Voetnoot 2)
3.1.
Op 15 december 2025 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. In het nu bestreden besluit heeft de minister die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De minister heeft dit gedaan onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van 26 juni 2025 en heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
Is sprake van nieuwe elementen of bevindingen?
4. Eiser betoogt dat zich wel nieuwe elementen of bevindingen voordoen. Als onderbouwing heeft eiser een overlijdensakte van zijn vrouw overgelegd. Die is door Bureau Documenten vals bevonden. Hij heeft inmiddels echter nieuwe documenten ontvangen, waaronder een overlijdensakte van zijn vrouw, die als echt moet worden aangemerkt. Bureau Documenten moet dat document onderzoeken. Eiser heeft daarmee alsnog voldoende aannemelijk gemaakt dat hij moet worden aangemerkt als vluchteling of dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. De minister moet daarom het terugkeerbesluit en het inreisverbod intrekken en de signalering in het Schengen Informatie Systeem (SIS) ongedaan maken, aldus eiser.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt namelijk vast dat de door eiser bedoelde overlijdensakte zich niet in het dossier bevindt. De minister heeft op zitting toegelicht dat document ook niet te hebben ontvangen, zodat Bureau Documenten er ook geen onderzoek naar kan doen. Noch eiser noch zijn gemachtigde is op zitting verschenen, zodat hij dit niet heeft weersproken of een nadere toelichting heeft gegeven. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het document niet aan de minister of aan Bureau Documenten is verzonden. Voor het overige heeft eiser niets aangevoerd tegen het feit dat de minister zijn opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het inreisverbod
5. Het bestreden besluit bevat ook een aan eiser opgelegd inreisverbod. Eiser heeft tegen dat inreisverbod niets anders aangevoerd dan dat dat moet worden ingetrokken omdat de niet-ontvankelijk verklaring van zijn opvolgende aanvraag niet in stand kan blijven. Omdat de rechtbank hierboven al heeft geoordeeld dat die niet-ontvankelijk verklaring wel in stand kan blijven, slaagt ook deze beroepsgrond niet. De rechtbank merkt volledigheidshalve nog op dat het terugkeerbesluit en de SIS-signalering geen rechtsgevolgen zijn van het nu bestreden besluit, maar van het besluit van 26 juni 2025. Dat besluit staat in rechte vast.
Conclusie en gevolgen
6. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoot
Voetnoot 1
Vreemdelingenwet 2000
Voetnoot 2
Rechtbank Den Haag (z.p. Amsterdam) 12 november 2025, NL25.29543, niet gepubliceerd.