RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: J. Sanchez Rhemrev).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Voetnoot 1). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 februari 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, K. van Wezel als tolk en de gemachtigde van de minister.
2.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres stelt van Ecuadoraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. Zij legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij is bedreigd door leden van het [het kartel] (hierna: het kartel). Zij is op 19 maart 2024, 28 maart 2024 en 1 april 2024 via de telefoon en WhatsApp benaderd door het kartel. Zij moest geld betalen, anders zou zij worden gekidnapt en gedood. De vader van eiseres heeft ook een brief ontvangen van het kartel waarin staat dat hij geld moet betalen. Eiseres deed op 1 april 2024 aangifte bij het openbaar ministerie in Ecuador. Haar aanvraag moest worden ingeloot voordat er een onderzoek zou worden gestart. Eiseres is toen op 3 april 2024 vertrokken met het vliegtuig uit Ecuador. Zij vreest dat zij bij terugkeer wordt gekidnapt, gemarteld en gedood.
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Bedreigingen door het kartel [het kartel] .
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn, maar dat de bedreigingen door het kartel niet geloofwaardig zijn. Volgens de minister heeft eiseres dit niet aangetoond met objectieve documenten en vormen eiseres haar verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister legt hieraan ten grondslag dat het niet aannemelijk is dat eiseres onder de aandacht staat van het kartel. Eiseres heeft namelijk niet duidelijk gemaakt waarom het kartel het op haar gemunt heeft. Bovendien is uit landeninformatie gebleken dat het kartel [het kartel] is opgeheven. De minister stelt ook dat het afdoet aan de geloofwaardigheid van het asielmotief dat haar vader geen verdere noemenswaardige bedreigingen of consequenties heeft ondervonden. Verder is de minister van mening dat eiseres de werkwijze van het kartel niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de dreigementen kan niet worden opgemaakt hoe en waar eiseres eventueel de betaling aan het kartel had moeten doen en het is niet aannemelijk dat het kartel haar enkel via de digitale weg zou bedreigen als zij haar wilden afpersen. Eiseres verklaart immers zelf dat er bij het afpersen veelal gebruik wordt gemaakt van explosieven. Tot slot heeft de minister eiseres tegengeworpen dat zij niet heeft afgewacht wat er met de door haar ingediende aangifte zou gebeuren. De minister wijst de asielaanvraag daarom af als ongegrond en legt eiseres een terugkeerbesluit op, met een vertrektermijn van 4 weken.
Geloofwaardigheid bedreigingen
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister de bedreigingen door het kartel ten onrechte niet geloofwaardig heeft gevonden. Over de stelling dat zij niet aannemelijk zou hebben gemaakt waarom zij onder de aandacht van het kartel, wijst eiseres op de door haar ingediende zienswijze. Hierin heeft zij toegelicht dat het kartel denkt dat haar vader rijk is, omdat hij twee auto’s heeft. Zij stelt dat de minister hier in het bestreden besluit ten onrechte niet op in is gegaan. Daarnaast heeft de minister zijn stelling dat het kartel reeds is opgeheven niet onderbouwd. Ook ten aanzien van de stelling dat het afdoet aan de geloofwaardigheid van het asielmotief dat haar vader geen verdere noemenswaardige bedreigingen of consequenties heeft ondervonden, wijst eiseres op de zienswijze. Zij heeft in de zienswijze namelijk uitgelegd dat haar vader verhuisd is naar plek buiten de stad en een nieuw telefoonnummer heeft genomen. De minister is ook op deze verklaring niet in gegaan in het bestreden besluit. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat de door haar beschreven werkwijze van het kartel niet aannemelijk is en haar ten onrechte is tegengeworpen dat zij de aangifte niet heeft afgewacht.
5.1.
Eiseres heeft terecht aangevoerd dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende is in gegaan op haar zienswijze met betrekking tot waarom zij onder de aandacht zou staan en de verklaring dat haar vader is verhuisd en een ander telefoonnummer gebruikt, waardoor hij geen verdere noemenswaardige bedreigingen of consequenties heeft ondervonden. Daarnaast heeft eiseres terecht gesteld dat de minister ten aanzien van de stelling dat het kartel is opgeheven in het bestreden besluit niet heeft verwezen naar een bron en die stelling dus niet heeft onderbouwd. Dit levert een motiveringsgebrek op.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen vinden dat eiseres haar verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die haar asielmotief volledig onderbouwen. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister in zijn verweerschrift alsnog is in gegaan op de verklaringen uit de zienswijze en alsnog een bron heeft vermeld waaruit blijkt dat het kartel [het kartel] in Ecuador in de tweede helft van 2023 – en dus voorafgaand aan de gestelde bedreigingen – is opgeheven. De enkele niet onderbouwde stelling ter zitting dat het kartel in Ecuador nog zou bestaan omdat zij in Mexico (onder een andere naam) actief zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Ten aanzien van het onder de aandacht staan van het kartel, heeft de minister verder nader toegelicht dat eiseres heeft verklaard dat zij geen werk had en het dan ook niet logisch is dat het kartel het allereerst op haar gemunt zou hebben en zich vervolgens op haar vader zou richten. De rechtbank kan de minister hierin volgen en overweegt dat de minister dan ook niet aannemelijk heeft kunnen vinden dat eiseres onder de aandacht staat van het kartel. Daarnaast heeft de minister ook kunnen stellen dat eiseres met haar verklaringen de werkwijze van het kartel niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is het met de minister eens dat het afdoet aan de geloofwaardigheid dat eiseres en haar vader zouden moeten betalen, maar zij nooit zijn geïnstrueerd over hoe zij zouden moeten betalen, waardoor het voor hen niet mogelijk was om aan die opdracht te voldoen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister het ongeloofwaardig heeft kunnen vinden dat eiseres door het kartel is bedreigd. De beroepsgrond van eiseres dat zij hiertegen geen bescherming van de politie zou kunnen krijgen treft dan ook geen doel.
5.3.
De rechtbank ziet aanleiding om het besluit in stand te laten en het motiveringsgebrek op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. De minister heeft in het verweerschrift namelijk alsnog een standpunt ingenomen, dat de rechtbank in de voorgaande overweging heeft gevolgd. Omdat de ongeloofwaardigheid van het asielmotief ongewijzigd blijft, is het aannemelijk dat eiseres door het passeren van het gebrek niet wordt benadeeld.
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.