Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:17817

Op 15 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.16458, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:17817. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.16458
Datum uitspraak:
15 June 2026
Datum publicatie:
1 July 2026

Indicatie

Dublin/Frankrijk. Artikel 17 Dublinverordening, 8 EVRM, onvoldoende onderbouwing besluit, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.16458

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 2 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser, mr. J. Hemelaar, laten weten dat zijn juridisch medewerkster, [naam], ter zitting zal verschijnen en de zaak zal waarnemen.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL26.16459, op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser, de juridisch medewerkster van de gemachtigde van eiser en de tolk, de heer R. Hassan, zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser heeft op 31 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

1.1.

Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 2 mei 2024 in Frankrijk een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Op 15 december 2025 heeft Nederland aan Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Frankrijk heeft dit terugnameverzoek op 26 december 2025 op die grondslag aanvaard.

Totstandkoming van het besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beoordeling van de beroepsgrond door de rechtbank

Artikel 17 Dublinverordening

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de asielaanvraag aan zich moet trekken omdat hij in Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Ten onrechte is volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zonder de bezwaren van eiser concreet en individueel te beoordelen. Eiser lijdt aan hepatitis B en is voor behandeling aangewezen op medische hulp bestaande uit tijdige behandeling en monitoring. Uit het rapport ‘Country policy and information note safe third country, France February 2026’ (zie France CIN Safe third country (https://assets.publishing.service.gov.uk/media/699f1cb0c497bac082bc76a1/France_CIN_Safe_third_country.pdf)) volgt dat asielzoekers in Frankrijk gedurende de eerste drie maanden slechts toegang hebben tot spoedeisende zorg. Daarmee is onvoldoende gewaarborgd dat eiser tijdig effectieve behandeling ontvangt. De enkele verwijzing naar de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Franse autoriteiten biedt geen garantie op tijdige toegang tot noodzakelijke zorg. Verweerder stelt ten onrechte dat de medische zorg in Frankrijk gelijkwaardig is aan die in Nederland. Eiser heeft bovendien eerder ervaren dat hij in Frankrijk na zijn diagnose geen passende behandeling ontving, waardoor vertrouwen in daadwerkelijke toegang tot zorg ontbreekt.

3.1.

De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737, 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863, 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

3.2.

Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Frankrijk geen risico loopt op een met artikel 3 EVRM of een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM of een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiser doen door landeninformatie over te leggen en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).

3.3.

In wat eiser aanvoert over de toegang tot de zorg in Frankrijk ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft in dat kader gesteld dat de wijze waarop asielzoekers in Frankrijk feitelijke toegang tot de zorg wordt verleend voldoende aantoont dat er een reële vrees is op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling en verwijst in dat kader naar het rapport ‘Country policy and information note safe third country, France February 2026’. Hieruit volgt dat medische hulp voor asielzoekers in Frankrijk in de eerste drie maanden enkel van spoedeisende aard is. De rechtbank wijst erop dat de Afdeling in de beoordeling of ten opzichte van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in haar uitspraak van 31 juli 2025 het meest recente AIDA ‘Country Report: France 2024 Update’ van juni 2025 heeft betrokken. Hoewel hierin het door eiser gestelde wordt bevestigd (zie pagina 134 van het AIDA-rapport), komt de Afdeling desondanks tot de conclusie dat dit geen schending oplevert van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest en daardoor niet hoeft te worden getwijfeld aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Frankrijk. Hiermee impliceert de Afdeling dat uit het AIDA-rapport Update 2024 niet blijkt dat er in het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk sprake is van tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de Afdeling. Verweerder mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat de medische voorzieningen in Frankrijk vergelijkbaar zijn met die in Nederland en dat Frankrijk de internationale verplichtingen nakomt, zoals die bijvoorbeeld volgen uit de Opvangrichtlijn. Op grond van artikel 19 van de Opvangrichtlijn dragen de lidstaten er zorg voor dat verzoekers de nodige medische zorg ontvangen, die ten minste de spoedeisende behandelingen en de essentiële behandeling van ziekten en ernstige mentale stoornissen omvat. Ook verstrekken de lidstaten de noodzakelijke medische of andere zorg aan verzoekers met bijzondere opvangbehoeften.

3.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook met zijn verklaringen over wat hij zelf in Frankrijk heeft ervaren niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Frankrijk niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft er niet van uit hoeven gaan dat eiser in zijn specifieke geval een reëel risico zal lopen op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling nu eiser geen (medische) stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij lijdt aan hepatitis B en tijdens zijn verblijf in Frankrijk geen passende zorg hiervoor heeft ontvangen. Dat eiser stelt dat de lat om zijn medische situatie te bewijzen te hoog ligt volgt de rechtbank niet. Eiser stelt (zie pagina 3 van de beroepsgronden) dat hij in Nederland wel passende medische zorg ontvangt. Verweerder mag daarom van eiser verwachten dat hij dit met (medische) stukken kan aantonen en inspanning levert om hiermee zijn stellingen nader te onderbouwen. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij een eventueel benodigde medische behandeling in Frankrijk niet kan ontvangen en waarom behandeling in Nederland moet plaatsvinden. Dat eiser ter zitting stelt dat de medische kosten in Frankrijk voor zijn behandeling te hoog zijn doet daaraan niet af.

3.5.

Gelet op het voorgaande is er ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat overdracht naar Frankrijk zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser zoals bedoelt in het arrest C.K. (ECLI:EU:C:2017:127). De Afdeling heeft op 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2986) geoordeeld dat uit het arrest C.K. e.a. volgt dat het aan de vreemdeling is om objectieve gegevens - zoals medische attesten met betrekking tot zijn toestand - over te leggen die de bijzondere ernst van de gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Verder geldt dat eiser niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Frankrijk, zodat hij niet uit eigen ervaring kan verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten in Frankrijk. Mocht eiser desondanks in de toekomst problemen ondervinden, dan dient hij zich te wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.

3.6.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de Franse autoriteiten hun internationale verplichtingen ten aanzien van eiser nakomen, en dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die erop wijzen dat bij zijn overdracht aan Frankrijk het tegendeel het geval zal zijn en dat hij om die reden een reëel risico loopt om in Frankrijk in een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige situatie terecht te komen. Verweerder geeft geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken.

3.7.

De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 EVRM

4. In de aanvullende beroepsgronden en ter zitting doet eiser een beroep op artikel 8 EVRM vanwege zijn relatie met een persoon in Nederland. De rechtbank oordeelt dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen en slaagt een beroep op dit artikel niet. Dit volgt uit de Afdelingsuitspraak van 11 januari 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:74). Eiser heeft zijn gestelde duurzame en exclusieve relatie met zijn partner niet onderbouwd. Niet in geschil is dat de relatie nog niet bestond in het land van herkomst. Daarom is de gestelde partner geen gezinslid in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. Van een door de Dublinverordening beschermde gezinsband is dan ook geen sprake.

4.1.

De beroepsgrond slaagt niet.

Onvoldoende onderbouwing bestreden besluit

5. Verder stelt eiser dat de door verweerder in het bestreden besluit aangehaalde Afdelingsuitspraken zijn standpunt niet kunnen dragen en stelt hij zich de vraag of de beslissing van verweerder tot stand is gekomen met AI. De uitspraak van 27 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1250) ziet op Polen en niet op Frankrijk, terwijl de uitspraak van 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623) niet inzichtelijk maakt waarom eiser onvoldoende zou hebben aangetoond dat voor hem een reëel risico op gezondheidsschade bestaat. Daarnaast zien de uitspraken vooral op de algemene beschikbaarheid van opvang en niet op feitelijke toegang tot adequate medische zorg voor personen met een bijzondere zorgbehoefte zoals eiser. Hetzelfde geldt voor het rapport van de Asylum Information Database (AIDA) ‘Country Report: France 2024 Update’ (zie AIDA-FR_2024-Update.pdf) waar in die uitspraken naar wordt verwezen. Verweerder heeft bovendien nagelaten uitspraken te betrekken waarin juist vraagtekens worden geplaatst bij toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Frankrijk.

5.1.

De stelling van eiser dat verweerder de aangehaalde (Afdelings)uitspraken niet kan gebruiken ter onderbouwing van haar standpunt volgt de rechtbank niet. De rechtbank stelt vast dat de Afdelingsuitspraak van 27 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1250) inderdaad over Polen gaat en niet over Frankrijk. Echter, waar verweerder met de verwijzing naar deze uitspraak op doelt (zie pagina 5 van het bestreden besluit) is de toetsingssystematiek die volgt uit deze Afdelingsuitspraak. Het gaat er hierbij niet om welke lidstaat in die zaak centraal staat. Dit is bewust door verweerder opgenomen en ter zitting nader uitgelegd en er hoeft daarom niet van uit te worden gegaan dat AI is gebruikt bij het opmaken van het bestreden besluit. Dat uit de reeks aan genoemde Afdelingsuitspraken niet zou volgen dat er kwalitatief voldoende zorg wordt geboden volgt de rechtbank eveneens niet. De Afdelingsuitspraak van 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623) gaat niet over de bevestiging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel enkel op basis van de opvangvoorzieningen, maar ook over de asielprocedure in het algemeen. Op basis van deze uitspraak, waarin de Afdeling alle onderliggende uitspraken bevestigt en ook het AIDA-rapport Update 2024 betrekt, heeft de Afdeling vastgesteld dat er geen gebrek is in adequate zorg- en opvangvoorzieningen. Dat eiser stelt dat zijn uitzonderlijke medische situatie uitdrukkelijk niet wordt besproken in het AIDA-rapport volgt de rechtbank niet. Op basis van het voorgaande ziet de rechtbank geen reden om hierover anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan.

5.2.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: