2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser heeft op 8 maart 1993 een asielaanvraag in Duitsland ingediend, deze procedure is op 12 augustus 1994 afgesloten. Daarna heeft eiser op 18 december 1996 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen. Verder heeft eiser op 19 februari 2008 bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve weigering van de minister om hem een aanbod te doen op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet. Bij besluit van 3 maart 2009 heeft de minister het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Het hiertegen ingediende beroep en hoger beroep zijn ongegrond verklaard. (Voetnoot 1)
5. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij in 2010 tot het atheïsme is bekeerd.
6.2.
De minister acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De gestelde identiteit acht de minister echter ongeloofwaardig omdat eiser geen documenten heeft overgelegd en wisselende gegevens heeft verstrekt over zijn naam, geboortedatum en daarmee ook zijn leeftijd. Dat eiser is bekeerd tot het atheïsme acht de minister ook geloofwaardig. De minister stelt zich echter op het standpunt dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt.
Gegronde vrees voor vervolging
7. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert ten eerste aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Algerije geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Hoewel geloofsafvalligheid in Algerije niet expliciet strafbaar is gesteld, volgt daaruit niet dat atheïsten geen reëel risico lopen. Verder blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Algerije van juni 2005 dat vrijwel de gehele Algerijnse bevolking moslim is. Tegen deze achtergrond vormt openlijke afvalligheid of atheïsme juist een duidelijke afwijking van de dominante maatschappelijke norm. De minister heeft nagelaten te onderzoeken op welke wijze sociale controle, religieuze normen en de omgang met kritiek op de islam in de praktijk gevolgen hebben voor eiser als geloofwaardige atheïst. Dat eiser zich vanwege angst voor reacties van anderen terughoudend opstelt, onder een alias post en tegenwoordig minder actief is, betekent niet dat het risico op vervolging ontbreekt. Integendeel, dit bevestigt juist dat eiser zich reeds beperkt voelt in zijn vrijheid om zichzelf openlijk te uiten. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 juni 2025. (Voetnoot 2) De zaak van eiser bevindt zich daarbij in een nog wezenlijk sterkere positie omdat eisers atheïsme, in tegenstelling tot in de aangehaalde zaak, wel geloofwaardig is geacht. De minister heeft verder onvoldoende invulling gegeven aan de op hem rustende samenwerkingsplicht. De minister heeft wel vragen gesteld over de ontwikkeling van eisers atheïsme, maar heeft onvoldoende doorgevraagd over de wijze waarop eiser bij terugkeer naar Algerije invulling en uiting zal geven aan zijn levensovertuiging, hoe hij zich maatschappelijk zal gedragen en in hoeverre hij zich genoodzaakt zal voelen zijn overtuigingen verborgen te houden. Eiser heeft ook uiting gegeven aan zijn overtuigingen, hij heeft ook verklaard dat hij via Facebook berichten heeft geplaatst over religie, atheïsme, oude beschavingen en kritiek op religieuze denkbeelden. De minister heeft zich echter beperkt tot de constatering dat eiser zich momenteel terughoudender opstelt en minder actief is op sociale media. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 januari 2025. (Voetnoot 3) Ook heeft de minister onvoldoende betrokken dat eiser sinds 1996 in Nederland verblijft en binding met Nederland heeft.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Algerije. Zo heeft eiser bijvoorbeeld aangegeven dat hij, omdat het gevaarlijk is in Algerije, niks zou doen om uiting te geven aan zijn atheïsme en dat hij enkel over het atheïsme praat als hij iemand vindt om mee te praten en dat hij het geen probleem vindt om er niet over te praten. (Voetnoot 4) Daarnaast zijn eisers stellingen over de berichten die hij op Facebook heeft geplaatst niet onderbouwd en heeft de gemachtigde van eiser op de zitting aangegeven dat het account van eiser niet langer actief is. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat eiser zijn vrees verder had moeten individualiseren, maar dit niet heeft gedaan. Het is de rechtbank verder niet duidelijk hoe eiser uiting zou willen geven aan zijn atheïsme. Ook volgt de rechtbank eiser niet dat de minister niet zou hebben voldaan aan zijn samenwerkings- en onderzoeksplicht omdat de minister naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende heeft doorgevraagd. Tenslotte volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat het feit dat eiser al dertig jaar in Nederland woont maakt dat er sprake is van vrees voor vervolging bij terugkeer naar Algerije.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
9. Eiser betoogt verder dat de minister geen terugkeerbesluit en inreisverbod had mogen opleggen. Omdat de afwijzing ondeugdelijk is gemotiveerd en berust op een onjuist feitelijk uitgangspunt, ontvalt de grondslag voor het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Ook heeft de minister geen zelfstandige en kenbare belangenafweging verricht en daarbij betrokken dat eiser sinds 1996 onafgebroken in Nederland verblijft en hier zijn gehele volwassen leven heeft doorgebracht. De minister heeft daarmee onvoldoende betekenis toegekend aan het uitzonderlijk langdurige verblijf van eiser, zijn feitelijke worteling in Nederland en het ontbreken van actuele banden met Algerije.
10. Omdat de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, heeft hij op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw (Voetnoot 5) ook kunnen bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw heeft de minister ook terecht een inreisverbod tegen eiser uitgevaardigd. Omdat er geen sprake is van beschermenswaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM (Voetnoot 6), vormt dit geen beletsel voor het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. De minister hoefde daarom ook niet af te zien van het opleggen van een inreisverbod met toepassing van artikel 66a, achtste lid, van de Vw.
11. Ten slotte stelt eiser dat de minister onvoldoende kenbaar en actueel aan artikel 3 van het EVRM heeft getoetst. Eiser verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025. (Voetnoot 7) Uit dit arrest volgt dat de beoordeling van het risico op refoulement niet mag worden beperkt tot een algemene of abstracte beoordeling, maar dat de minister concreet dient te onderzoeken welke gevolgen terugkeer heeft voor de individuele vreemdeling. De minister heeft echter niet beoordeeld welk risico eiser loopt als geloofwaardige atheïst die reeds online uitingen heeft gedaan over religie en die na bijna dertig jaar in Nederland dient terug te keren naar een samenleving waarin religieuze normen dominant aanwezig zijn.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Algerije geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat er in het dossier geen aanknopingspunten zijn waaruit een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM blijkt. Uit landeninformatie blijkt namelijk niet dat atheïsme strafbaar is in Algerije. Daarnaast heeft eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag meerdere malen aangegeven dat hij zich bij terugkeer naar Algerije niet actief zal uiten over zijn atheïsme.