Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:17579

Op 13 May 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.4537, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:17579. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.4537
Datum uitspraak:
13 May 2026
Datum publicatie:
29 June 2026

Indicatie

Aanvraag verblijfsvergunning asiel. Syrië. Hogere gradatie van willekeurig geweld. Humanitaire omstandigheden. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.4537

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Voetnoot 1). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.E. Buijsse als waarnemer van de gemachtigde van eiser, J.A. Matti als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft tussen 2008 en 2010 in militaire dienst gezeten in Syrië. In 2014 is hij benaderd door [naam] , die hem vroeg om zich aan te sluiten bij zijn oppositiebeweging. Eiser wilde dit niet, maar zei dat hij erover zou nadenken. Voordat eiser het verzoek kon afwijzen vond er echter een bombardement plaats, waarop eiser naar Turkije is gevlucht. Enkele dagen later zijn de zus van eiser en haar schoonfamilie gedood bij een aanslag. Eiser vermoedt dat dit een wraakactie van de oppositie voor zijn weigering was. Hij vreest bij terugkeer voor vergelding door de militieleden. Ook vreest hij voor de onveilige situatie in Syrië.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Benadering door de oppositie.

De minister heeft zowel de identiteit, nationaliteit en herkomst als de benadering door de oppositie als geloofwaardig beoordeeld. De minister stelt echter dat eiser zijn vrees voor vergelding door de oppositie niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser is ruim twaalf jaar geleden benaderd om zich aan te sluiten. Hij heeft niet onderbouwd dat hij na al die tijd nog steeds in de belangstelling staat van de [naam] en de oppositieleden. Eiser heeft het verzoek namelijk nooit formeel geweigerd: hij is gevlucht zonder een antwoord te geven. Ook is de [naam] inmiddels overleden en heeft eiser niet onderbouwd dat de vervolging op de oppositieleden zou zijn overgedragen. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn zus en haar schoonfamilie zijn gedood als gevolg van zijn weigering zich bij de oppositiebeweging aan te sluiten. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. De minister neemt voor heel Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan. Eiser heeft niet aan de hand van individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld?

5. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in Syrië geen sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15 onder c van de Kwalificatierichtlijn. (Voetnoot 2) Bij de wijziging van het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Syrië heeft de minister niet alle landeninformatie kenbaar betrokken. Ook heeft de minister ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet betrokken. Bij de beoordeling van de veiligheidssituatie in Aleppo heeft de minister recente berichtgeving over veiligheidsincidenten ten onrechte niet betrokken.

5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zijn standpunt dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar haar uitspraken van 11 december 2025 (zittingsplaats Haarlem) en 23 maart 2026 (zittingsplaats Rotterdam). (Voetnoot 3) De toelichting van de minister en de door hem aangehaalde informatie leiden niet tot een ander oordeel. Uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Syrië van januari 2026 volgt dat in Syrië nog altijd sprake is van een groot gebrek aan stabiliteit en aanhoudende geweldsincidenten, waaronder geweld tegen burgers. (Voetnoot 4)

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarnaast de humanitaire omstandigheden in Syrië niet, of in elk geval onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken. Ook hiervoor verwijst de rechtbank naar de uitspraken van 11 december 2025 en 23 maart 2026.

5.3.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal de minister opdragen een nieuw besluit te nemen. Daarbij dient hij in elk geval de recente landeninformatie te betrekken.

Heeft de minister ten onrechte geen afzonderlijke refoulementbeoordeling gemaakt?

6. Eiser stelt dat de minister had moeten beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 5) als gevolg van de humanitaire omstandigheden in Syrië. De minister kon niet volstaan met een verwijzing naar de artikel 15c-beoordeling, omdat artikel 3 EVRM een eigen toetsingskader kent.

6.1.

Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Hof) in de zaak Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk (Voetnoot 6) heeft geoordeeld, kunnen humanitaire omstandigheden relevant zijn voor de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om terecht te komen in een situatie die een schending van artikel 3 EVRM oplevert. Daarbij moet volgens het Hof een onderscheid worden gemaakt tussen humanitaire omstandigheden die voornamelijk zijn ontstaan als gevolg van het handelen van partijen in een gewapend conflict, en humanitaire omstandigheden die zijn ontstaan als gevolg van armoede en natuurrampen. (Voetnoot 7) De minister heeft dit in het bestreden besluit en in zijn aanvullende motivering niet inzichtelijk beoordeeld. De minister kon niet volstaan met een verwijzing naar zijn beoordeling van artikel 15 onder c van de Kwalificatierichtlijn omdat, zoals eiser stelt, die bepaling qua inhoud verschilt van artikel 3 EVRM en autonoom moet worden uitgelegd. (Voetnoot 8)

6.2.

De beroepsgrond slaagt.

De overige beroepsgronden

6.3.

De beroepsgronden over artikel 15 onder c van de Kwalificatierichtlijn en de refoulementbeoordeling slagen. Het besluit kan om die reden niet in stand blijven. Aan een beoordeling van de overige beroepsgronden, waaronder gronden over de vrees voor vergelding door de oppositie, komt de rechtbank niet toe.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

7.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 12 weken de tijd.

7.2.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en zijn waarnemer aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 21 januari 2026;

- draagt de minister op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. T.G. Bijvank, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RBDHA:2025:23822 en ECLI:NL:RBDHA:2026:7137.

Voetnoot 4

Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026, p. 27 e.v.

Voetnoot 5

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

Voetnoot 6

Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi t. het Verenigd Koninkrijk).

Voetnoot 7

Arrest Sufi en Elmi, r.o. 279-283.

Voetnoot 8

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94, r.o. 28.