Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:17543

Op 24 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.50347, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:17543. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.50347
Datum uitspraak:
24 June 2026
Datum publicatie:
29 June 2026

Indicatie

Asiel (Sierra Leone); referentiekader; geloofwaardigheid identiteit en problemen vanwege deelname aan demonstratie; uitstel van vertrek; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.50347

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen [naam eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. (Voetnoot 1) Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende rekening gehouden met het referentiekader en de medische problematiek van eiser en vindt zowel de identiteit als de problemen van eiser vanwege deelname aan een demonstratie terecht ongeloofwaardig. In het verlengde hiervan mocht de minister de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond en eiser een inreisverbod opleggen. Tot slot had de minister eiser vanwege zijn medische situatie geen uitstel van vertrek hoeven verlenen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft op 8 januari 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser stelt dat hij [naam eiser] heet, dat hij is geboren op [geboortedag] 1989 en dat hij de Sierra Leoonse nationaliteit heeft. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in augustus 2022 anderen (voornamelijk jongeren) aangespoord om deel te nemen aan een demonstratie in de stad Kenema tegen de hoge prijzen in Sierra Leone, en heeft zelf ook aan deze demonstratie deelgenomen. Eiser heeft deze demonstratie vroegtijdig moeten verlaten, omdat zijn zoontje naar het ziekenhuis moest. Terwijl eiser in het ziekenhuis was, zijn leden van de politieke bende [naam bende] naar het huis van eiser gegaan en hebben zij zijn vrouw bedreigd. Eiser vreest bij terugkeer naar Sierra Leone voor problemen met de Sierra Leoonse autoriteiten en met [naam bende].

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;

(2) Problemen vanwege deelname aan demonstratie.

4.1.

De minister stelt zich hierover op het volgende standpunt. De minister vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister vindt de identiteit van eiser en zijn problemen vanwege de deelname aan een demonstratie echter niet geloofwaardig. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser op grond van zijn nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Dat is volgens de minister niet het geval. Omdat eiser daarnaast verklaringen heeft afgelegd die kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. (Voetnoot 2)

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser en met zijn medische problematiek?

5. Eiser betoogt dat de minister in de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser en met zijn medische problematiek. De minister moet in het bestreden besluit kenbaar beoordelen en motiveren wat van eiser mag worden verwacht in het kader van zijn verklaringen en moet dit meewegen bij de vraag of aan hem kan worden tegengeworpen dat hij summier en/of tegenstrijdig verklaart. Dat heeft de minister niet gedaan. De minister heeft in het bestreden besluit slechts erkend dat in het voornemen niet is stilgestaan bij de medische problematiek van eiser en toegevoegd dat dit niet betekent dat de medische problematiek van eiser niet in de beoordeling is meegewogen. Los nog van het feit dat die twee overwegingen haaks op elkaar staan, volgt dat niet uit het voornemen. Aan de verklaring van eiser dat het tijdens het nader gehoor goed met hem ging, kan daarom geen waarde worden gehecht, aldus eiser.

5.1.

Dit betoog slaagt niet. De minister heeft voldoende rekening gehouden met het referentiekader en de medische problematiek van eiser. Uit de wet- en regelgeving vloeit geen algemene verplichting voor de minister voort om in iedere beslissing op een asielaanvraag te motiveren wat het referentiekader van de vreemdeling is (Voetnoot 3) en wat als gevolg daarvan van een vreemdeling mag worden verwacht met betrekking tot zijn verklaringen. Bovendien is de minister in het voornemen uitdrukkelijk op het referentiekader van eiser ingegaan. (Voetnoot 4) De rechtbank ziet daarom geen reden voor het oordeel dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Dat geldt ook voor de medische problematiek van eiser: ook daarop hoeft de minister – voor zover daartoe geen aanleiding bestaat – in het bestreden besluit niet expliciet in te gaan. Het is mogelijk dat de psychische klachten van eiser tot op zekere hoogte van invloed zijn geweest op zijn verklaringen tijdens het nader gehoor, maar zonder (onderbouwende) medische stukken die daar uitdrukkelijk op ingaan kan niet worden vastgesteld welke invloed dat precies is geweest. Het overgelegde patiëntendossier van eiser is daarvoor onvoldoende specifiek. Het enige medische stuk in het dossier dat ingaat op het vermogen van eiser om te worden gehoord, is het medisch advies van medTadvies dat voorafgaand aan het nader gehoor is ingewonnen. Uit dit advies blijkt dat eiser heeft aangegeven dat hij psychische klachten heeft, maar dat deze geen beperking vormen voor het gehoor. Eiser heeft verder ook niet geconcretiseerd op welke wijze zijn medische klachten van invloed zijn geweest op zijn vermogen om te verklaren. De rechtbank ziet daarom ook geen reden voor het oordeel dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische problematiek van eiser.

Is de identiteit van eiser (onderdeel van het eerste asielmotief) geloofwaardig?

6. Eiser betoogt dat de minister zijn identiteit ten onrechte ongeloofwaardig vindt.

Objectieve documenten

6.1.

De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit niet (volledig) met objectieve documenten heeft onderbouwd, waarna de minister aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 heeft beoordeeld of de identiteit alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en e, van de Vw 2000. Eiser heeft in beroep een kopie van een stempas overgelegd. De minister heeft zich hierover onbetwist op het standpunt gesteld dat deze stempas de identiteit van eiser niet alsnog (volledig) onderbouwt. Daarom beoordeelt de rechtbank hierna alleen of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit van eiser niet alsnog, met het overleggen van de kopie van de stempas, geloofwaardig is op de grond dat hij niet voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Daar heeft eiser verschillende argumenten tegen ingebracht, die de rechtbank hieronder bespreekt. Onder 6.5 volgt de conclusie over deze beroepsgrond.

Geen misleiding, dus geloofwaardig?

6.2.

Voor zover eiser heeft betoogd dat de minister niet langer kan volhouden dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is om de enkele reden dat de minister niet langer aanneemt dat eiser hem omtrent zijn identiteit heeft misleid, slaagt dat betoog niet. De beoordeling van de minister over misleiding van eiser omtrent zijn identiteit in het kader van de afdoening van de aanvraag als kennelijk gegrond is een andere toets dan de beoordeling van de geloofwaardigheid van de identiteit van eiser op grond van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Dat de misleiding niet meer wordt tegengeworpen in het kader van de afdoening van de aanvraag als kennelijk ongegrond betekent dus niet dat de identiteit van eiser zonder nadere toetsing geloofwaardig moet worden geacht.

Onvoldoende documenten zonder goede verklaring (voorwaarde b)

6.3.

Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij onvoldoende documenten heeft aangeleverd om zijn identiteit te kunnen onderbouwen en daar geen goede verklaring voor heeft. Eiser is halsoverkop vertrokken en hij heeft in beroep alsnog een kopie van zijn stempas overgelegd. Verder heeft de minister met zijn verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht Sierra Leone uit 2011 nog altijd onvoldoende uitgelegd dat in Sierra Leone een identificatieplicht geldt en eiser om die reden een identiteitskaart moet hebben. De minister is daarmee namelijk niet ingegaan op de door eiser ingebrachte landeninformatie waaruit blijkt dat 7% van de Sierra Leoonse burgers geen identiteitsbewijs hebben. (Voetnoot 5) De deadline om aan de identificatieplicht te voldoen is ook pas recent verlopen, namelijk op 31 augustus 2025. (Voetnoot 6) Het valt niet in te zien dat het aan eiser zou zijn om aannemelijk te maken dat hij tot de minderheid van de burgers behoort die niet in het bezit is van een identiteitskaart. Tot slot valt niet in te zien waarom eiser – nu de minister heeft erkend dat niet alle geboortes in Sierra Leone worden aangegeven – aannemelijk moet maken dat hij geen geboorteakte heeft, en wat dit te maken heeft met het niet bezitten van een identiteitskaart. Eiser kan hier niet meer over verklaren dan het feit dat zijn ouders zijn geboorte kennelijk niet hebben geregistreerd.

6.3.1.

Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft aangeleverd en daar geen goede verklaring voor heeft. De rechtbank begrijpt de minister zo dat eiser niet zo zeer wordt tegengeworpen dat hij geen documenten heeft meegenomen toen hij uit Sierra Leone vluchtte, maar vooral dat hij nadien geen inspanningen heeft verricht om alsnog aan documenten te komen waarvan hij in het bezit zou moeten zijn (geweest). Dat eiser halsoverkop uit Sierra Leone is vertrokken, is daarom niet van belang. Het is in dit verband ook niet van belang dat eiser inmiddels een (kopie van een) stempas heeft overgelegd, omdat de minister zich daarover terecht op het standpunt stelt dat onduidelijk is hoe deze stempas is afgegeven en op basis van welke brondocumenten. Het is daarom de vraag welke waarde – of dat nu doorslaggevende of indicatieve waarde is – aan deze stempas toekomt. Daar staat tegenover dat de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij ook andere documenten had kunnen overleggen, zoals een identiteitskaart of een geboorteakte. Uit het recentste ambtsbericht volgt immers dat in Sierra Leone een identificatieplicht geldt en dat in 2011 ongeveer 80% van de Sierra Leoonse bevolking in het bezit was van een identiteitskaart. (Voetnoot 7) Uit de door eiser aangehaalde landeninformatie volgt dat dit aantal inmiddels is gestegen tot 93%. De minister verbindt hier terecht de conclusie aan dat het merendeel van de Sierra Leoonse bevolking in het bezit moet zijn van een identiteitskaart. Omdat het eiser is die stelt dat hij tot de (relatief kleine) groep behoort die géén identiteitskaart bezit, is het ook aan hem om dat te onderbouwen en individualiseren. Dat heeft hij met een enkele, niet-onderbouwde ontkenning niet gedaan. Datzelfde geldt voor de geboorteakte. Een geboorteakte is immers, net als een identiteitskaart, een document waarmee eiser zijn identiteit nader had kunnen onderbouwen. Uit het recentste ambtsbericht volgt dat geboorten in Sierra Leone in beginsel moeten worden geregistreerd, maar dat dit lang niet altijd gebeurt. (Voetnoot 8) Hoewel daardoor sneller kan worden aangenomen dat eiser geen geboorteakte heeft, is het ook op dit punt eiser die ontkent een geboorteakte te hebben en dus eiser die daar op zijn minst enige onderbouwing en individualisering aan moet geven. Daarin is hij met de enkele verklaring dat hij geen geboorteakte heeft niet geslaagd.

Eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd (voorwaarde e)

6.4.

Het betoog van eiser dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat het reizen door meerdere Europese landen zonder een asielaanvraag te doen afbreuk doet aan zijn geloofwaardigheid, slaagt niet. De minister wijst er terecht op dat eiser sinds oktober 2022 in Europa verblijft (Voetnoot 9) en slechts asiel heeft gevraagd in Griekenland, terwijl hij door verschillende Europese landen is gereisd en daar in de gelegenheid is geweest om een asielaanvraag in te dienen. Gegeven het asielrelaas van eiser en de daaruit voortvloeiende urgentie voor internationale bescherming valt niet in te zien waarom eiser zich niet heeft gemeld in een van de andere Europese landen waar hij doorheen is gereisd.

Conclusie over deze beroepsgrond

6.5.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is.

Zijn de problemen vanwege de deelname aan een demonstratie (het tweede asielmotief) geloofwaardig?

7. Eiser betoogt dat de minister de problemen vanwege zijn deelname aan een demonstratie ten onrechte ongeloofwaardig vindt.

Objectieve documenten

7.1.

De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser dit asielmotief niet (volledig) met objectieve documenten heeft onderbouwd. Daarom heeft de minister aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 beoordeelt of dit asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en e van de Vw 2000. Eiser heeft ter onderbouwing van dit asielmotief in beroep een verklaring van de vicevoorzitter van de Sierra Leoonse lerarenbond overgelegd. De minister heeft zich hierover onbetwist op het standpunt gesteld dat deze verklaring het asielmotief niet alsnog (volledig) onderbouwt. Verder heeft de minister de tegenwerping dat eiser niet voldoet aan voorwaarde e op zitting laten vallen, omdat deze niet was gemotiveerd. Daarom beoordeelt de rechtbank hierna alleen of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit asielmotief niet alsnog geloofwaardig is op de grond dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden b en c van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000.

Onvoldoende documenten zonder goede verklaring (voorwaarde b)

7.2.

Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij onvoldoende documenten zou hebben overgelegd om zijn deelname aan de demonstratie van 10 augustus 2022 te onderbouwen en dat hij daar geen goede verklaring voor heeft. Eiser was in het bezit van foto’s van zijn deelname aan de demonstratie. Die stonden op zijn telefoon, maar deze is hij tijdens de reis van Griekenland naar Turkije op zee verloren. De minister maakt niet anders dan met een standaardmotivering inzichtelijk waarom dat onvoldoende is. Eiser kan daarnaast niet worden tegengeworpen dat hij niet bij derden foto’s of video’s heeft opgevraagd, omdat hij niet weet of en, zo ja, door wie foto’s (van hem) zijn gemaakt tijdens de demonstratie. Die mogelijkheid is dus speculatief. De minister maakt eveneens niet inzichtelijk waarom dat geen goede verklaring is om geen documenten te overleggen. Eiser wijst er tot slot op dat hij in beroep alsnog een verklaring van de vicevoorzitter van de Sierra Leoonse lerarenbond heeft overgelegd waarin het plaatsvinden van de demonstraties wordt bevestigd.

7.2.1.

Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd om het asielmotief te onderbouwen en daar geen goede verklaring voor heeft. De minister had in de eerste plaats niet nader hoeven motiveren waarom hij de verklaring van eiser dat hij zijn telefoon is verloren onvoldoende vindt. Volgens het beleid van de minister wordt een dergelijke verklaring immers niet als bevredigend gezien, (Voetnoot 10) waardoor de minister kan volstaan met een verwijzing naar zijn beleid. (Voetnoot 11) Verder mocht de minister tegenwerpen dat eiser niet bij derden naar foto’s of video’s van de demonstratie heeft gevraagd. Eiser heeft immers verklaard dat tijdens de demonstratie video’s zijn opgenomen door derden en in een WhatsApp-groep zijn gedeeld, (Voetnoot 12) zodat het bestaan van (meer of andere) beelden van de demonstratie niet puur speculatief is. Dat eiser in beroep een verklaring van de vicevoorzitter van de Sierra Leoonse lerarenbond heeft overgelegd, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft die verklaring kennelijk overgelegd om het bestaan van de demonstratie te onderbouwen, maar de minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat onduidelijk is hoe eiser aan deze verklaring is gekomen en dat de verklaring pas in 2025 is opgemaakt op basis van informatie uit 2022. Daar komt nog bij dat de verklaring niet op eiser zelf is toegespitst, en daarom zijn deelname aan de demonstratie niet kan onderbouwen.

Verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (voorwaarde c)

7.3.

Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat zijn verklaringen niet overeenkomen met algemene landeninformatie. De minister heeft ter motivering van zijn standpunt verwezen naar een nieuwsartikel, (Voetnoot 13) maar daaruit valt niet af te leiden dat in Kenema helemaal geen demonstraties hebben plaatsgevonden en daarin wordt bovendien verwezen naar een regeringsonderzoek, dat niet objectief en onpartijdig is. Bovendien volgt uit een ander nieuwsartikel van 8 augustus 2022 dat in Kenema wel degelijk demonstraties plaatsvonden. (Voetnoot 14)

7.3.1.

Dit betoog slaagt niet. De minister werpt eiser terecht tegen dat zijn verklaringen niet overeenkomen met algemene landeninformatie. Uit de door de minister aangehaalde landeninformatie volgt uitdrukkelijk dat in de periode van 8 tot en met 10 augustus 2022 in Sierra Leone geen demonstraties plaatsvonden in Kenema. Waarom deze bron subjectief en/of partijdig zou zijn om de enkele reden dat deze is gebaseerd op een onderzoek van de Sierra Leoonse regering, valt zonder nadere toelichting niet in te zien. Verder dateert de door eiser aangehaalde bron van een dag vóór de demonstratie waaraan eiser stelt te hebben deelgenomen, zodat dit artikel alleen al om die reden niet kan dienen ter onderbouwing van de stelling dat op 10 augustus 2022 een demonstratie in Kenema heeft plaatsgevonden.

7.4.

Eiser betoogt verder dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over wat hij deed toen hij hoorde dat er demonstraties zouden zijn. Eiser heeft tijdens het nader gehoor uitgelegd wat hij heeft gedaan met de oproep om te gaan demonstreren. Het valt niet in te zien waarom eiser later in het gehoor geen nadere uitleg of verdieping aan die verklaring mag geven, en daarnaast was het hem niet duidelijk dat hij had moeten verklaren over de vraag of hij vóór of tijdens de demonstratie (nog) iets anders had gedaan dan demonstreren. Daarom kan niet worden gezegd dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard. Daarnaast stelt eiser dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij geen inzicht kan geven over hoe hij jongeren heeft opgeroepen om te demonstreren. Hij heeft proberen te verklaren dat hij met de jongeren heeft gediscussieerd en uitleg heeft gegeven over het doel en het belang van de demonstratie. Als de minister hier meer duidelijkheid over had gewild, had hij daar tijdens het nader gehoor verder over moeten doorvragen.

7.4.1.

Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over wat hij heeft gedaan toen hij hoorde dat er demonstraties zouden zijn. Eiser heeft in eerste instantie verklaard dat hij besloot mee te doen aan de demonstratie toen hij hoorde dat deze zou plaatsvinden, en verder niets heeft gedaan. (Voetnoot 15) Later verklaart eiser dat hij ook jongeren heeft opgeroepen om deel te nemen. (Voetnoot 16) Die verklaringen zijn niet met elkaar in overeenstemming en de rechtbank ziet ook niet in waarom deze verklaringen in elkaars verlengde zouden liggen. Voor zover het eiser niet duidelijk was wat hij in eerste instantie had moeten verklaren of wat met de vraag werd bedoeld, had het op zijn weg gelegen om daarnaar te vragen. De hoormedewerker heeft eiser aan het begin van het nader gehoor ook uitdrukkelijk gezegd dat hij dat, zo nodig, moest doen. (Voetnoot 17) Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser geen inzicht kan geven over hoe hij jongeren heeft opgeroepen om te demonstreren. Eiser heeft aanvankelijk verklaard dat hij de jongeren op de dag van de demonstratie zelf opriep om te demonstreren toen zij bij hem langs kwamen, (Voetnoot 18) en verklaart later – samengevat – dat hij al dagen daarvóór begon om jongeren voor de demonstratie te mobiliseren door iedereen die hij tegenkwam over de demonstratie te vertellen. (Voetnoot 19) Voor de stelling dat eiser hiermee heeft geprobeerd te verklaren dat eiser met de jongeren heeft gediscussieerd en hun het belang van de demonstraties heeft uitgelegd, bestaat in het nader gehoor daarom geen grondslag. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de minister hierover meer had moeten doorvragen. Tijdens het gehoor zijn over de wijze van het oproepen van jongeren immers, zoals de minister terecht heeft gesteld, meerdere vragen gesteld. (Voetnoot 20)

7.5.

Eiser betoogt tot slot dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt dat en waarom hij wordt gezocht. Eiser stelt voorop dat uit algemene landeninformatie niet volgt dat alleen mensen die geweld hebben gebruikt tijdens een demonstratie kunnen worden gezocht door de Sierra Leoonse autoriteiten, zodat niet kan worden uitgesloten dat eiser wel degelijk wordt gezocht vanwege zijn deelname aan de demonstratie. Verder werpt de minister ten onrechte tegen dat eiser op vermoedens van derden baseert dat hij wordt gezocht. Eiser heeft dit vernomen van zijn vrouw, die hem vertelde dat er (gemaskerde) mannen aan de deur zijn geweest om hem te zoeken en dat zij is bedreigd en mishandeld. De minister heeft niet uitgelegd hoe eiser dit anders zou kunnen onderbouwen. Eiser ziet daarbij ook niet in hoe hij duidelijker had kunnen verklaren dat deze gemaskerde mannen gelieerd zijn aan de Sierra Leoonse overheid, en de minister onderbouwt niet dat bendes (zoals [naam bende]) in opdracht van de Sierra Leoonse regeringspartij kunnen opereren. Daarnaast werpt de minister eiser ten onrechte tegen dat hij nog is teruggekeerd naar zijn woning nadat de gemaskerde mannen aan de deur waren geweest. Eiser is in het donker naar huis gegaan, en is daar voor minder dan tien minuten geweest om zijn zoon thuis te brengen en om wat bagage en geld te pakken. Hierna is eiser direct vertrokken. Het valt te verwachten dat eiser op deze manier handelt.

7.5.1.

Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich allereerst terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hij wordt gezocht. Het is aan eiser om uit te leggen dat en waarom de Sierra Leoonse autoriteiten naar hem op zoek zijn. Eiser heeft verklaard dat hij voor korte tijd heeft deelgenomen aan de demonstratie en is vertrokken voordat de ongeregeldheden plaatsvonden. (Voetnoot 21) Zelfs als wordt aangenomen dat de Sierra Leoonse autoriteiten ook zouden (kunnen) zoeken naar vreedzame demonstranten, valt niet in te zien waarom zij specifiek naar eiser op zoek zouden zijn. Hij was immers al niet meer aanwezig bij de demonstratie toen het karakter daarvan omsloeg en de politie moest ingrijpen. Verder werpt de minister terecht tegen dat eiser slechts op aannames en verklaringen van derden baseert dat hij wordt gezocht door een bende die aan de Sierra Leoonse overheid is gelieerd. Eiser heeft namelijk slechts van zijn vrouw gehoord dat hij werd gezocht vanwege de demonstratie en het oproepen van jongeren tot deelname daaraan en baseert op vermoedens dat hij wordt gezocht door [naam bende](Voetnoot 22) Uit zijn verklaringen volgt echter niet dat eiser op enig moment zelf heeft vernomen dat hij om die reden wordt gezocht of dat eiser dat vermoeden kan onderbouwen. Daarom mocht de minister de verklaringen van eiser onvoldoende vinden. Het is aan eiser om inzicht te geven in wie naar hem op zoek is en waarom, zodat de rechtbank eiser niet volgt in zijn stelling dat de minister (ook) had moeten motiveren hoe eiser zijn verklaringen dan wel nader had kunnen onderbouwen. Tot slot mocht de minister aan eiser tegenwerpen dat hij is teruggekeerd naar zijn woning nadat zijn vrouw daar was bedreigd en mishandeld. Gelet op het feit dat [naam bende] naar het huis van eiser was gekomen met het doel om hem te doden (Voetnoot 23) en eiser juist om die reden naar Nederland is gevlucht, valt niet in te zien waarom eiser daarna nog zou terugkeren naar zijn huis en het risico zou nemen om daar te worden gedood. Dat hij maar kort thuis is geweest om zijn zoon terug te brengen en wat bagage te pakken, kan daar niet aan afdoen. Zelfs een kort bezoek aan huis laat – mede gelet op het feit dat [naam bende] slechts enkele uren daarvóór bij eiser thuis was geweest (Voetnoot 24) – namelijk het risico ontstaan dat eiser thuis zou kunnen worden gevonden en verhoudt zich daarom niet tot de gestelde vrees om te worden gedood door [naam bende].

Conclusie over deze beroepsgrond

7.6.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de problemen van eiser vanwege de deelname aan een demonstratie ongeloofwaardig zijn.

Mocht de minister de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond verklaren en hem een inreisverbod opleggen?

8. Eiser betoogt dat de minister zijn aanvraag niet mocht afwijzen als kennelijk ongegrond, omdat eiser geen valse informatie over zijn identiteit heeft verstrekt en niet kennelijk inconsistent of tegenstrijdig heeft verklaard. In het verlengde daarvan mocht eiser ook geen inreisverbod worden opgelegd.

8.1.

Dit betoog slaagt niet. De minister mocht de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond om de reden dat eiser kennelijk inconsequente of tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. (Voetnoot 25) De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser heeft verklaard dat hij op 10 augustus 2022 heeft deelgenomen aan een demonstratie in Kenema, terwijl uit algemene landeninformatie volgt dat er op die datum helemaal geen demonstratie in Kenema plaatsvond. Uit wat hiervoor onder 7.3.1 is overwogen, volgt dat de rechtbank dat standpunt van de minister kan volgen. Alleen al daarom mocht de minister de asielaanvraag op de hiervoor genoemde grondslag afwijzen als kennelijk ongegrond. Omdat de minister als gevolg daarvan heeft bepaald dat eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn krijgt (en eiser dat in beroep niet heeft bestreden), was hij ook gehouden om eiser een inreisverbod op te leggen. (Voetnoot 26)

Had de minister eiser uitstel van vertrek moeten verlenen?

9. Eiser betoogt dat de minister hem uitstel van vertrek had moeten verlenen. Uit het medische dossier van eiser blijkt dat hij onder medische behandeling staat en dat hij serieuze medische klachten heeft die nader onderzoek vergen. De minister had het Bureau Medische Advisering (BMA) daarom moeten inschakelen en had niet zonder nader onderzoek het beroep op uitstel van vertrek mogen passeren.

9.1.

Dit betoog slaagt niet. De minister heeft terecht geen aanleiding gezien om eiser uitstel van vertrek te verlenen en heeft ook terecht geen aanleiding gezien om het BMA om advies te vragen. De minister geeft toepassing aan artikel 64 van de Vw 2000 als een vreemdeling als gevolg van zijn medische klachten niet in staat is om te reizen of bij terugkeer naar zijn land van herkomst om medische redenen een reëel risico op ernstige schade loopt. (Voetnoot 27) Eiser doet een beroep op deze bepaling, zodat het aan hem is om met medische stukken te onderbouwen dat zich in zijn geval een van beide situaties voordoet. Daarin is eiser niet geslaagd. De minister wijst er namelijk terecht op dat uit het overgelegde patiëntendossier volgt dat eiser medische klachten heeft, maar niet dat er aanwijzingen zijn dat eiser niet kan reizen of dat hij vanwege zijn medische klachten in Sierra Leone een reëel risico op ernstige schade loopt. Dat de minister de bewijslast met dit standpunt te zeer bij eiser legt, zoals eiser op zitting nog heeft gesteld, kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank ziet immers niet in waarom eiser niet aan de benodigde medische onderbouwing zou kunnen komen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser daarom ook niet te vergoeden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Voetnoot 2

Dat is mogelijk op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

Voetnoot 3

Vergelijk Rb. Den Haag (zp Arnhem) 13 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2758, r.o. 6.1; Rb. Den Haag (zp Arnhem) 14 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2571, r.o. 6.1.

Voetnoot 4

Zie het voornemen van 6 oktober 2025, p. 3.

Voetnoot 5

Eiser wijst op het artikel ‘Sierra Leone reaches 93 percent national ID coverage, 80 percent services digitized’ van [website 1] van 5 juni 2025 ([website 1])

Voetnoot 6

Eiser wijst op het artikel ‘Deadline Set: Police, ONS Warn Citizens and Foreigners to Obtain ID Cards by August 31’ van The Calabash Newspaper van 23 juni 2025 ([website 2])

Voetnoot 7

Zie het Algemeen ambtsbericht Sierra Leone van mei 2011, p. 35.

Voetnoot 8

Zie het Algemeen ambtsbericht Sierra Leone van mei 2011, p. 34.

Voetnoot 9

Zie het verslag van het aanmeldgehoor van 28 maart 2024, p. 11-12.

Voetnoot 10

Vergelijk paragraaf C1/4.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Voetnoot 11

Dat staat in artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht.

Voetnoot 12

Zie het verslag van het nader gehoor van 29 september 2025, p. 18.

Voetnoot 13

‘August 2022 Protests in Sierra Leone: The Special Investigation Committee Report’ van Swit Salone News van 18 april 2023 ([website 3]).

Voetnoot 14

Eiser wijst op het artikel ‘Anti-SLPP government protest and sit-down strike paralyze Sierra Leone once again’ van Cocorioko van 8 augustus 2022 ([website 4]).

Voetnoot 15

Zie het verslag van het nader gehoor van 29 september 2025, p. 13.

Voetnoot 16

Zie het verslag van het nader gehoor van 29 september 2025, p. 14.

Voetnoot 17

Zie het verslag van het nader gehoor van 29 september 2025, p. 3.

Voetnoot 18

Zie het verslag van het nader gehoor van 29 september 2025, p. 11.

Voetnoot 19

Zie het verslag van het nader gehoor van 29 september 2025, p. 16.

Voetnoot 20

Zie het verslag van het nader gehoor van 29 september 2025, p. 15-16.

Voetnoot 21

Zie het verslag van het nader gehoor van 29 september 2025, p. 19.

Voetnoot 22

Zie het verslag van het nader gehoor van 29 september 2025, p. 20-21.

Voetnoot 23

Zie het verslag van het nader gehoor van 29 september 2025, p. 23.

Voetnoot 24

Zie het verslag van het nader gehoor van 29 september 2025, p. 9.

Voetnoot 25

Vergelijk artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

Voetnoot 26

Dat volgt uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Voetnoot 27

Zie paragraaf A3/7.1 van de Vc 2000.