Overwegingen
Overwegingen
Inleiding
2. Eiseres heeft de Belarussische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1990. Zij heeft haar asielaanvraag in Nederland op 5 januari 2026 ingediend.
2.1.
Op 29 januari 2026 heeft Nederland aan Polen verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 12, tweede of derde lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Polen heeft dit verzoek op 30 januari 2026 aanvaard op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Polen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Polen een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
4. Eiseres voert aan dat Polen zijn verplichtingen niet altijd nakomt en dat er een reëel risico is op een slechte behandeling. Daarnaast voert Polen gewelddadige pushbacks uit. Eiseres heeft een partner in Nederland met wie zij een duurzame relatie onderhoudt, eiseres is hier nauwelijks over gehoord. Zij verwijst naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 24 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19518 en heeft een samenvatting gemaakt van haar relatie. Ook heeft eiseres foto’s met haar partner en vliegtickets van gezamenlijke reizen bijgevoegd. Eiseres vreest in Polen niet de juiste (specialistische) medische zorg te ontvangen en wijst op het AIDA-rapport Update 2023 en Update 2024. Gelet op haar medische klachten is het van belang dat eiseres bij haar partner kan blijven. Zij heeft afspraken gehad bij de huisarts, bij een psycholoog en er zijn onderzoeken gedaan. Ook heeft zij haar medisch dossier overgelegd. Eiseres had op 8 april 2026 een sollicitatiegesprek bij Ikea, haar banden met Nederland zijn groot. Verweerder dient de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Aanvullend heeft eiseres een brief van haar psycholoog overgelegd met een psychologische beoordeling, deze dateert van 29 mei 2026.
Beoordeling van het beroep
5. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat zij tijdens het gehoor onvoldoende is bevraagd over de relatie met haar partner. Uit het rapport van het gehoor blijkt namelijk dat aan eiseres is gevraagd of zij bezwaren heeft tegen een overdracht aan Polen. Bovendien heeft eiseres niet geconcretiseerd waarover verweerder haar nader had moeten bevragen over haar relatie. In de zienswijze en in de gronden van beroep heeft eiseres de mogelijkheid gehad om haar relatie nader toe te lichten. In de uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 24 oktober 2025, waar eiseres ter zitting een beroep op heeft gedaan, werden stukken aan de vreemdeling tegengeworpen waarover hij niet gehoord was en werd aan de vreemdeling tegengeworpen dat hij geen toelichting op de vragen heeft gegeven, terwijl hij daar niet op door was gevraagd. Daar is in deze zaak geen sprake van. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit uitgangspunt bij uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, bevestigd. De Afdeling heeft dit oordeel recent nog herhaald, bijvoorbeeld in de uitspraken van 15 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1659, en 14 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3800.
6.1.
Het voorgaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Polen zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Polen niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft ter zitting ook gewezen op de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23743, waarin wordt bevestigd dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Polen, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Poolse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Polen overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Polen. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in geval eiseres aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).
6.2.
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Polen systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. In de (eerdergenoemde) uitspraak van 4 september 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de beschikbare informatie niet blijkt dat asielzoekers die in het kader van de Dublinverordening worden overgedragen, het risico lopen om in Polen slachtoffer te worden van pushbacks. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen.
6.3.
Eiseres heeft ook niet met verklaringen over wat zij persoonlijk heeft meegemaakt in Polen aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Polen, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Poolse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De Poolse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiseres in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Indien eiseres zich na overdracht aan Polen geconfronteerd zou zien met nieuwe problemen, geldt dat zij zich hierover dient te beklagen bij de Poolse (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Poolse autoriteiten haar niet willen of kunnen helpen of dat klagen voor Dublinclaimanten in Polen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Medische omstandigheden
7. Uit het medisch dossier volgt dat eiseres emotioneel en angstig is en een gevoel van machteloosheid ervaart. In de brief van de psycholoog van eiseres staat dat zij last heeft van ernstige psychosociale klachten, stress, angst en stemmingsklachten, gevoelens van hopeloosheid en machteloosheid, ernstige slaapstoornissen en frequente paniekaanvallen en hyperventilatie. Voortzetting van verblijf in Nederland is volgens de psycholoog essentieel voor stabiliteit, behandeling en herstel.
7.1.
Verweerder mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat eiseres in Polen een adequate behandeling kan krijgen voor haar klachten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt in haar geval niet opgaat. De verklaring van eiseres dat ze in Polen geen toegang zal krijgen tot specialistische zorg, is onvoldoende om aan te nemen dat er in Polen geen passende medische zorg voor haar is. De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:179 ook geoordeeld dat uit de AIDA-rapporten Polen, Update 2024 en Update 2023, weliswaar blijkt dat sommige asielzoekers niet direct toegang hebben tot specialistische medische zorg in Polen en dat het soms maanden kan duren voordat zij deze zorg toch ontvangen, maar dit betekent niet dat asielzoekers structureel geen toegang hebben tot specialistische medische zorg in Polen. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiseres medisch te behandelen of dat eiseres vanwege haar medische klachten bij haar partner moet blijven. Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op het arrest C.K van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, waaruit volgt dat overdracht van een asielzoeker achterwege moet blijven als die overdracht zelf een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiseres zou inhouden. De overgelegde stukken over de medische toestand van eiseres zijn hiervoor onvoldoende. Verweerder was dan ook niet gehouden om in dit geval de gezondheidstoestand van eiseres te laten onderzoeken door het Bureau Medische Advisering. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc.
8.1.
Hetgeen eiseres over haar medische situatie heeft aangevoerd, is hiervoor al beoordeeld. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd over de relatie met haar partner ook verder geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Polen onevenredig hard is. Het aanwezig zijn van een partner in Nederland, waaraan eiseres gehecht is geraakt, is op zich geen aanleiding om de asielaanvraag van eiseres op te nemen in de nationale procedure. De Dublinverordening is niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen. Dit volgt uit de Afdelingsuitspraak van 11 januari 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:74). De verklaringen van eiseres dat er sprake is van een duurzame relatie en de overgelegde foto’s en vliegtickets, zijn niet voldoende om het bestaan van een duurzame relatie te onderbouwen. Niet in geschil is dat de relatie nog niet bestond in het land van herkomst. Daarom is de gestelde partner geen gezinslid in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. Van een door de Dublinverordening beschermde gezinsband is dan ook geen sprake. Dat eiseres een sollicitatiegesprek bij Ikea had maakt ook niet dat haar banden met Nederland zodanig sterk zijn dat verweerder de aanvraag aan zich moet trekken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangevoerde relatie niet is aan te merken als een bijzondere individuele omstandigheid die maakt dat overdracht naar Polen onevenredig hard zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.